Een Nederlands Pompei

Archeologen weten nu genoeg om Forum Hadriani te herbouwen, de Romeinsehoofdstad van zuidelijk Holland.

Lopend over het bospad is er niets bijzonders aan de hand. De vogels fluiten net als nu, de bomen zien er ook bekend uit. Maar dan, na een flauwe bocht, doemt plotseling een Romeinse stad op. Recht vooruit een grote stadspoort uit ruw bewerkt steen, met aan weerszijden een lage stadsmuur met kantelen die opvallend ver uit elkaar staan.

Zo kan over enkele jaren de tijdreis beginnen naar Forum Hadriani, de toenmalige hoofdstad van Romeins Zuid-Holland bij Voorburg, genoemd naar keizer Hadrianus die Voorburg rond 120 na Christus waarschijnlijk persoonlijk bezocht en liet verfraaien.

Herbestudering van oude opgravingen heeft de afgelopen tien jaar een deel van de tot dan raadselachtige plattegrond van deze stad begrijpelijk gemaakt met als resultaat veruit de oudste stadsplattegrond uit Nederland. Sinds kort liggen gedetailleerde plannen op tafel om dit stadsdeel ergens in Nederland te herbouwen, zoals in het Westduitse Xanten al gebeurt met een Romeinse stad.

Romeins Voorburg leent zich in West-Europa als een van de beste voor een reconstructie omdat op een relatief klein oppervlak van 200 bij 200 meter aaneensluitend kenmerkende elementen van een antieke stad aanwezig zijn: de stadsmuur met grachten, poorten, wegen, eenvoudige woonhuizen met winkels en woonerven, een stadsvilla en het badhuis. In de andere Romeinse steden in West-Europa zijn de opgegraven sporen over een te groot oppervlak verspreid, met ertussen onbekend terrein.

Tot nu toe beperken concrete reconstructieplannen zich tot de wederopbouw in Voorburg van een stuk stadsmuur op de oorspronkelijke plaats, mogelijk nog dit jaar, gefinancierd met sponsorgelden. Voor de wederopbouw van een groot stuk stad, een Nederlands Pompei, is op de originele locatie geen ruimte zodat die elders gezocht zou moeten worden.

Reiziger

Een stenen zuil die de afstand tot Forum Hadriani aangaf in mijlen, was voor de Romeinse reiziger het eerste levensteken van de stad. Twee van dergelijke 'mijlpalen' zijn teruggevonden en reconstrueerbaar.

Zoals bij elke Romeinse stad is de toegangsweg de laatste paar honderd meter voor de stadspoort omzoomd met grafmonumenten. 'Men mag een dode niet binnen de muren van een stad begraven of verbranden' schreef de Romeinse wet voor. Maar de Romein wilde na de dood niet in vergetelheid raken en probeerde daarom met zijn graf de aandacht van de passant te trekken, soms met prikkelende teksten: 'Jij bent wat ik was, ik ben wat jij wordt'. Populair was de afbeelding van de overledene, liggend op een bed, met een maaltijd op een ronde tafel. Stenen leeuwen moesten bij een grafmonument in Maastricht de rust garanderen. 'Voorbijganger, blijf af' stond op een schaal uit Aardenburg, waarschijnlijk onderdeel van een grafmonument.

In Voorburg vormde de ongeveer 13,5 meter brede stadspoort de grens tussen het rijk der doden en het rijk der levenden. Het visitekaartje van de stad, inclusief fundering zo'n 650 ton zwaar, rees ongeveer zes meter boven de kantelen van de stadsmuur uit. Met vijf rondbogige vensters keek de poort neer op de bezoeker, werpvensters die bij een aanval projectielen konden spuwen. Vanaf het hoge platform met kantelen overzag de wacht de verre omgeving.

De opgegraven stenen leren dat poort en stadsmuur waren bekleed met rechthoekige grauwe blokken tufsteen. Zoals gebruikelijk bestond de kern van de muur uit mortel, een Romeinse vinding. De gehele stadsmuur bevatte naar schatting 10.000 ton steen. De stadsmuur had aan de stadszijde een aarden loopvlak, dus geen houten of stenen weergang zoals vaak in de middeleeuwen voorkomt. Tot de top van de kantelen was de muur ongeveer 5,5 meter hoog. Opmerkelijk is dat de Romeinen de heitechniek al toepasten en poort en muur op ongeveer een meter lange houten palen fundeerden.

