Denkend aan dat ene verenigd Duitsland

Misschien is het wel goed dat de Britse minister Ridley de Duitse volksziel wat hardhandig heeft ontleed. Het kostte hem zijn portefeuille, maar het heeft het Britse gevoel tegenover het 'Deutschtum' scherp blootgelegd en, algemener, de ruimte geboden voor een nieuwe discussie over een verenigd Duitsland en over de kansen op een Europa. Zei Ridley hardop wat Thatcher denkt? De Britse premier had al eerder, in maart, op haar buitenverblijf Chequers een vertrouwelijke samenzijn met hoge politieke leiders met als gespreksthema: Wat is de betekenis van een verenigd Duitsland? De bespreking werd genotuleerd door Thatchers secretaris Powell (zie de Opiniepagina van gisteren). Redacteur Rob Meines peilde enkele Nederlandse meningen over het Duitse volkskarakter, waaronder die van minister Van den Broek: 'De Duitse stem klinkt luid en die zal in de toekomst nog wel krachtiger, nog wel duidelijker klinken.'

Eerste viool

Het interessante aan de notulen van Powell is dat er in de discussie blijkbaar twee groepen waren: optimisten en pessimisten. Mijn schatting is dat vooral de politici de meest negatieve opvattingen hadden, want historici als Fritz Stern, die ik persoonlijk ken, en Gordon Craig, die ik uit zijn werken ken, weten dat er juist in Duitsland heel veel veranderd is. Zij moeten op deze veranderingen hebben gewezen, zonder te hebben ontkend dat er bepaalde Duitse eigenschappen traditioneel doorlopen.

Je ziet wel vaker dat politici historische ontwikkelingen slecht bijhouden. Ook leidende politici hebben dikwijls enorme cliche-voorstellingen. In deze notulen zie je dat tevoorschijn komen in de vraag hoe een beschaafde en wel-opgevoede natie kon toestaan dat zij werd 'gehersenspoeld tot barbarij'. Als dat een keer zou kunnen gebeuren, zou dat dan geen tweede keer kunnen gebeuren? Dat moet wel een vraag van de politici zijn, want als historicus of als iemand die een beetje studie heeft gemaakt van de ontwikkelingen weet je dat deze vraag van een verkeerde vooronderstelling uitgaat. Fascisme en nationalisme kwamen weliswaar in Duitsland het sterkst voor, maar het waren fenomenen die in heel Europa aanwezig waren.

Dat neemt niet weg, dat er in deze notulen veel staat dat ik ook zo voel. Dat de Duitsers wezenlijk zijn veranderd, geloof ik ook. Maar ik kan me ook niet helemaal voorstellen hoe het verenigde Duitsland zich zal opstellen. Met een zeker triomfalisme moeten we rekening houden. In de discussie wordt de vraag gesteld in hoeverre de Duitsers hun pro-Europa houding, hun bereidheid in Europa te integreren, een tactische opstelling is. Dat is een legitieme vraag.

Ik geloof dat er in dat opzicht drie stromingen in Duitsland zijn. Voor een eerste, sterke stroming is dat geen tactiek; zij is ervan overtuigd dat deze integratie het beste is, ook om eventuele negatieve ontwikkelingen in Duitsland tegen te gaan. De tweede stroming is conservatief Helmut Kohl behoort daar toch eigenlijk ook een beetje toe en vertegenwoordigt bepaalde patriottische, Duitse sentimenten. Voor hen is deze pro-Europa opstelling ten dele tactisch. Ik denk dat uit die groep een zekere arroganties tevoorschijn zal komen wanneer de vereniging voltooid is. De derde stroming is politiek links, met uitgesproken neutralistische opvattingen. Ik ben het met deze groep in politiek opzicht lang niet altijd eens, maar ik ben wel blij dat ze bestaat, omdat zij juist een tegenwicht biedt tegen eventuele militaristische gedachten. In de notulen van Powell worden deze pacifistische stromingen in de DDR negatief gekenmerkt, terwijl ze juist datgene ondermijnen waarvoor de Britten blijkbaar bang zijn.

