Collectie van Schiedams Museum blijkt van een meer danplaatselijk belang; De oogst van negentig jaar koppigheid

Direct na het betreden van de Grote of St. Janskerk in het centrum van Schiedam moet de bezoeker uitwijken voor een stapel emmers van wit plastic. Het zijn van die emmers met een ingeklemd deksel, waarin verf wordt verkocht. Het eerste vermoeden dat schilders in de kerk een karwei hebben, blijkt al snel onjuist. Het carre van driehoog gestapelde emmers is een in 1989 door het Stedelijk Museum van Schiedam aangekocht kunstwerk, een sculptuur van Pieter Geraedts. Het heet 48 emmers en maakt deel uit van de expositie Stedelijk Museum Schiedam 90 jaar die zich deze zomermaanden behalve in het museum zelf ook voltrekt in genoemd kerkgebouw.

Terecht staan Geraedts' provocerende emmers aan het begin van de expositie enigszins in de weg, belemmeren zij een rechte doorgang naar de vele tientallen andere kunstwerken die in de kerk een selectie zijn uit de aanwinsten van de afgelopen zes jaar. Terecht omdat de fundamentele beeldende kunst, waarvan de emmers een voorbeeld zijn, zodoende een extra accent krijgt. De nu vertrekkende directeur Hans Paalman immers heeft in zijn verzamelbeleid altijd de niet vanzelfsprekende maar wel noodzakelijke aandacht gehad voor kunstuitingen die steeds opnieuw aan de grondslagen van figuratie en abstractie morrelen.

Uit de opstelling in de kerk blijkt dat Paalman het serieus nam als Geraedts met zijn emmers aankwam, of als Louis Damen kleine, gepolijste plaatjes marmer op elkaar legde en dan van een Multiple sprak, of als Fons Brasser een drieluik vervaardigde van vellen papier met slechts hier en daar een veeg of streep kleurpotlood. Ook kleine ijzerplastiekjes van David Vandekop en de slordige reeksen kleurvlekken van Rob van Koningsbruggen horen erbij, bij de objecten die eerder aantekeningen in een durende discussie zijn dan definitieve eindresultaten.

Met elkaar vormen zij een geschiedenis van kunstzinnige overwegingen waarin reflecties over materiaal en gebaar afwisselen met de visie (zoals in de stapel plastic emmers) dat aan de willekeurige werkelijkheid van alledag soms niets behoeft te worden toegevoegd. Dan wordt iedereen zijn eigen kunstenaar door het vermogen anders en beter te kijken. Beeldende kunst, aldus hun door Paalman in zijn beleid onderstreepte boodschap, lijkt niet noodzakelijkerwijs op iets anders op een bos bloemen, een landschap, een gezicht.

Hans Paalman heeft het met het serieus nemen van onder meer het fundamentele experiment in zijn verzamelbeleid in Schiedam niet zo gemakkelijk gehad. De plaatselijke politiek vond het maar niks, dit geld kostende bijeen brengen van door velen onbegrepen objecten die ook door de kleine kinderen van partijbestuurders gemaakt zouden kunnen zijn. De museumdirecteur werd een elitaire opstelling verweten en er kwamen 'adviescommissies' die hem op de vingers keken. Ooit hadden twee PvdA-bestuurders zelfs even een plan om de collectie beeldende kunst te verkopen en van de opbrengst een gemeenschapshuis in te richten. Dat die collectie een kleine, maar internationaal belangrijke verzameling vroege Cobra-werken omvat, was naar de mening van de socialisten van toen reden te meer de zaak van de hand te doen.

Het is allemaal niet gebeurd, het verzamelen is tegen de wind in doorgegaan in het negentig jaar geleden als oudheidskamer begonnen museum. De jubileumexpositie in museum en kerk toont een verzameling met een vooral sinds de Tweede Wereldoorlog zorgvuldig bijgehouden overzicht van de eigentijdse beeldende kunst in ons land, steunend op een in al zijn onvolledigheid toch aardige collectie van voordien met enkele imposante hoogtepunten.