Typisch Romeins is dat de stad een dubbele verdediging had in de vorm van twee grachten met elk een V-vormige bodem. Ze stonden droog en waren in Voorburg nog geen anderhalve meter diep. Een ophaalbrug kenden de Romeinen nog niet: voor de poort lag eenvoudig een aarden dam.

Wel maakte de dam een bocht naar links, zodat aanvallers, die hun schild in hun linkerhand droegen, hun rechterzijde slecht konden beschermen en de verdedigers hen met stenen en pijlen konden treffen. Een bouwkundige truc uit de handwerken van de Romeinse architect Vitruvius.

Forum Hadriani bezweek waarschijnlijk in de periode 250-275 na Chr. De gevolgen waren groot. De stad verzonk in puin en as. Een in Voorburg opgegraven skelet van een geweldadig omgebrachte vrouw, met een aantal van haar sieraden nog om, is vermoedelijk een stille getuige van de moordpartij.

Winkelende menigte

Wie in betere tijden de hoofdpoort passeerde, betrad een drukke winkelstraat met aan beide kanten tegen elkaar gebouwde winkels annex woonhuizen. Dankzij Romeinse auteurs komt de stedelijke drukte weer tot leven:' 's Morgens vergallen de schoolmeesters je het leven, voor het krieken van de dag de bakkers, de hamers van de kopersmeden de hele dag. De geldwisselaar laat munten op zijn vuile tafel rinkelen.', schrijft Martialis. Seneca klaagt over het lawaai van de 'rijtuigen op straat, de timmerman die in hetzelfde huizenblok zijn werkplaats heeft en de man in de buurt die zaagt en zijn medeburger die hoorns en fluiten stemt'. Er zijn resten van houten zuilen opgegraven van het doorlopende afdak dat het trottoir overdekte, een constructie die in Romeinse steden normaal was. Ze beschermde de winkelende menigte tegen regen en zonneschijn. Dat was nodig omdat bij Romeinse winkels de toonbank direkt langs de stoep stond; de klant kon niet naar binnen en moest daarom onder een afdakje kunnen schuilen.

Martialis schrijft dat keizer Domitianus optrad tegen teveel chaos: 'Geen zuil is omgord met vastgeketende schenkkannen ... De barbier, herbergier, kok en slager blijven binnen de perken van hun eigen drempel'. Net als in Pompei vormen de opgegraven winkels kleine rechthoekige ruimten ('tabernae'), zonder achterdeur. Toegang naar het eigenlijke woongedeelte was meestal mogelijk via een aparte smalle gang ('fauces') die in Voorburg links van de winkel lag. De Voorburgse huizen waren in totaal ongeveer zes meter breed (20 Romeinse voet). Straatverlichting was te kostbaar zodat met zonsondergang de drukte wegebde. De winkels werden waarschijnlijk 's nachts afgesloten met houten, staande planken die onder en boven in een sleuf schoven, een in Pompei volledig bewaard gebleven constructie.

De smalle gang naast de winkel gaf toegang tot de centrale woonruimte die onder de nok van het dak lag. Deze hoge ruimte was geschikt voor een haardvuur; de rook zou een laag vertrek onleefbaar maken. Schoorstenen kenden de Romeinen niet.

Omdat het centrale vertrek (uitgezonderd de hoekhuizen) geen buitenmuren bezat, was deze kamer in de winter het gemakkelijkst op temperatuur te houden. De met leem besmeerde wanden van vlechtwerk hadden overigens hetzelfde isolerend vermogen als een ruim drie keer zo dikke bakstenen muur.

Men leefde in een relatief donker hol dat alleen direkt zonlicht ontving via de kleine vensters onder de dakrand. Kunstmatige verlichting met olielampjes was te duur voor regelmatig gebruik. Alleen het haardvuur, waarop ook werd gekookt, zorgde voor wat extra licht.

Aan de achterzijde van de Voorburgse huizen ligt veelal een rechthoekig vertrek met ernaast een smalle gang naar het woonerf. De achterkamer was nuttig als werkplaats omdat de ligging direkt aan het erf een goede lichtvoorziening bood. Verdiepingen waren er niet, hooguit rookvrije vlieringen aan de zijkant waar de bewoners konden slapen of spullen opslaan. De huizen waren ongeveer vijftien meter lang en hadden een oppervlak van circa 90 vierkante meter.

