De zonden der vaderen

Nicholas Ridley mag dan, zij het nog met tegenzin, de enige weg gekozen hebben die hem openstond na zijn xenofobische uitbarsting in The Spectator, namelijk ontslag als minister van handel (die per definitie veel met buitenlanders te maken heeft), daarmee is de zaak de wereld nog niet uit.

Meer in 't bijzonder blijft de vraag bestaan in hoeverre Ridley, een vertrouweling van mevrouw Thatcher, in zijn interview de heimelijke gevoelens van zijn minister-president vertolkte. Wat zijn anti-Europese gevoelens betreft, is dat bekend: Ridley heeft in onparlementaire bewoordingen de bezwaren herhaald waaraan Thatcher twee jaar geleden in Brugge intellectuele uitdrukking had gegeven.

Deze bezwaren tegen een Europa dat de nationale soevereiniteiten bedreigt of uitholt, hoeven op zichzelf nog niet van vreemdelingenhaat te getuigen (al is dat in de praktijk vaak wel zo). In elk geval heeft Thatcher zich in Brugge niet blootgegeven voor beschuldigingen van die aard. Integendeel, zij gaf de andere Europese identiteiten evenveel eer als de Britse.

Maar dat wil misschien alleen maar zeggen dat zij zich diplomatieker heeft gedragen dan haar minister. Want er is reden te geloven dat zij, ook wat dat betreft, zijn gevoelens en vooral die jegens de Duitsers deelt. The Financial Times weet te melden dat zij onlangs tegen een Duitse oud-ambassadeur heeft gezegd: 'Jullie hebben nog eens veertig jaar nodig voordat we kunnen vergeten wat jullie hebben gedaan.'

Ja, ze heeft in haar jeugd de oudtestamentische les goed geleerd dat God de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen bezoekt, aan het derde en vierde geslacht!Maar dit is niet de enige uiting van Britse germanofobie. Wie een beetje geregeld naar de Britse televisie kijkt, weet dat daar de Duitsers herhaaldelijk hetzij belachelijk gemaakt worden, hetzij afgeschilderd als onbekeerde nazi's. Blijkbaar is dat het beeld dat vele Britse kijkers van de Krauts hebben en graag bevestigd zien. Thatcher en Ridley doen niet anders dan een zekere vox populi te weerkaatsen, de een in de binnenkamer, de ander openlijk.

Dat doet de vraag rijzen hoe het komt dat in Engeland, dat verschoond is gebleven van een Duitse bezetting in de jaren 1940-1945, deze gevoelens zoveel heviger en langduriger lijken te zijn dan, bijvoorbeeld, in Frankrijk, dat een vernederende nederlaag en een ruim vierjarige onderdrukking heeft gekend.

Als verklaring wordt wel gegeven dat Engeland in de Tweede Wereldoorlog, in zijn verzet tegen Hitler, zijn finest hour heeft gekend, om zo te zeggen: het hoogtepunt van zijn bestaan als imperiale mogendheid en als oude democratie. Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan: het imperium is verloren gegaan, en ook als economische wereldmacht heeft het vrijwel afgedaan voornamelijk ten gunste van die Duitsers, aan wier expansie het vijftig jaar geleden, bijna als enige, het hoofd bood.

Dat dit bitterheid wekt in een volk dat bovendien nog altijd, door de pracht en praal waarmee de monarchie er wordt omgeven, in de waan van macht en glorie wordt gehouden, is begrijpelijk. Maar waarom is er dan van zo'n bitterheid, zich uitend in primitieve germanofobie, in Frankrijk zo weinig te merken? Dat land heeft toch ook reden zich door de geschiedenis onrechtvaardig behandeld of anders gezegd opnieuw door de Duitsers bedreigd te voelen? Nu is er tussen Fransen en Duitsers iets anders aan de hand dan tussen Engelsen en Duitsers. Door de geschiedenis heen heeft er altijd een soort haat-liefde tussen die twee continentale volken bestaan: bewondering en (vooral aan Franse kant) angst angst die toch weer met een zekere aantrekkingskracht gemengd was. En dan daarbij het gevoel dat zo vaak bestaat tussen volken die elkaar vaak bestreden hebben: een soort van solidariteit tussen veteranen. Hoe anders zijn de talloze jumelages met Duitse steden en dorpen ook in gebieden waar de Duitsers het meest hebben huisgehouden te verklaren? Die verklaring is zeker niet voldoende om het verschil tussen de houding van de Fransen en die der Engelsen tegenover Duitsland uit te leggen. Ook moeten we niet uit het oog verliezen dat de Franse politieke elite wel degelijk bezeten is van het spook der Duitse macht, al zal zij op subtielere wijze uitdrukking geven aan die bezetenheid dan Ridley deed (niet altijd: president Mitterrands pogingen om, door plotselinge reizen naar de Sovjet-Unie en de DDR, de Duitse hereniging op te houden waren niet zo subtiel). Evenmin mogen we vergeten dat die Franse bezetenheid door Duitsland ook geleid heeft tot constructieve denkbeelden. De ideeen van Jean Monnet en Robert Schuman hebben gestalte gegeven aan een heel ander Europa dan dat van 1919, dat de kiemen van een nieuwe oorlog in zich droeg. En aan de grondgedachte van een Frans-Duitse samenwerking, grondslag van dat Europa, hebben ook De Gaulle en zijn opvolgers niet getornd. Tot iets dergelijks heeft Engeland zich na de oorlog niet kunnen opwerken.

In laatste aanleg kan het beleid van een politieke elite niet slagen zonder de, al is het slechts passieve, medewerking van de bevolking. Blijkbaar bestond (en bestaat) er in Frankrijk een algemeen besef dat, op de een of andere manier, een entente met Duitsland, zo niet nodig, dan toch onvermijdelijk is. Dat besef bestaat in Engeland in veel mindere mate, zelfs bij de elite.

En zo komen we weer op de vraag naar de oorzaak van het verschil. Zou dat misschien mede kunnen liggen in de godsdienstige achtergrond van beide naties? Het Britse volk is, in grote meerderheid, protestant; en de protestant is, over 't algemeen, hardnekkiger in zijn roep om gerechtigheid, zo niet wraak, dan de katholiek, die alweer: over 't algemeen zich gemakkelijker schikt in de realiteiten van de macht en zich lankmoediger betoont tegenover de zonden van anderen.

Het zou ook een verklaring kunnen zijn van de rekening die veel Nederlanders nog altijd met de Duitsers, ook al dragen ze persoonlijk geen enkele schuld, menen te vereffenen te hebben. Maar wij vinden tenminste nog, anders dan Ridley, een reden in de bezetting. Aan de andere kant is Ridley consequenter dan veel Nederlanders wanneer hij zich, behalve van de Duitsers, ook afkerig betoont van de Europese eenheid. Want wie zo de pest aan hen heeft, kan logischerwijs geen Europese eenheid, waarin ze sowieso zullen domineren, willen.