De kaart in het hoofd; Kinderen werken al vroeg aan eencognitieve plattegrond

De meeste mensen hebben maar weinig vertrouwen in hun richtinggevoel. Zelfs aan kaartlezen hebben zij een hekel. Als we een vreemde stad binnenrijden, laten ze het stratenplan liever op de achterbank liggen. Het is immers veel eenvoudiger om de weg te vragen. Neurologen geloven dat het topografische geheugen of het geografische centrum is gelokaliseerd in de rechter hemisfeer van de hersenen. Patienten met beschadigingen aan de rechter hersenhelft kunnen zich een eenvoudig traject vaak niet meer herinneren. Ook kunnen zij rechts en links niet meer onderscheiden. Orientatiepunten worden vaak nog wel herkend, maar het is alsof ze niet langer in een mentaal schema kunnen worden ingepast. Het visueel-ruimtelijk geheugen wordt al op zeer jonge leeftijd ontwikkeld. Uit onderzoek van gedragspsychologen Mark Blades en Christopher Spencer van de Universiteit van Sheffield blijkt dat kinderen zelfs eerder kunnen kaartlezen dan lezen of schrijven. Tot voor kort werd daar nog heel anders over gedacht.

De Zwitserse psycholoog Jean Piaget veronderstelde dat er bij kinderen een directe relatie bestond tussen egocentriciteit en orientatievermogen. Ook al werkt het kind vanaf zijn eerste levensjaar aan een cognitieve plattegrond van het huis waarin het woont, het zou zich over het algemeen moeilijk in andere situaties kunnen verplaatsen en dus niet in staat zijn om in een kaart een verkleinde afbeelding van zijn omgeving te herkennen. Oudere kinderen konden dat volgens Piaget wel omdat zij al enigszins vertrouwd waren met Euclidische meetkunde en geografische coordinaten. Spencer: 'Niemand trok de conclusies van Piaget in twijfel. Waarom zou je ook? Het orientatievermogen van kinderen wordt zelden op de proef gesteld. Ze gaan meestal met hun ouders mee.'

Aan de Universiteit van Sheffield probeert men nu na te gaan of het orientatievermogen is gebaseerd op leerprocessen. Het kan zijn dat de kinderen hebben geleerd om de informatie over hun omgeving op een bepaalde manier te rangschikken zonder zich daarvan bewust te zijn. Christopher Spencer: 'Misschien gaat het wel om individueel bepaalde eigenaardigheden. Het is alleen erg moeilijk om dat bij kinderen vast te stellen. Gecompliceerde ruimtelijke mentale organisatie laat zich nu eenmaal moeilijk in woorden vertalen.'Dieren vinden intuitief hun weg. Hebben zonnestand en het aardmagnetisch veld daar iets mee te maken? Spencer: 'Ik denk dat dieren, net als de gemotoriseerde kaartlezers, zich orienteren op opvallende terreinkenmerken. Verder is het vooral een kwestie van ervaring. Iedereen weet dat als hij vier keer rechts afslaat hij meestal weer bij het vertrekpunt uitkomt. Vaste hemellichamen zijn handige hulpmiddelen, maar niet meer dan dat. Ik denk niet dat het aardmagnetisme een rol van betekenis speelt. Aan de Universiteit van Manchester zijn 1200 kinderen geblinddoekt en op een draaistoel gezet. Vervolgens moesten zij raden in welke richting ze werden gedraaid. Als we dat onderzoek mogen geloven zijn we begiftigd met een zesde zintuig, maar uit onze experimenten is dat absoluut niet gebleken.

Toch zijn er mensen die intuitief in een bepaalde richting lopen, alsof ze ruiken waar ze moeten zijn.'Blinde kinderen hebben hun eigen orientatiesysteem. De een klikt met de tong en observeert de echo's die de objecten weerkaatsen. Anderen herkennen hun route aan scheurtjes in het asfalt en omhoog stekende tegels. In een vreemde omgeving zijn blinden uitstekend in staat de positie van huizen en straten te bepalen.'Blinden prenten het globale verloop van een route in hun hoofd. Als je bepaalde zaken in hun omgeving anders rangschikt, kunnen ze die informatie heel snel verwerken. Deze vaardigheid is bij hen tot een tweede natuur geworden. Op het trottoir omzeilen ze geparkeerde auto's en bomen met grote trefzekerheid. De een doet dat overigens beter dan de ander, maar dat komt omdat niemand de looprichting goed weet te handhaven. Velen vertonen de neiging in een kring te lopen, zoals je wel ziet bij mensen die in de woestijn de koers zijn kwijtgeraakt. We lopen alleen recht vooruit als we de route kunnen corrigeren aan de hand van terreinkenmerken. Blinden die door de ouders zeer beschermd zijn opgevoed hebben vaak moeite met de orientatie, omdat zij minder durven.

Anderen zijn absoluut niet bang om ergens tegenop te lopen. Bij hen is het orientatievermogen over het algemeen veel beter ontwikkeld.'Amerikaanse steden hebben veelal een strak georganiseerd stratenplan met elkaar kruisende lengte- en breedtestraten. Toch hebben veel Amerikanen moeite de weg te vinden. Je kunt het mensen ook te makkelijk maken.'Het is een interessante gedachte. Een al te grote warboel is natuurlijk ook niet goed, maar steden moeten wel iets verrassends hebben. Je hebt ook mensen die het zich juist zo moeilijk mogelijk maken. Die zijn geabonneerd op tijdschriften als het (Zweedse) Wetenschappelijk Journaal voor Orientering en leren hoe ze zich in een vreemde omgeving snel kunnen orienteren. Er blijkt niet een methode te zijn. Sommige mensen zijn echte problemenoplossers: die controleren doorlopend waar ze zijn. Dan lever je snelheid in tegen zekerheid. De snelheidsmensen nemen meer risico, die zien wel waar ze terechtkomen. Zij doen het vaak niet eens zo slecht. We kunnen meer dan we denken, maar we proberen het niet. Mensen die dagelijks in een en dezelfde stad komen, lopen meestal via straten of wijken die ze al kennen en zullen nooit eens een alternatieve route kiezen, zelfs niet wanneer die korter is.'Moet op basisscholen meer aandacht worden besteed aan orientatie?'Ja, dat is ook wat we aan onderwijsorganisaties hebben voorgesteld. Leerkrachten zouden speurtochten kunnen organiseren of eenvoudige spelletjes kunnen bedenken, waarbij kinderen een kaart of model moeten raadplegen. Men moet kinderen niet onderschatten. Ook al hebben ze nog nooit een kaart gezien, zij herkennen zonder moeite de meest uiteenlopende symbolen en kleuren. Blauw wordt bijna vanzelfsprekend geassocieerd met water en groen met grasland. Zo is ons onderzoek ook begonnen. We lieten kinderen luchtfoto's zien en tot onze verbazing herkenden ze huizen, wegen en auto's, hoewel ze nog nooit in een vliegtuig hadden gezeten en ook niet wisten hoe de foto's gemaakt waren.'