Van binnen werden de wanden vaak wit gekalkt en voorzien van wandschilderingen, waarvan in Voorburg vele resten zijn gevonden. Populair was een sokkel met verfspatten, imitatie van natuursteen, met erboven een witte wand waarop met gekleurde lijnen staande rechthoeken werden geschilderd, soms versierd met bloemenslingers.

Het Romeinse interieur was eenvoudig, zoals blijkt uit de Vesuviusstad Herculaneum waar de komplete inrichting soms nog aanwezig is. J. J. Deiss beschrijft een kamer: 'Een jongen lag op een fraai bed. Dichtbij zat een vrouw op een rechthoekige houten stoel, wevend op een klein weefgetouw. Een hoge bronzen kandelaar stond in de hoek'. Op een kleine tafel stond een kipmaaltijd klaar. In een ander huis bevonden zich planken aan de muur en stond een houten schommelwieg, met het babyskelet er nog in.

IJzeren klapstoeltjes

Uit Nederlandse opgravingen zijn onder meer ijzeren klapstoeltjes bekend en afbeeldingen van rieten stoelen. Verder gedraaide poten van krukjes. In een enkel Voorburgs huis is een tegelvloer aangetroffen. Meestal was er een eenvoudige lemen bodem zoals in Zuidlimburgse vakwerkhuizen nog steeds voorkomt.

De vele resten van dakpannen maken waarschijnlijk dat de daken waren bedekt met de roodkleurige Romeinse dakpannen, een model dat rond het Middelandse zeegebied nog steeds voorkomt. Stempels geven veelal de nummers van het legioen dat de bouwmaterialen maakte. In Voorburg 'LEG I'; 'LEG X' en 'LEG '. Bij een groep naast elkaar liggende huizen, mogelijk bezit van dezelfde huiseigenaar, werd veel leisteen gevonden, een ander veel toegepast dakbedekkingsmateriaal in de Romeinse tijd.

Het rechthoekige erf van ongeveer 6 bij 22 meter was met schuttingen afgebakend van de aangrenzende erven. Kippen en klein vee liepen hier los rond. Ook was er plaats voor een werkplaats in de open lucht en een moestuintje. Een opgegraven houten stok met zes ijzeren pennen vormde mogelijk een hark.

Verder naar achteren, gemiddeld halverwege het erf, bevond zich een waterput naar het grondwater dat ruim anderhalve meter diep zat. Vaak was de erfput gemaakt van een oud bodemloos wijnvat waarvan de resten bewaard zijn gebleven, inclusief ingebrande merken als 'MMMM'. De wateremmers werden opgehaald met een houten stok met een ijzeren haak. Restanten lagen in de putten.

Nog verder naar achteren bevonden zich afvalgaten die gemiddeld ruim een meter diep waren. Aan de achterkant tegen de schutting, in verband met stankoverlast zo ver mogelijk weg van het huis, bevond zich een toilet; doorgaans een rechthoekige kuil afgedekt met een houten plank. De Romeinse schrijver Columella meldt dat de inhoud regelmatig werd opgehaald voor bemesting van het land.

Klein hondje

De inhoud van de afvalgaten levert informatie over de huisraad: veel aardewerk, waaronder het rood glanzende terra sigillata, het 'porselein van de oudheid'. Duizenden opgegraven Voorburgse stukken waren prachtig versierd, soms met erotische scenes. De onversierde terra sigillata was op de bodem bestempeld met de naam van de pottenbakker zoals 'Cirrus Fec(it)', gemaakt door Cirrus.

Uit de kuilen kwamen ook brokken van mantelspelden die werkten volgens het principe van de moderne veiligheidsspeld. Verder speelschijfjes, haarnaalden, kralen, gespen en godenbeeldjes, waaronder een zittend jongetje dat een doorn uit zijn voet trekt, lijkend op het beroemde bronzen beeld in het Capitoleinse museum in Rome. Aandoenlijk is een pot waarin een klein hondje is begraven.

In de waterputten bleef onder het grondwaterniveau vergankelijk materiaal geconserveerd zoals een leren schoen en een ijzeren bijl met een steel van essenhout.

Dankzij graffiti op scherven zijn een aantal namen van gebruikers bekend: Victor, Marcus, Veteranus, Verus, Tiberius Julius, Nero en anderen. Doodgewone namen die ook in Voorburg gemeengoed waren. Elders in Voorburg kwam een altaar te voorschijn van Ulpius December en Verecundius Cornutus die lid waren van de 'club van vreemdelingen'. Victoria Verina trouwde met een legionair en verhuisde naar de omgeving van Boedapest waar ze dertig lentes jong stierf en een grafsteen achterliet.