Tussen de curiosa uit de allereerste tijd van de museumgeschiedenis bevinden zich enkele weinig opvallende zestiende-eeuwse portretten van anonieme schilders, maar ook een meer dan prachtig olieverfpaneeltje van omstreeks 1550. De kunstenaar is een onbekende meester die de afbeelding van het Huis te Riviere, een kasteelachtig buiten bij Schiedam, aangreep voor een wonderlijk modern aandoend landschappelijk stemmingsbeeld. Het buiten ligt in de grijsbruine ochtendschemering, omarmd door de slotgracht, waarin een zwaan een helderwit accent met vuurrood snavelpuntje is. In de lucht breken pastelachtige kleuren door, op een kanteel een nauwelijks opvallend ooievaarsnest, er heerst een sfeer van romantische melancholie, de stilte voordat de eerste vogel gaat fluiten. De gedachte dringt zich op dat de onbekende maker wel eens een vrouw geweest zou kunnen zijn. In de jaren twintig ging de kunsthandelaar C. H. Schwagermann als conservator optreden, in de jaren vijftig opgevolgd door zijn zoon, de schilder D. Schwagermann. Aan deze vader en zoon is het te danken dat het museum een belangrijk centrum van beeldende kunst werd. In de vooroorlogse jaren werden werken van onder anderen Kees van Dongen, de Amsterdamse Joffers en Isaac Israels gekocht. Op de expositie is van laatstgenoemde bijvoorbeeld het schilderij In het cafe uit 1904 te zien, het portret ten voeten uit van een jong meisje, aan het cafetafeltje bezig met het roeren in een groot glas met een rode drank. Via een spiegel is haar gezicht gevangen in een knap dubbelportret. Een ander hoogtepunt is het magistrale portret door Kees Verwey van Lodewijk van Deyssel, een olieverf uit 1940. Het massieve kale hoofd van de dichter, de loensende ogen, de gezette gestalte, de arrogante houding, het is een verbeelding van in ijdelheid gevangen genie, van een grenzelooos egocentrisme.

Aan de 'jonge Schwagermann' is de aanzet en de basis van het eigentijdse gezicht van het museum te danken. Hij herkende het belang van onder anderen de Cobra-schilders toen dezen door publiek en kritiek nog voor rotte vis werden gescholden. Ook om practische redenen besloot hij de nadruk op de moderne kunst te leggen, op het werk van nog niet zo bekende tijdgenoten: dat was immers voor een klein museum te betalen. Zo kon het schilderij Victory Borfimah van Eugene Brands in 1951 voor honderd gulden aangeschaft worden. De collectie met onder anderen Karel Appel, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp, Corneille en Constant Nieuwenhuys die toen werd gevormd, is nu uiteraard een belangrijk en trots getoond onderdeel van de jubileum-expositie. We zien dan bijvoorbeeld het schilderij Slaapwandelende haan van Jan Nieuwenhuys terug. Deze wat minder bekend gebleven broer van Constant heeft maar heel even van Cobra deel uitgemaakt; de haan ontstond in het jaar dat hij de groep al verliet. Het doek toont een dieprood vogelbeest, heersend in een blauwzwarte nacht, hevig aanwezig in een niet op te lossen geheim.

Pierre Janssen en Hans Paalman hebben Schwagermanns beleid principieel voortgezet, zodat stromingen als pop- en op-art, materieschilderingen, nieuwe figuratie en abstract expressionisme konden worden opgenomen. Jaap Wagemaker met zijn materiedoeken, de merkwaardige naief Jan Roede, Kees van Bohemen, de hallucinerende werken van Ton van Os, Ben Akkerman met zijn blauw, Eli Content met zijn gerafeld zwart fundamentalisme, een paar hele mooie vroege werken van Gerrit Benner het is er allemaal, evenals de Pollock-achtige druipcomposities van Age Klink en een prachtig houtrelief van Ad Dekkers. Van de Cobra-schilders werd vooral Eugene Brands in zijn latere ontwikkeling gevolgd.

In de St. Janskerk hangen de meest recente aankopen. Zoals een stemmingsbeeld in een leeg bos van Elisabeth de Vaal, de mooie wilde experimenten van Toon Teken, een prachtig olieverf van John van 't Slot. Ex Patriots heet dit in grijs, zwart en wit gehouden bijna-monochroom, waarin vogelsilhouetten en onbenoembare lettertekens een verhaal van elementaire betekenis vertellen.

Schiedam bezit een collectie, die meer door koppigheid en de medewerking van WVC dan door lokaal enthousiasme kon ontstaan. In de catalogus schrijft J. Jansen van het Gemeentearchief terecht: 'Een collectie die landelijk een aanzien heeft waarvan men plaatselijk niet altijd het besef heeft.'