Tenslotte valt me ook in deze discussie weer de discrepantie op tussen een onderhuidse angst ten aanzien van Duitsland en de concrete feiten over de situatie in het land. Je kunt dan wel vragen hoe het er over vijftien jaar in Duitsland uitziet, maar dat geldt uiteraard voor de situatie in elk land. Over de situatie in Duitsland hoeven we ons geen zorgen te maken; er is geen reden tot vrees. Maar dat Duitsland wel de eerste viool in Europa zal spelen in de nabije toekomst is ook waar. Prof. dr. H. W. von der Dunk, hoogleraar geschiedenis van de 20ste eeuw, Rijksuniversiteit Utrecht.

Een late vraag

Het moet wel een heel bijzondere bijeenkomst zijn geweest, daar met mevrouw Thatcher. Natuurlijk is een aantal reele problemen aan de orde gekomen waarover het goed is te discussieren, bijvoorbeeld over de Europese integratie en de rol van het grotere Duitsland daarin. In Nederland wordt soms wat te licht gedacht over overdracht van de eigen soevereiniteit.

De wijze waarop in dit memorandum hierover wordt gesproken, leidt bij mij tot een mengeling van lacherigheid en verontrusting. De vraag wie de Duitsers zijn, lijkt in dit geval het begin te vormen van een psychologische balkanisering van Europa. Ik dacht dat de tijd voorbij was dat landen elkaar in psychologische karaktertermen beschrijven.

We hebben ervaringen met de Duitsers gehad die we niet moeten vergeten, maar aan die ervaring gaan duizend jaar van relaties vooraf en er zullen ook weer duizend jaar op volgen. Als er zulke grote psychologische afstanden tussen volken bestaan, is het juist van belang als een wereld op te treden.

Op Chequers ging het om belangrijke thema's, die door de wijze van behandeling echter een onserieus karakter hebben gekregen. Het meest serieuze thema is de vraag welke economische dominantie Duitsland, ook tegenover de Oosteuropese landen, zal krijgen. Het is van groot belang Duitsland te integreren in de EG en in het bondgenootschap. De huidige Duitse leiders zien dat zo en ik ga ervan uit dat ook de toekomstige Duitse leiders er zo over denken.

Wat Ridley betreft: er is best aanleiding te praten over de legitimiteit van de Europese Commissie, over democratisering, over de neiging tot centralisatie. Dat zijn echter andere zaken dan de vraag wat men van de Duitsers vindt. Een wat late vraag overigens, als je al veertig jaar met elkaar samenwerkt. Th. Woltgens, leider Tweede-Kamerfractie PvdA. Verwerpelijk Het is tekenend voor het denken over Duitsland in Engeland (maar niet alleen daar) dat na minister Ridley's tirade tegen Duitsland, nu ook het verslag bekend is geworden van de bijeenkomst met mevrouw Thatcher, waarin vooral een aantal negatieve kwalificaties over Duitsland en de Duitsers opvalt. Ridley's botte taal is verwerpelijk. Iedereen die het Duitsland van nu en zijn politici vergelijkt met Hitler diskwalificeert zichzelf. Ik kan me evenmin vinden in de generaliseringen over 'de' Duitsers in het verslag van de Engelse bespreking, al dient het verleden inderdaad niet te worden vergeten.

Terecht stelt het verslag echter ook dat de Duitsers van vandaag sterk verschillen van hun voorgangers. Maar dat moeten we wel zo houden. Vandaar de noodzaak om het verenigde Duitsland in te bedden in de structuur van de NAVO, EG en later CVSE. Een neutraal verenigd Duitsland, midden in Europa, is met het oog op verleden en toekomst ongewenst. In het licht van de Engelse uitspraken is de recente ontwikkeling inzake het Duitse NAVO-lidmaatschap op twee manieren kenmerkend. Enerzijds worden de Engelsen op hun wenken bediend, anderzijds is het niet in het Twee plus vier-overleg of tijdens het komende bezoek van Gorbatsjov aan de NAVO, maar tijdens het bezoek van bondskanselier Kohl aan de Sovjet-Unie dat de uiteindelijke beslissing over het Duitse NAVO-lidmaatschap is genomen.