Schaakbordpatroon

Volgens goed Romeins gebruik waren de straten in Voorburg haaks op elkaar aangelegd, volgens het zogeheten 'schaakbordpatroon'. Op de hoeken lagen vaak de kroegen, goed geconserveerd in de Vesuviussteden en Ostia bij Rome. Deze kroegen hadden veelal langs beide straatkanten een toonbank met erin aardewerken bakken waaruit de gerechten aan de passanten werden geserveerd. Huizen van lichte zeden waren de Romeinen ook niet onbekend.

In de kroeg kon de bezoeker naar binnen gaan en plaats nemen op een kruk of houten bank bij een van de tafels waar luidruchtig werd gelachten en gedobbeld. 'Ik heb gewonnen' zegt een man op een kroegschildering uit Pompei. 'Het is geen drie maar een twee' reageert de ander. Op een volgende schildering is te zien hoe de waard de ruzie makende dobbelaars de deur wijst: 'Scheer je weg, gaat maar ergens anders ruzie maken'. Elders schreef een klant woedend: 'Waard van de duivel, verzuip in je eigen piswijn'. Het kroegleven liet ook in Voorburg sporen achter: 1,3 tot 2 meter hoge houten wijnvaten, witte kruiken, amforen, benen en glazen speelsteentjes en spreukbekers. Dat waren bekers met aanmoedigende spreuken als 'Vivas' (leef!) en 'Reple me' (vul me nog eens). Oesterschelpen herinneren aan de populariteit van dat gerecht. Uit andere Nederlandse opgravingen zijn benen dobbelstenen bekend.

Langs de winkelstraat ligt tevens het badhuis, een technisch hoogstandje met verwarmde vloeren en wanden, badkuipen, metalen boilers en een loden waterleidingnet.

In een grote hal met betonnen vloer konden de badgasten onder alle weersomstandigheden sporten. Ernaast lagen de openbare toiletten die in het gehele Romeinse Rijk ongeveer eender waren: een rechthoekige ruimte met rondom een bank waarin om ongeveer de meter een opening zat, uitkomend op het riool dat onder de gehele bank doorliep. De gebruikers zaten schaamteloos naast elkaar.

Aan de andere kant van de hal gaf een smalle gang toegang tot de badvleugel. Via een klein kleedkamertje kwam de badgast eerst in een koele ruimte met rechts een kuip met koud water. De meesten liepen direkt door naar de volgende ruimte die lauw was verwarmd, inclusief de betonnen vloer. Afgezien van een rond bekken was er in deze ruimte geen water.

Echt warm werd het in het volgende en laatste vertrek waar in drie nissen elk een kuip stond met heet water, verwarmd vanuit een boiler. Een zwembad is het niet. Meer een ruimte met stenen badkuipen die waterdamp produceren, vergelijkbaar met de moderne Turkse baden. Wel hadden veel Romeinse baden een klein buitenbad waarvan in Voorburg ook mogelijk resten zijn gevonden.

Het bezoek aan het badhuis behoorde bekroond te worden met een spartaanse sprong in het koude bad, dit om de porieen te sluiten zodat minder snel kou werd gevat.

Seneca beschrijft het badlawaai: 'De arrestatie van een toevallige lawaaischopper of zakkenroller, het luide misbaar van een man die altijd zijn eigen stem graag hoort in het badvertrek, of de enthousiasteling die met overdreven lawaai en gespetter in het zwembasin plonst'. In het badhuis zijn veel resten van muurschilderingen gevonden, waaronder een wand met een afbeelding van gegroefde witte zuilen die rode vlakken flankeren, een kleur die in Pompei ook populair was. Bovenin zitten fantasiedieren. In Keulen zijn grote stukken van een sterk gelijkende wand opgegraven, te bezichtigen in het Romisch-Germanisches Museum, zodat een reconstructie van het origineel goed mogelijk is.

Dubbele beglazing

De Romeinen kenden al vensterglas. In Voorburg opgegraven fragmenten zijn meestal blauwgroen gekleurd en ondoorzichtig. In een nagenoeg intact gebleven badhuis in Herculaneum zijn onlangs zelfs aanwijzingen gevonden dat in de Romeinse baden ter isolatie dubbele beglazing werd aangebracht. De Romeinen kenden ook al bronzen waterkranen waarvan ook in Nederland exemplaren tevoorschijn kwamen.

