Het geheime jubileum van Zevenhuizen

Debuterende schrijvers reisden op verzoek van deze krant naar een plaats in Nederland of Vlaanderen die hen al lang fascineerde. Vandaag het tweede verhaal, waarin de schrijver het Zuidhollandse Zevenhuizen bezoekt, stad van zijn voorvaderen.

Mijn echte achternaam is al door een 17de-eeuwse schilder wereldberoemd gemaakt. Het was een molenaarszoon uit Leiden. Daarom heb ik, net als de jonge Marsman, een pseudoniem gezocht. Het is Bontebal geworden.

Er zijn critici die menen dat ik die naam heb uitgekozen in een poging lollig te zijn. De waarheid is dat ik niet in de gaten heb gehad wat er zo leuk aan is. Sterker nog: ik zie er nog steeds de grap niet van in.

De naam Bontebal kent een lange geschiedenis, die voorlopig nog niet is afgelopen. Alleen al het telefoonboek van Den Haag vermeldt de naam 19 maal (inclusief Bontenbal). Terwijl, bijvoorbeeld, de naam Couperus nog maar een keer voorkomt. Van oorsprong stammen de Bonteballen uit het Zuidhollandse Zevenhuizen. Daar vormden zij in de 16de en 17de eeuw een familie van hotemetoten. Het waren ambachtsbewaarders, gemeentesecretarissen en pachters van de bieraccijns. En, pseudoniem of niet, via moederskant stam ik van die lieden af.

De bekendste Bontebal, op mij na, is ongetwijfeld Claes Michielszoon geweest, een remonstrant die in 1623 te Rotterdam werd onthoofd. Hij had, samen met onder anderen de broertjes Van Oldenbarnevelt, gecomplotteerd tegen prins Maurits. Het was in de strijd tussen de remonstranten en de contra-remonstranten. Voor de gebroeders kwam er natuurlijk nog iets extra's bij: zij waren link op de Oranjes vanwege de dood van pa, de oude Johan.

Claes kwam er met die onthoofding nog schappelijk van af. Enkele anderen werden in drie of vier stappen ter dood gebracht. Met als toegift het hoofd op een staak buiten de stadspoort.

Secretaris Bontebal heeft zijn terechtstelling nog een literair tintje proberen te geven door zich als een Don Quichot voor zijn daden te schamen (het tweede deel van Cervantes meesterwerk was net acht jaar eerder verschenen). 'Het schavot optredende was hij in den beginne zeer ontdaan en bedremmeld, doch hij herstelde zich spoedig en deed vervolgens ene breedvoerige aanspraak aan de omstanders, zich beklagende Gods weldaden zo schandelijk misbruikt te hebben, besluitende zijn rede met een groot leedwezen over het plegen van zijn misdrijf te betuigen', (Van Der Aa, biografisch woordenboek.) Dat was een beetje slap van hem, en het heeft hem dan ook niet mogen baten.

Even zo vrolijk was zijn zoon Jan zes jaar later (1629) alweer notaris en procureur van Zevenhuizen. Het heeft dus, aanvankelijk, geen financiele consequenties voor de familie gehad. Pas latere generaties hebben de poen er doorheen gejaagd, zodat ik in de schrijverij moet bijschnabbelen.

Op de dag van de Alpe d'Huez ben ik op de racefiets gestapt om in de polder naar mijn roots te zoeken. Ik heb dan wel de conditie van een bos overjarige winterpeen, maar fietsen vanuit Den Haag gaat altijd van een leien dakje. De steun in de rug heet: zeewind.

Ik had tevoren een oude gemeentegids, die van 1968, nagelezen en had daarin het volgende gevonden: 'Het jaar 1240 kan worden aangenomen als het jaar, waarin Zevenhuizen is ontstaan. In een akte van dat jaar, die betrekking heeft op Waddinxveen, wordt iets gezegd over een strook land, waarvan Jaqueline, dat wil zeggen Jaapje, de heer was. Later wordt deze man Jacobus Diedericus van Zevenhuizen genoemd'.

Van Jaqueline tot Jacobus; het moet ook het oudst bekende geval van sekse-verandering zijn.

Een rekensom was snel gemaakt: Zevenhuizen bestaat 750 jaar!! Voordat ik van huis ging heb ik ballons, slingers, toeters en bellen ingepakt. En een landkaart.

Vlak voor Zoetermeer zag ik tot mijn verbazing dat er een golfbaan op de puinduinen is aangelegd. Ik bedacht me: 'Natuurlijk. Er zijn zelfs mensen die geld genoeg hebben om mooi te gaan wonen en dan toch voor Zoetermeer kiezen'. Na nog geen twee uur fietsen beland ik in de Dorpsstraat van Zevenhuizen. Wat een afknapper. De straat ziet eruit zoals alle dorpsstraten er tegenwoordig uitzien: een leerling-straatmaker heeft zich mogen uitleven in het keienschikken voor de deur van bakker en Chinees.

Er is niets van een Hup-Holland-Hup-sfeer te bemerken. Men is het feest vergeten. Er dient onverwijld te worden ingegrepen. Ik spoed me naar het gemeentehuis om de burgemeester te waarschuwen. Helaas: het besturen van Zevenhuizen is een part-time klus. Na twaalven is het gemeentehuis gesloten. Ik koop wat blikjes drinken bij de grootgruttende overbuur en ga op het dorpsplein zitten. Misschien word ik ingerekend door een koddebeier, zodat ik alsnog een kans krijg de jarigen in te lichten.

In een hoekje van het plein staat een monument ter nagedachtenis aan twee dorpelingen die op 10 mei 1940 zijn gesneuveld. Dat brengt mij op het idee om het kerkhof te bezoeken. Het ligt in het zuidoosten van het dorp, grenzend aan een fabrieksterrein. Misschien kan ik een bloemetje leggen op het graf van een voorouder. Maar niets daarvan: beide toegangshekken zijn stevig afgesloten.

Teleurgesteld besluit ik weer op huis aan te gaan. Er staan dan inmiddels meer huizen dan de zeven die het dorp in de 13de eeuw telde, maar garantie voor gezelligheid is het niet. Net buiten het dorp kan het volk recreeren aan de Rottemeren. Een ongeveer zeventienjarige deerne met een dikke kont en een te klein badpak blijft even uitdagend voor me fietsen. Het zadel van een racefiets is al fnuikend voor de potentie, maar dit doet het laatste restje libido als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het wulpse vlees blubbert langs alle kanten over de randen van haar zadel. Ik schakel een paar tandjes hoger en race in no time naar huis. Als ik de kamer binnenval zie ik nog net hoe Bugno op de meet LeMond verslaat.

Adriaan Bontebal debuteerde in 1988 met de verhalenbundel 'Een goot met uitzicht'.