De inhoud van die beslissing moge zeer positief zijn, de te solistische manier waarop zij is genomen is niet positief en onderstreept nog eens de noodzaak tot Duitslands 'inbedding'. Frans Weisglas, woordvoerder buitenlandse politiek VVD-Tweede Kamerfractie.

Welke Duitser? De Duitser bestaat niet. Een combinatie van Brandt, Genscher, Kohl en Strauss zou een heel ander type opleveren dan het gangbare stereotype, waaraan oud-kanselier Helmut Schmidt nog eerder beantwoordt.

Aan Duitsers worden abnormaal hoge eisen gesteld: indien Franse politiefilms, nieuwjaarstoespraken en wetten tegen taalminderheden in het Duits werden uitgebracht, zou een storm van protest opsteken.

Naar verhouding vervalt de gemiddelde Duitser snel van zelfbeklag in triomfkreten, hebben Duitsers als collectief minder een ingebouwde thermostaat op de ketel, diskwalificeren politieke tegenstanders elkaar feller. Toch functioneert de democratie in de Bondsrepubliek beter dan in Frankrijk.

Het probleem met de Duitsers is vooral hun hoge aantal, hun centrale ligging, grote spreiding en hun economische macht.

Op drie manieren zijn bovengenoemde potentieel destabiliserende factoren te ondervangen: door een grondwetswijziging, waaruit spreekt dat niet alleen het grondgebied maar ook de natie met de eenwording zal zijn voltooid (de huidige tekst lijkt bedoeld om alle opties open te houden); zoveel militaire integratie dat zelfs de gedachte aan nationaal optreden blijft uitgebannen (een vorm van integratie waar al meteen Londen, Parijs, Madrid en Berlijn geografisch buiten vallen, lijkt bedoeld om Italie en de Benelux eronder te houden); meer democratische supranationaliteit in de Europese Gemeenschap (het tegenwoordige bestel lijkt bedoeld om parlementen en burgers buitenspel te zetten ten gunste van oncontroleerbare machtsconcentraties). S. Rozemond, adjunct-directeur Nederlands instituut voor internationale betrekkingen Clingendael.

Normale mensen

Het is buitengewoon moeilijk om tegenwoordig nog een specifiek Duits volkskarakter vast te stellen. De Duitse maatschappij zoals die bestond en die een bepaald gedragspatroon als typisch Duits aan de mensen probeerde op te leggen, is in 1945 volledig in elkaar gestort. Vervolgens zijn de Duitsers 45 jaar lang opgegroeid in een Atlantische en Europese omgeving en denksfeer. De Duitsers van nu hebben dan ook normale, genuanceerde opvattingen. Van een vast volkskarakter dat de politieke houding en het politieke handelen bepaalt, is geen sprake. In Nederland heeft men na enige aarzelingen en vragen in het begin ook heel realistisch op de Duitse vereniging gereageerd.

Zelfs als de verleiding in het verenigde Duitsland zou groeien om zijn macht nog slechts voor eigen, Duitse, doelen in te zetten, zal dat eenvoudig niet werken. In een grote Europese markt, Europa '92 en de monetaire en politieke unie is de economische macht niet meer nationaal en nationale militaire machtsmiddelen zijn er ook niet. De vergaande feitelijke machtsspreiding in Europa tussen Brussel, de nationale regeringen en steeds belangrijkere regionale eenheden, zoals de Duitse deelstaten, is de meest efficiente garantie tegen alle vormen van nationale dominantie of machtsmisbruik. Het bestaan van deze garanties heeft ook de volle steun van de Duitsers zelf.

Het beste bewijs voor het normaal-zijn van de Duitsers vormen wel de reacties op de opening van de Muur, eind vorig jaar. Even waren er hevige nationalistische emoties, die echter kort daarna weg ebden en maakten de Duitsers aan beide kanten van de Muur zich druk om heel gewone, menselijke dingen, zoals de prijzen.