Het stadsbeeld werd bepaald door witte gebouwen met rode sokkels en veelal rode pannendaken. Een deel van de opgegraven wegen was ook bedekt met rode panfragmenten zodat de mediterrane kleuren rood en wit het stadsbeeld overheersten. De grauwe stadsmuur en stadspoorten staken daar tegenaf.

De wanden zaten overal in de stad vol met graffiti waarvan een enkele bekend is uit Nederland: de naam (in Griekse letters) van een beroepsschrijver op een wand van de tempel in Elst. Op een muur in het Engelse Caerwent stond: 'Domitia voor haar Victorinus, dat je gestraft moge worden'. Pompei telt duizenden graffiti, waaronder de volgende: 'Het verbaast mij, muur, dat je niet bezwijkt onder al die rotzooi die op jou prijkt'. Langs een zijstraat van de winkelstraat ligt een luxueus woonhuis met verwarmde vertrekken en een kleine badvleugel met heetwaterkuip voor prive gebruik. Dit huis is veel duurder ingericht dan de tot nu toe bezochte woonhuizen, enigszins vergelijkbaar met de bekende rijkere huizen in Pompei. Een relief uit het Limburgse Simpelveld geeft een aardige indruk. T. Bechert noemt naast een sofa 'een tweedelige garderobekast, een grote dekenkist met grendel en slot, een tafel die staat op poten in de vorm van leeuwenklauwen, wasgerei met grote bronzen schalen en kannen en een rieten stoel met ronde rugleuning. Bovendien ... een cultusplaats met in totaal elf nissen'. In de Voorburgse stadsvilla vonden de opgravers onder meer resten van een marmeren tegel, een stuk van een vermoedelijk met ruitrelief versierd plafond en brokken van stenen zuilen en pilasters. Bij het gebouw is een schat aangetroffen van ruim dertig munten.

Direkt bij de poorten nestelden zich vaak herbergen die als eerste de reizigers konden opvangen en hen het zoeken naar onderdak bespaarde. Kenmerkend zijn de kleine kamertjes die zichtbaar zijn bij een huis bij de kleine Voorburgse stadspoort. 'Hier wordt onderdak geboden' schreeuwt een opschrift in Pompei. 'Als je eenmaal in het hotel van Gabius verblijft, blijf je er voor altijd' schreef een concurrent.

Verspreide reconstructies

De stad via de kleine poort verlatend komt de denkbeeldige Romeinse stadswandeling tot een einde. Een eerste poging om het verleden echt te laten herleven is het plan over een lengte van 15 meter op de oorspronkelijke plaats een stuk van de stadsmuur inclusief drie kantelen weer op te bouwen.

En misschien kan ooit de grote stadspoort ergens in Voorburg herrijzen, waarmee in een bepaald opzicht Maastricht ingehaald zou worden als stad met de oudste stadspoort van Nederland (Helpoort, 1229). Tot slot wordt overwogen in het archeologisch themapark 'Archeon' bij Alphen aan de Rijn een aantal Voorburgse huizen uit de winkelstraat te reconstrueren.

Maar deze verspreide reconstructies maken nog geen 'Nederlands Pompei', hoewel ze de behoefte daarnaar mogelijk wel aanwakkeren. De bouw van een Nederlands Pompei gaat miljoenen, zo niet tientallen miljoenen guldens kosten, maar zou wel een voor Europa uniek openluchtmuseum opleveren. Drs. T. M. Buijtendorp, financieel redacteur van NRC Handelsblad, houdt zich bezig met Romeins Voorburg. Hij werkte de reconstructie uit in zijn afstudeerscriptie. Hij publiceert in de archeologische tijdschriften Westerheem en Kwadrant.

De reconstructie

Het op papier reconstrueren van Forum Hadriani, de hoofdstad van Romeins Zuid-Holland, lijkt soms detective-werk. Elk spoor en losse vondst kan cruciale informatie bevatten. Zo geven afdrukken in leemresten informatie over de diameter van houten wandpalen en de dikte van de twijgen.

