Kiemvrije varkens

Het lijkt precies een operatiekamer, alleen is de patient die hier onder het mes gaat geen mens maar een varken. Het dier is niet ziek, maar juist supergezond. Het is geslaagd voor een hele reeks gezondheidstoetsen en vervolgens ook serologisch diepgaand onderzocht. Nu ligt dit elitevarken op de operatietafel, met over haar zwangere buik een glazen koepel waaruit de lucht, die mogelijk ziektekiemen bevat, wordt weggezogen. Terwijl een van de dierenartsen de electroden op haar kop bewaakt, werken de anderen aan een keizersnede, geheel smetvrij onder glas.

Zo wordt op het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) in Lelystad gewerkt aan de opfok van een ziektevrije varkensstapel. Als de biggen eenmaal binnen deze glazen koepel ter wereld zijn gebracht, worden ze meteen bij het moederdier weggehaald en zonder eerst biest te drinken overgebracht naar een isolator, een soort couveuze, waar ze kiemvrij worden grootgebracht. Of liever gezegd, vrij van een aantal met name omschreven varkensziektekiemen.

Bestraalde melkkorrel

Echt kiemvrij zijn de dieren natuurlijk niet. De eerste tien dagen drinken de biggen gesteriliseerde, gecondenseerde koemelk en daarna krijgen ze bestraalde melkkorrel. Moederlijke antilichamen worden bij varkens niet via de placenta op het nageslacht overgedragen. De dieren groeien op zonder antilichamen in hun bloed. Zo kan men hun kiemvrije status eenvoudig blijven controleren. Als na twee tot vier weken gebleken is, dat alle serologische toetsen gunstig uitvallen, worden de jonge varkens in een gesloten transportisolator overgebracht naar een speciaal gebouw. Modderige laarzen of vieze jassen komen hier niet binnen en ook de lucht wordt eerst gefilterd. Medewerkers mogen alleen naar binnen als ze minstens 48 uur niet in contact met vreemde varkens zijn geweest en ook besmetting via het veevoer wordt angstvallig vermeden. Zo groeien de supergezonde, maar o zo kwetsbare biggetjes op tot stamhouders van een veestapel, waarin diverse varkensziekten naar men hoopt voorgoed zijn uitgebannen.

Inentingen en antibiotica zijn dan overbodig en daarmee is de boer uiteindelijk beter af. Dat verwacht men althans op het Centraal Diergeneeskundig Instituut, waar op een afgezonderd, door bossen omringd proefbedrijf in de Flevopolder met het nieuwe systeem wordt geexperimenteerd niet alleen met varkens, maar ook met kippen en schapen.

De dieren leven achter slot en grendel. Iedere mogelijke besmetting van buiten wordt geweerd. Het lijkt kostbaar, maar op den duur wellicht toch voordeliger. Een keizersnede wordt alleen bij de eerste generatie toegepast, volgende generaties komen langs natuurlijke weg ter wereld. De varkens hebben minder last van diarrhee, produceren 30 procent minder mest en hebben een betere voederconversie, hetgeen wil zeggen dat ze met minder voer op hetzelfde gewicht komen.

Kasplantjes

In zekere zin groeien de varkens op als kasplantjes, en als een infectie eenmaal toeslaat zijn de gevolgen funest maar de schade blijft dan in principe beperkt tot binnen het bedrijf, anders dan nu het geval is. Volgens CDI-directeur prof. dr. C. J. G. Wensing maakt deze Specified Pathogen Free (SPF) veehouderij in Denemarken al een snelle opmars door. Van de varkens die nu naar de slacht gaan is 15 tot 20 procent afkomstig van een SPF-bedrijf en er zijn er nog veel meer onderweg. Op het CDI wordt de meerprijs per SPF-big geschat op 30 gulden, de meerprijs per mestvarken op 25 en per zeugenplaats op 150 gulden per jaar. De Noordlimburgse varkenscooperatie Nieuw Dalland experimenteert met een nieuw, door het CDI begeleid SPF-bedrijf. Om besmettingsgevaar te voorkomen is gekozen voor een lokatie in Noordfrankrijk, waar minder varkens op een kluitje zitten dan in eigen land.

Vast staat, dat de huidige veehouderij in alle opzichten spaak loopt. De veeteelt drijft op een enorm toegenoemen preventief gebruik van antibiotica en andere medicijnen en op zeer strakke, intensieve vaccinatieschema's. Toch hoeft men de krant maar op te slaan om te constateren, dat de ziekteproblemen met zoveel dieren op een kluitje onbeheersbaar zijn geworden. Varkenspest en Koegekte, Bloedluis en Salmonella, Abortus Bang en Rotkreupel en talloze andere akelige ziekten loeren op de boer van nu, of liever gezegd op zijn dieren.

