Vuilverbrandingen overschrijden alle norm voor dioxine

ROTTERDAM, 17 juli Vorig jaar telde Nederland nog twaalf verbrandingsinstallaties voor huisvuil. Gisteren werd die Leeuwarden gesloten omdat de dioxine-uitstoot te hoog werd geacht. Eerder dit jaar gingen de installaties in Alkmaar en Zaandam om dezelfde reden dicht. De overige negen installaties zijn nog niet aan bod geweest in het meetprogramma dat in opdracht van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu (VROM) wordt uitgevoerd.

Het is geen verrassing dat de installatie in Leeuwarden is stilgelegd. Naar alle waarschijnlijkheid zullen ook de installaties in Leiden, Amsterdam en Den Haag worden gesloten. Zij voldoen geen van alle aan de Richtlijn Verbranden '85 (RV'85) en aanpassen is waarschijnlijk niet lonend. De installatie in Leiden voldoet niet aan de vergunningsvoorwaarden en zal uiterlijk in september dit jaar worden gesloten. Die in Amsterdam-Noord mag vooralsnog open blijven, omdat in de vergunningsvoorwaarden niet is opgenomen dat die aan de RV'85 moet voldoen en men al bezig is een nieuwe installatie te bouwen in Amsterdam-West. Deze moet in 1994 klaar zijn. Dan kan de oude installatie dicht.

Ook die in Den Haag mag nog open blijven, maar het is nog niet duidelijk hoe lang. De situatie in Den Haag is minder dringend, omdat deze installatie midden in de stad staat. Dioxine bereikt ons namelijk vooral via melkvet, waar het in terecht komt doordat koeien gras eten waarop stofdeeltjes met dioxine zitten.

De RV'85 bevat geen norm voor dioxinen, wel voor stof: er mag niet meer dan vijftig microgram (een microgram is een miljoenste gram) stof per kubieke meter rookgas worden uitgestoten. Op dit moment voldoen slechts drie vuilverbrandingen aan deze norm: Duiven bij Arnhem, Nijmegen en Dordrecht. Die in Rotterdam, Rozenburg en Roosendaal worden aangepast om aan de norm te voldoen.

Ondertussen is een nieuwe norm gepubliceerd, de Richtlijn Verbranden '89 (RV'89). De maximale stofuitstoot bedraagt volgens deze richtlijn 5 microgram per kubieke meter. Hieraan voldoet nog geen enkele installatie. Bestaande installaties hebben echter tot november 1993 de tijd om eraan te voldoen. In de RV'89 is wel een dioxinenorm opgenomen: het uitgestoten stof mag maximaal 0,1 nanogram (een nanogram is een miljardste gram) toxiteitsequivalent dioxine per kubieke meter bevatten. Dat vergt enige uitleg.

Hoewel in het spraakgebruik vaak de term dioxine valt gaat het steeds om tientallen verschillende stoffen. Die zijn lang niet allemaal even giftig. Van zeventien van deze stoffen is bekend dat ze in organen en vet van zoogdieren ophopen. Omdat het handiger is met een maat te werken, worden de hoeveelheden gecorrigeerd voor de giftigheid. De uitdrukking 0,1 nanogram toxiteitsequivalent (TEQ) betekent dat er zoveel van allerlei soorten dioxinen in een monster zitten dat ze samen net zo giftig zijn als 0,1 nanogram van de giftigste soort.

Hoe gevaarlijk dioxinen precies zijn voor mensen is niet goed bekend. Volgens een in 1982 vastgestelde norm mag een mens zijn leven lang gemiddeld niet meer dan 4 picogram (er gaan duizend miljard picogrammen in een gram) per kilo lichaamsgewicht per dag binnenkrijgen. Voor iemand van zestig kilo is dat dus 240 picogram per dag. Volgens gegevens van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM, het instituut dat de dioxinemonsters analyseert) krijgt de gemiddelde Nederlander nu 119 picogram per dag binnen. Dat is dus al de helft van de norm. Ongeveer een derde hiervan is afkomstig uit melkvet.

Omdat melkvet zo'n belangrijke bron van dioxine is voor mensen geldt hiervoor in Nederland een richtlijn dat er ten hoogste 6 picogram per gram in mag zitten. Betrouwbaar vaststellen hoeveel dioxinen er in melkvet uit een bepaald gebied zit is echter buitengewoon lastig. In de eerste plaats gaat het om zeer geringe hoeveelheden. In de tweede plaats is het van allerlei omstandigheden afhankelijk, bijvoorbeeld van het weer, hoeveel van de uitgestote dioxine er op een weiland terecht komt. Daarom verzamelt men bij het RIVM gedurende een periode van twee maanden melkmonsters om een uitspraak te doen over het dioxinegehalte van melkvet in een bepaald gebied. Of de melk van koeien uit de omgeving van de vuilverbranding in Leeuwarden teveel dioxine bevat kan dan ook pas in september worden vastgesteld.

Als iemand enige tijd melk drinkt en kaas eet met een iets te hoog dioxinegehalte levert geen acuut gevaar op. De normen voor consumptie zijn immers gemiddelden over een heel leven. Er is dan ook geen reden voor paniek in Leeuwarden.

Ook aan de dioxinenorm van maximaal 0,1 nanogram per kubieke meter rookgasstof uit de RV'89 voldoet op dit moment nog geen enkele Nederlandse vuilverbrandingsinstallatie. In Zweden en Denemarken gelden sinds kort ook dioxinenormen voor de uitstoot van vuilverbrandingsinstallaties, in Duitsland geldt alleen nog maar een stofnorm.

Dioxinen kunnen worden gevormd bij de verbranding van chloorhoudend afval. Hierbij is PVC de grootste boosdoener. Hoeveel dioxinen worden gevormd is sterk afhankelijk van de temperatuur en dus ook van de aard van de oven. Bij bestaande installaties kan men de dioxine-uitstoot verminderen door zoveel mogelijk stofdeeltjes af te vangen. Bij het bouwen van een nieuwe installatie is aanpassing van het oven-ontwerp veel efficienter.

    • Dick van Eijk