BUDGETTAIR KRUIMELWERK

Het kabinet heeft de afgelopen weken vele uren vergaderd om achthonderd miljoen gulden te vinden. Door tot dat bedrag extra belastingen te heffen of het mes in de overheidsuitgaven te zetten, zal het financieringstekort volgend jaar uitkomen op de in het regeerakkoord verankerde 4,75 procent van het nationale inkomen.

Op het eerste gezicht wekt het verbazing dat de bewindslieden zoveel moeite hadden om achthonderd miljoen gulden bij elkaar te sprokkelen. In het jongste verleden werden elk jaar opnieuw immers miljarden guldens bezuinigd. Bovendien kan het toch niet zo'n heksentoer zijn om van de totale rijksuitgaven van bijna tweehonderd miljard gulden een half procentje af te knabbelen? Wie zo redeneert, vergeet een paar dingen. In de jaren tachtig zijn de meeste miljarden bezuinigd door de uitkeringen en de ambtenarensalarissen zeven jaren lang te bevriezen. Het derde kabinet-Lubbers gaat er prat op dat de koppeling van de inkomens van niet-actieven en ambtenaren aan de cao-lonen is hersteld. Daarmee is echter tegelijk een groot deel van de publieke uitgaven immuun voor het bezuinigingsvirus geworden.

Ook verdwenen de afgelopen jaren grote posten van de rijksbegroting door allerlei kunstgrepen. Vroeger leende het Rijk miljarden voor de sociale woningbouw, die meteen werden doorgeleend aan gemeenten en corporaties. Sinds 1988 weigert het Rijk nog langer voor kassier te spelen en gaan corporaties zelf de kapitaalmarkt op. Deze eenmalige de-budgetteringsoperatie leent zich per definitie niet voor herhaling. Ten slotte zijn de overheidsuitgaven mede gefinancierd door een deel van het staatsvermogen te verkopen. Je kunt niet blijven potverteren. In latere jaren moet een nieuw kabinet dekking vinden door de belastingen te verhogen of op bestaande uitgaven te bezuinigen.

D esondanks lijkt het tamelijk eenvoudig om een half procent van de uitgaven te snoeien. De vorig jaar aangetreden ministers hebben echter inmiddels tot hun schade en schande ontdekt dat in de jaren tachtig al heel wat vet uit hun begrotingen is weggesneden. Een belangrijk deel van de uitgaven ligt bovendien muurvast. Er moet volgend jaar twintig miljard aan oude staatsschuld worden afgelost, de rente op de uitstaande schuld slokt 24 miljard op. Dat kan geen cent minder, op straffe van een staatsbankroet.

Voor de aankoop van papier, gebouwen, militaire hardware en zo meer geeft de overheid dertien miljard uit. Hierop kan wel iets worden beknibbeld, maar dat gebeurt al omdat de bewindslieden van Kok geen vergoeding krijgen voor de prijsstijgingen in 1991. Ook de salarislasten van het rijkspersoneel (zeventien miljard) bieden weinig speelruimte. Het aantal ambtenaren kan slechts geleidelijk worden verminderd, en de eerste jaren zijn de wachtgelden van afgevloeide overheidsdienaren bijna even hoog als het vroeger verdiende salaris. Afdrachten aan de EG (zeven miljard) en woningsubsidies (acht miljard) bieden op korte termijn evenmin budgettaire armslag.

Deze betalingen liggen grotendeels juridisch vast. De slankmakers van Financien hebben al een begerig oog geslagen op de 72 miljard die jaarlijks wordt overgeheveld naar de gemeenten, het onderwijs, de sociale fondsen en de provincies.

Er zijn echter afspraken met de lokale overheden gemaakt dat zij niet meer dan evenredig door bezuinigingen zullen worden getroffen. De financiering van een groot deel van het onderwijs ligt vast in basisregelingen, die eerst zouden moeten worden gewijzigd. Alleen bepaalde subsidies aan bedrijven en gezinnen (negentien miljard) kunnen tamelijk snel worden stopgezet. De PvdA is huiverig voor kortingen op subsidies aan gezinnen, omdat de lager betaalden daarvan vaak de dupe zijn. Het CDA lijkt ombuigingen bij allerlei nogal zinloze subsidies aan het bedrijfsleven af te wijzen.

Bij de overdrachten zijn in feite alleen enkele miljarden te vinden door de uitgaven voor stadsvernieuwing en ontwikkelingssamenwerking drastisch te beknotten. Gezien de deels twijfelachtige effectiviteit van deze posten zou het kabinet daar eens een dagje diepgaand over moeten doorpraten. Daarvoor ontbreekt kennelijk de tijd. De bewindslieden verliezen zich in budgettair kruimelwerk en verhitte debatten over korte-baan bezuinigingen. Dat gaat al jaren zo. Van een weloverwogen bezuinigingsbeleid komt dan weinig terecht.

A an suggesties voor verbete ring van de budgettaire besluitvorming is geen gebrek. Zo is van diverse kanten voorgesteld om in het regeerakkoord een reserve voor toekomstige uitgavenoverschrijdingen op te nemen. Dat is niet gebeurd. Daarom loopt het nieuwe kabinet vast. Een ander idee is om het peil en de samenstelling van de rijksuitgaven flexibeler te maken door wettelijke regelingen en subsidietoezeggingen aan een eindtermijn te binden ('horizon-bepalingen'). Ook deze suggestie ging in de doofpot.

Door een herziening van het ambtenarenrecht zou voorts de omvang van het rijkspersoneel versneld kunnen worden verminderd. Ondanks alle afslankingsoperaties zijn er nog net zoveel rijksambtenaren als vijftien jaar geleden (155.000). Op Landbouw kwamen er zelfs 500 man bij (daar werken nu ruim 12.000 ambtenaren). In diezelfde periode is het aantal land- en tuinbouwers met bijna een kwart procent gedaald! Ook wanneer we rekening houden met het feit dat natuurbescherming en de vleeskeuring na 1975 met Landbouw zijn gefuseerd, lijkt er alle aanleiding het bolwerk van het Groene Front flink uit te dunnen en het vervolgens bij Economische Zaken onder te brengen.

Zulke besluiten kosten een flinke voorbereidingstijd. De winst blijkt pas later. Het wordt door de grotere flexibiliteit van de overheidsuitgaven dan blijvend eenvoudiger om in Den Haag de tering naar de nering te zetten.