Uit klassieke teksten en opgravingen is bekend dat dergelijke huizen, net als de huidige vakwerkhuizen in Limburg, aan de buitenkant wit werden gekalkt om de lemen wanden tegen de regen te beschermen. Aan de onderkant werd tegen het optrekkende bodemvocht een extra laag aangebracht die een rode kleur had dankzij de toevoeging van baksteenpuin, nog zichtbaar in Pompei. De Romeinse architect Vitruvius adviseert hiervoor een hoogte van 0,9 meter (3 voet). Belangrijk hulpmiddel zijn Romeinse bouwregels. Vitruvius adviseert bij zuilengangen een hoogte die gelijk is aan de breedte van de zuilengang. Daaruit volgt dat de zuilengalerij voor de winkels ongeveer drie meter hoog was. Losse vondsten vullen de puzzel verder aan: De opgegraven dakpannen zijn van een type dat een flauwe helling van ongeveer 20 procent kende zodat het afdakje op ongeveer 4 meter het hoogste punt bereikte. Verder duiden de plattegrond, de breedte van de verschillende wanden en voorbeelden uit de Vesuviussteden op een gemeenschappelijk dak boven de huizen met onder de dakrand kleine lichtvensters met luiken. De doorsnede van de huizen is op die manier reconstrueerbaar met de punt van het dak ongeveer acht meter boven de grond. De kamerhoogten sluiten aan bij de voorschriften die Vitruvius geeft, gegeven een bepaalde breedte en lengte.

Bij de reconstructie van de stadsmuur is een Romeinse bouwregel afgeleid uit goed bewaard gebleven verdedigingsmuren. Met de zogeheten regressieanalyse, een wiskundige techniek om samenhang te berekenen, werd ontdekt dat bij Romeinse verdedigingsmuren van het Voorburgse type geldt: de weerganghoogte is ongeveer gelijk aan de muurdikte plus tien Romeinse voet (2,96 meter). Dat betekent dat de Voorburgse weergang, het loopvlak achter de kantelen, zich circa 3,75 meter boven de grond bevond en de stadsmuur tot de top van de kantelen ongeveer 5,5 meter hoog was. Typisch Romeins is dat de kantelen op de lage stadsmuur ver uit elkaar staan.

De maten kloppen met de diepte van de stenen fundering, de ligging van de grachten (waarvan de verdedigers de bodem moesten kunnen zien) en de breedte van de aarden wal die achter de muur lag en bij de berekende hoogte van boven ongeveer tien voet breed was, een veel voorkomende maat. Het gewicht (inclusief fundering) van 0,72 kilo per vierkante centimeter is acceptabel op de ondergrond: een strandwal.

De muurhoogte bepaalt de hoogte van een eerste tussenverdieping in de twee flanken van de hoofdpoort. Met de gebruikelijke hoogte van poortkamers ligt de volgende poortvloer bijna zeven meter boven de grond en de bovenste vloer bijna tien meter. Dat sluit aan bij de proporties van de poortdoorgang, de dikte van de buitenmuren, de draagkracht van de fundering en geeft een acceptabele proportionele verhouding met de stadsmuur. De gronddruk van 1,30 kilo per vierkante centimeter is acceptabel.

Gezien de maten van de poortfundering waren alleen de buitenste muren tot grotere hoogte dragend. Dat betekent een tweede verdieping met een gemeenschappelijke poortkamer zonder tussenwanden. Alleen op de begane grond was er aan weerszijden van de doorgang een apart kamertje voor de poortwacht. Een ongeveer twee meter dikke muur beschermde de buitenkant van deze kamer tegen aanvallen met de stormram.

Een verspringing van de frontmuur maakt een gemeenschappelijk zadeldak boven het poortgebouw onwaarschijnlijk zodat een plat dak met kantelen als meest aannemelijke oplossing overblijft.

Boven de doorgang bevinden zich bij Romeinse poorten met een vergelijkbare breedte steevast drie boogvormige vensters. Aan de twee flanken is precies plaats voor nog elk een venster zodat aan de voorzijde vijf vensters zichtbaar waren.

Ook het badhuis is te reconstrueren op grond van de dikte van muren, bouwregels, voorbeelden van elders en bijvoorbeeld de warmtecapaciteit.

Een tot op de millimeter getrouwe reconstructie zal nooit mogelijk zijn. Uitgangspunt is de uitvoering die wetenschappelijk het best verdedigbaar is; dus de aannemelijkste oplossing gegeven de beschikbare sporen en de jongste wetenschappelijke inzichten. Reconstruerend kan de 'experimenteel archeoloog' nieuwe inzichten opdoen die tot aanpassingen dwingen.