In ons land lopen bijna vijf miljoen runderen rond, er worden jaarlijks 26 miljoen varkens en 320 miljoen kippen geslacht. Een kippenfokker ent zijn dieren in de loop van 20 weken in met soms wel 18 verschillende vaccincomponenten. Zeugen worden tussen twee worpen door maar liefst acht maal ingeent. Dierenartsen vragen zich bezorgd af, of het afweersysteem van de dieren deze voortdurende stroom van inentingen nog wel aan kan en of ze er niet tezeer door verzwakken. Het schaadt niet alleen hun gezondheid, maar kost handenvol geld en op den duur schiet men zijn doel voorbij.

Daarbij komen met de mest ook aanzienlijke hoeveelheden ziekteverwekkende micro-organismen, zware metalen, residuen van medicijnen en groeibevorderende stoffen en vooral ook grote hoeveelheden antibiotica in het milieu terecht. Voor centrale mestverwerking, waarin micro-organismen het werk moeten doen, vormen de antibiotica in de mest een struikelblok.

Ook de volksgezondheid heeft te lijden. Volgens de Gezondheidsraad zijn Salmonella en Campylobacter in besmette dierlijke produkten elk verantwoordelijk voor tien procent van alle acute darmontstekingen en gezamenlijk goed voor 825.000 ziekenhuisopnamen per jaar van gemiddeld vier tot vijf dagen, een forse economische schadepost. Zo op het oog gezonde dieren kunnen deze ziekten toch onder de leden hebben en het vlees kan besmet raken bij transport, slacht of verwerking.

Hoe anders? Vandaar de vraag, hoe het anders moet. Het SPF-systeem is oorspronkelijk in de jaren vijftig in de Verenigde Staten ontwikkeld om kiemvrije proefdieren op te kweken. Door uit te gaan van supergezonde standaardproefdieren, kan men het aantal dieren dat per behandeling nodig is om een statistisch verantwoord resultaat te krijgen, beperken, misschien zelfs wel met een factor twee. Als er veel variatie tussen de dieren zit, zijn immers grotere groepen en vaak ook meer herhalingen nodig per proef. Overigens kan men zich afvragen, in hoeverre het beschikbaar komen van kiemvrije proefdieren nu echt bijdraagt aan beperking van het proefdiergebruik. De ervaring leert immers, dat nieuwe mogelijkheden om onderzoek te doen meestal ook nieuwe onderzoeksvragen oproepen. Maar dit terzijde.

Op het Centraal Diergeneeskundig Instituut worden SPF-varkens sinds 1980 gefokt voor het vaccin-onderzoek. Een lange reeks van overigens tamelijk gangbare varkensziekten heeft men binnen deze periode op het proefbedrijf niet aangetroffen. Inmiddels wordt ook aandacht besteed aan commerciele productiemogelijkheden.

Toch ziet prof. Wensing die nog niet eenvoudig van de grond komen. Om te beginnen bemoeilijkt het grote aantal fokkerijinstellingen het voeren van een centraal beleid. Bovendien zit ons land eigenlijk te vol met varkens. SPF-bedrijven zouden ten minste drie kilometer van elkaar moeten liggen. In Brabant en Limburg bedraagt die afstand hoogstens vijf- tot zeshonderd meter. Ziektekiemen waaien door de lucht en spelen een grote rol bij het overbrengen van besmetting. Daar komt dan nog bij, dat het overschakelen met forse investeringen gepaard gaat. De gemiddelde Nederlandse varkenshouder werkt nogal individualistisch en staat niet te dringen om gezamenlijke, vrijwillige initiatieven uit te voeren, die nog geld kosten op de koop toe. In de Deense landbouw, waar de meeste varkenshouders bij een of enkele cooperaties zijn aangesloten, is dat blijkbaar eenvoudiger.

Drs. H. Rozemond van de Veterinaire Hoofdinspectie van het Ministerie van WVC onthoudt zich van een publiek oordeel van de slaagkansen van deze nieuwe manier van varkenshouden voor ons land.' Maar het gaat met nogal wat hocus pocus voor die dieren gepaard. Er moeten gezonde moederdieren worden geopereerd, daar kun je vraagtekens bij plaatsen. Naast de keizerssnede is er ook een methode waarbij de baarmoeder met biggen en al wordt verwijderd, waarna het moedervarken wordt geslacht. En ook het opfokken van de biggen in een isolator, zonder moeder, gaat ten koste van hun welzijn. Daar staat tegenover dat je inderdaad een verbetering ziet van de gezondheidstoestand, in Denemarken en op kleinere schaal ook in West-Duitsland. Als je dat afweegt, denk ik wel dat de nadelen voor een beperkte groep varkens opwegen tegen de voordelen voor de varkensstapel als geheel.'