Conservatieven zijn niet van plan zich zonder slag of stootover te geven; Politieke crisis in Albanie begint pas

ROTTERDAM, 18 juli De vijf- tot zesduizend Albanezen die deze maand hun toevlucht zochten in een aantal ambassades in Tirana zijn op hun voorlopige bestemmingen aangekomen. De ambassade-crisis is opgelost. De Albanese crisis is dat niet, integendeel: die begint pas.

Voorlopig doet het bewind van president en partijleider Ramiz Alia of zijn neus bloedt. Op een massale, georganiseerde demonstratie in Tirana werd vrijdag als vanouds hoog van de toren geblazen over de stalen eenheid van het volk rondom de partij en over de lafheid van de vluchtelingen. Politburolid Xhelil Gjoni, de belangrijkste spreker op de bijeenkomst, bleef de vluchtelingen uitmaken voor 'zwervers en bandieten' die hun vaderland de rug hadden toegekeerd juridisch en moreel onvergeeflijk en suggereerde zelfs dat de massale vlucht naar de ambassades was georganiseerd vanuit het centrum van de 'chauvinistische terreur' tegen de Albanezen, het duivelse Servie.

De Albanese media volgen de laatste tijd minder slaafs de partijlijn. Niettemin: erg open over de problemen thuis en elders zijn ze nog altijd niet. Het partijblad Zeri i Popullit stelde tijdens de ambassade-crisis eerlijkheidshalve dat het betere leven in het buitenland een favoriet gespreksthema op straat is en voegde daar al even ruiterlijk aan toe dat 'het socialisme niet kan worden verdedigd met slogans en citaten, net zo min als de wereld om ons heen met frasen kan worden genegeerd'.

Maar bij de voorlichting van haar lezers over hoe het werkelijk toegaat in het buitenland maakte Zeri i Popullit zich nog altijd schuldig aan ouderwetse desinformatie: 'Werk wordt (in het Westen) afgemeten: van elke zestig minuten moeten er 57 worden gewerkt en zijn er drie om uit te rusten. Als je je bureau verlaat om een kop koffie te halen registreert de computer je afwezigheid en die drie minuten moeten later op de dag worden ingehaald'. Of die benadering de gemoederen in Albanie tot bedaren kan brengen is de vraag. De onrust is niet voor niets ontstaan: het oude recept van Enver Hoxha, repressie, gekoppeld aan een voortdurend beroep op het Albanese patriottisme en de ideologie, werkt onder Alia niet langer. De Albanezen hebben jarenlang op de Griekse, Joegoslavische en Italiaanse televisie kunnen zien hoe het elders toegaat en veel computers die drie minuten koffiepauze bij de werktijd tellen zullen ze toch niet zijn tegengekomen. Bovendien, al waren ze die wel tegengekomen: het lijkt onwaarschijnlijk dat de spartaans (volgens sommige bronnen zelfs steeds spartaanser) levende en zolang onmondig gehouden Albanezen hun beeld van het leven in het buitenland laten beinvloeden door het soort argumenten waar Zeri i Popullit nu mee komt: wie geen eten kan krijgen maalt niet om wat een theoretische computer tijdens een theoretische koffiepauze doet. Tien jaar geleden, toen de Albanezen noch een televisietoestel noch een relaisstation voor de Italiaanse tv-programma's hadden konden Hoxha's propagandisten de Albanezen nog wijsmaken dat de malaise van het kapitalisme honderd jaar nadat Marx erover had geschreven nog ongewijzigd bestond. Inmiddels zijn de Albanezen wat wijzer geworden.

Albanie lijkt voor een machtsstrijd te staan. Aan de ene kant staat Ramiz Alia, de man die in 1985 het roer overnam van Enver Hoxha en die sindsdien met zijn voorzichtige hervormingen weinig zinvols heeft bereikt. Hij wordt binnen het politburo gesteund door een minderheid, geleid door chef-ideoloog Foto Cami en Besnik Bekteshi, de minister van industrie en mijnbouw, maar met veel succes tegengewerkt door een meerderheid van behoudende politburoleden rondom Nexhmije Hoxha, de weduwe en de ongekroonde erfgename van het ideologische gedachtengoed van Alia's nog steeds 'glorieuze en onvergetelijke' voorganger. De orthodoxen hebben, de hervormingen van de laatste maanden ten spijt, duidelijk de overhand: Bekeshti en Cami, van wie vooral de laatste vorig jaar nog vrijwel elke dag het een en ander te melden had over de koers van Albanie in het licht van de Oosteuropese revoluties, hebben zich de laatste tijd nauwelijks meer gemeld. De wijzigingen in het politburo van vorige week waren de eerste sinds Hoxha's dood in 1985. Dat is op zich al illustratief voor het tempo waarin zich in Albanie veranderingen voltrekken. Of die wijzigingen veel uitmaken is de vraag. Waarschijnlijk maken ze niets uit, net zo min als de uitkomst van de machtsstrijd in de top erg relevant lijkt: het initiatief lijkt op straat te liggen.

Het bewind kan honderdduizend inwoners van Tirana optrommelen die op aangeven van een politburolid de stalen eenheid van partij en volk bejubelen, maar de duizenden die de afgelopen weken via ambassades naar het buitenland zijn vertrokken hebben waarschijnlijk een eerlijker en krachtiger signaal gegeven. Het bewind zal met overtuigender hervormingen moeten komen om de Albanezen rustig te houden, en het lijkt er niet op dat de conservatieven daartoe bereid en dat Alia cum suis stel dat zij de machtsstrijd winnen daartoe in staat zijn.

Dat opent het perspectief van een Roemeens scenario: geweld. Er zijn vele parallellen tussen het Albanese bewind in elk geval de vleugel rondom Nexmije Hoxha en dat van Ceausescu. Een daarvan is de vastbeslotenheid zich te verdedigen, ongeacht de druk van de straat. De orthodoxen gaat het om het redden van de heilige verworvenheden van Hoxha's socialisme, waarvoor de afgelopen decennia zoveel offers zijn gebracht. Zoals Ismail Kadare, 's lands bekendste schrijver en een uitgesproken criticus van de orthodoxen, het onlangs in een vraaggesprek met een Albanees blad heeft uitgedrukt: 'De meest duistere krachten hebben een criminele psychose geschapen die enthousiast wordt versterkt door de onderdrukkingsorganen van het land. Verblind door die psychose en wanhopig om te bewijzen dat zonder hen het land in elkaar klapt kunnen ze zich niet indenken dat het geweld waarmee ze optreden een ramp is voor de staat en voor henzelf. Als trouwe honden van de staat worden ze de doodgravers van die staat.'

Dat ook vijfduizend 'bandieten' geen fundamentele wijziging hebben gebracht in de denkbeelden van die 'duistere krachten' blijkt uit de toon van de discussie van de afgelopen weken in Tirana. En dat is gevaarlijk. De Securitate en haar Albanese pendant, de 30.000 manschappen tellende Sigurimi, hebben meer met elkaar gemeen dan hun naam. Ze hebben bijvoorbeeld een eigen speciale elite-eenheid met elkaar gemeen, in Albanie Sampista geheten. En dat die elitetroepen in Albanie even toegewijd zijn aan het gedachtengoed van Enver Hoxha als de securisti het waren aan dat van Nicolae Ceausescu wordt door niemand serieus betwijfeld. Een fluwelen revolutie lijkt er niet in te zitten, in Albanie.