Men moet de Duitsers niet in een uitzonderingspositie drijven door ze op te zadelen met ouderwetse karakteristieken die een selffulfilling prophecy kunnen worden. Gelukkig hoeven we voor dat laatste niet bang te zijn; de pers in Duitsland heeft recente uitlatingen van Engelse zijde niet overdreven serieus genomen.

Otto von der Gablentz, ambassadeur van de Bondsrepubliek in Nederland.

Goede brainstorm'Ridley' en 'Chequers' hebben niet veel met elkaar van doen. Ridley's uitlatingen waren niet aanvaardbaar. Zijn aftreden was terecht; zijn zich niet-verontschuldigen was dat niet. De opwinding over de bijeenkomst op Chequers is een storm in een glas water. Het is te prijzen dat de Britse regering een 'brainstorm' belegt over zoiets monumentaals als de Duitse vereniging. De uitlatingen over de Duitse aard zijn pittig, maar in grote lijnen toepasbaar op vele volkeren, waaronder het onze.

De Britten zaten goed met hun besluit (op 24 maart) dat het verenigde Duitsland het beste lid van de NAVO kon zijn, met tijdelijk nog Sovjet-troepen op DDR-gebied en onder herbevestiging van het afzien door de Duitsers van bezit van en beschikkingsmacht over kernwapens. Gisteren werd een en ander afgemaakt tijdens het topoverleg Gorbatsjov-Kohl.

Jammer is slechts dat de EG bijna uitsluitend via de monetaire component aan bod komt (die Londen zwaar op de maag ligt) en dat nauwelijks relief wordt gegeven aan uitspraken van de EG en de Duitsers zelf, dat de Duitse eenheid moet ankeren in de Europese eenwording. De Britten moeten nog inzien dat daar hun belang ligt.

Jean Penders, leider CDA-groep in het Europees Parlement.

Britse borrelpraat

Zo spreekt dus een select gezelschap in Engeland over partner en bondgenoot Duitsland: gedeprimeerd en wantrouwig. Is het verslag echter betrouwbaar? Sommige deelnemers hebben het direct ontkend. Wie iets van hun werk of enigen van hen persoonlijk kent, gelooft dit. Zo werd de borrelpraat over de defecten van de Duitse volksaard volgens hen slechts vermeld met de bedoeling er onmiddellijk de dwaasheid van te onderstrepen. Akkoord. Het is dan overigens wel een sinister feit dat Powell, Thatchers vertrouwensman, het nuttig achtten een andere suggestie te wekken.

Het meest opvallende van het gesprek is trouwens een ander aspect: de diepe reserve van de participanten tegenover de Duitse vereniging, die zij in theorie menen te moeten verwelkomen. Men kan dat begrijpen. Wat teleurstelt is de consequentie ervan: de enigszins melancholieke passiviteit. Zij trekken geen enkele conclusie uit hun verontrusting en volstaan met waarschuwingen.

Maar mag men het hun verwijten? Zij reageren niet anders dan de Westeuropese regeringen in het algemeen. Ook deze hebben het al deze maanden lang niet verder gebracht dan een door mooie woorden nauwelijks opgevrolijkt attentisme. In plaats van de Duitsers met iets van enthousiasme en concrete hulp aan te moedigen en daardoor bij de ontwikkeling direct betrokken te blijven, hebben zij de Duitse politici de gelegenheid gegeven geheel alleen en op eigen kracht hun weg te gaan. Als men het verslag van het Britse gesprek leest, is men geneigd Kohl en Genscher hun Kaukasische triomf van harte te gunnen. Daar en niet in Londen en Parijs zag men staatsmanschap. Prof. dr. E. H. Kossmann, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Much ado De Ridley-affaire doet mij denken aan de naam ven een komedie van Shakespeare: Much ado about nothing. Dit vervelende incident speelt zich af in de marge van de werkelijk grote gebeurtenissen en heeft daarop geen invloed: het einde van de Koude Oorlog, de Russisch-Duitse toenadering, het handhaven van de NAVO met een Duitsland, de voortgaande groei naar Europese eenheid. Mr. G. A. Wagner, oud president-directeur Koninklijke Shell.