Affaire-Ridley verzwakt Thatchers positie alspartijleider

LONDEN, 17 juli Viscount Nicholas Ridley heeft, peinzend gezeten achter zijn waterverfpalet en delibererend over de vergankelijkheid van loslippige politici, een troost. Hij is inmiddels de vijfde minister binnen even zoveel jaren die in Engeland is gevallen op het onderwerp Europa. Hij beschikt ook als enige in de reeks over een afscheidsbrief van de 'Leaderene' met de veelzeggende alinea: 'Persoonlijk zal ik jouw loyale steun voor het beleid waarin we beiden zo diepgaand geloven, verschrikkelijk missen'.

Michael Heseltine, Leon Brittan, Geoffrey Howe en Nigel Lawson zijn vanaf 1986 of zonder dankzegging vertrokken of met een troostprijs afgescheept. Zij allen geloofden diepgaand in een beleid waarin Groot-Brittannie zijn toekomst bij uitstek in Europa moest vormgeven en werden daarvoor gestraft.

Ridleys zonde is, ironisch genoeg, dat hij waarschijnlijk heeft gezegd (in onparlementaire bewoordingen) wat zijn premier zelf denkt, maar zich politiek niet kan veroorloven hardop te zeggen. Premier Thatcher is immers bezig met een politieke spagaat die zijn weerga niet kent: en de voortzetting van haar eigen politieke carriere als Conservatief premier garanderen door pro-Europa te lijken en gehoor geven aan het instinct dat zij met een minderheid van haar achterban deelt zich te verzetten tegen iedere aantasting van de Britse soevereiniteit.

Ridley zelf kon haar gevoelens niet beter verwoorden dan zoals hij zaterdag in zijn afscheidsbrief deed: 'Desalniettemin geloof ik dat het voorstel van de Europese Commissie voor economische en monetaire eenheid in de Gemeenschap een ramp zou zijn, zowel voor Groot-Brittannie als voor Europa in wijdere zin, waarin ik heilig geloof. Het zou harteloos zijn wanneer de Gemeenschap de volken van Oost-Europa na vijftig jaar onderwerping zou uitsluiten van deelname in de gemeenschappelijke Europese markt. De kansen om zich aan te sluiten moeten openliggen voor de naties van het Europese vrijhandelsgebied. Alle staten in Europa zouden de vrijheid moeten hebben om hun eigen politieke, economische en nationale identiteit te behouden en tegelijkertijd te profiteren van vrije en eerlijke handel. (...) Niets dan ellende zal het gevolg zijn wanneer er gepoogd wordt hen in de dwangbuis van een enkele valuta te dwingen, waarbij het economische beleid niet wordt gedicteerd door mensen die rekening en verantwoording hebben af te leggen aan de kiezers en de belastingbetalers. Dat zou resulteren in economische dominantie door het land met de sterkste valuta binnen de Gemeenschap.' Charles Powell, Thatchers particuliere secretaris, ghost-writer voor haar opzienbarende toespraak in Brugge waarin ze zich twee jaar geleden uitsprak tegen een federale Europese Gemeenschap, zou die alinea's zelf geschreven kunnen hebben. Een wonder zou dat niet zijn: hij dicteerde, wordt gezegd, ook Ridleys excuus voor diens anti-Duitse uitlatingen in The Spectator.

Na het verlies van de Conservatieven bij de Europese verkiezingen van vorig jaar en na Thatchers meedogenloze geschuif met loyale ministers als Howe en Hurd, kreeg de aanvoerster van de Britse regeringspartij in december 1989 de rekening gepresenteerd in de vorm van een tegenkandidatuur voor het partijleiderschap. Hoewel ze daaruit glansrijk tevoorschijn kwam, maakten veel Lagerhuisleden duidelijk dat alleen verbeterd gedrag bij het leiding geven en in de opstelling binnen Europa kon voorkomen dat ze een volgende keer niet tegen haar zouden stemmen.

Premier Thatcher mag dan van een gevecht houden ('en ik win altijd', zei ze onlangs in Dublin nog tegen haar collega-regeringsleiders van de Twaalf), politiek naief is ze allerminst. Dat dreigement, plus het daaropvolgende dieptepunt in populariteit wegens vooral de invoering van de 'poll tax', maken dat ze bij het naderen van de nieuwe verkiezingsdatum voor een partijleider haar schrille verzet tegen verdere integratie van de EG vervangen heeft door het aanslaan van een mildere toon. Britse waarnemers prijzen haar 'charme-offensief', waardoor de verhoudingen zelfs onder een Iers presidentschap van de EG aanmerkelijk verbeterd zijn. In Houston vorige week, bij de topbijeenkomst van de zeven belangrijkste industriele landen, speelde Thatcher zorgvuldig niet de kaart van de veronderstelde speciale relatie met de VS, maar bemiddelde tussen de Amerikanen en Europa over bijvoorbeeld het principe van de vrijhandel. Die constructieve opstelling was een pak van het hart voor Douglas Hurd en John Major, die evenmin blindelings alles goed vinden wat de voorzitter van de EG-commissie, Jacques Delors, en anderen voorstellen over de gewenste ontwikkeling van Europese integratie, maar die geloven dat Groot-Brittannie alleen de koers kan verleggen door van harte met de partners mee te denken en alternatieven voor te stellen. Een uiting van dat laatste is Majors alternatief voor het ontwikkelen van de Ecu als gemeenschappelijk betaalmiddel naast het blijven voortbestaan van de nationale valuta. Tot nu toe heeft geen van de partners groot enthousiasme getoond, maar volgens Hurd wint het idee geleidelijk veld.

Door die zo zorgvuldig gecultiveerde porseleinkast banjerde donderdagmorgen Nicholas Ridley. Major, gewoonlijk een en al hoffelijkheid, beet verslaggevers toe dat hij niets te melden had en de immer diplomatieke Hurd wist niet hoe snel hij moest verklaren dat vriendschap met de Fransen (volgens Ridley de schoothondjes van de Duitsers) en Duitsland het hart vormt van de hedendaagse buitenlandse politiek van Groot-Brittannie. De twee zagen het resultaat van maandenlang hard werken in een klap weggevaagd, want ogenblikkelijk werden alle verondersteld anti-Duitse uitlatingen en anti-Europese attitudes van de Britse regeringsleider weer uit de kast gehaald. Naarmate het totaal desavoueren van Ridley langer op zich liet wachten, werden bovendien de voorbeelden van de vreemdelingenhaat van de Britse eerste-minister krasser. 'Waarom ben je zo verbaasd? Iedereen die wel eens een bijeenkomst van ministers met de premier heeft meegemaakt, zoals ik', zei een natuurlijk anonieme, maar hooggeplaatste collega van Thatcher tegen The Independent, 'zal je kunnen vertellen dat als er niet wordt gesproken over de onuitsprekelijke misdaden van het Duitse volk, dat het dan wel gaat over de onbetrouwbaarheid van de Fransen, de luiheid van de volken langs de Middellandse zee, de spleetogen in het Verre Oosten, of de zwarten elders'. Wat daarvan ook waar mag zijn, de verondersteld anti-Duitse houding van de premier berust echter vooral op het feit dat ze er, net als haar generatiegenoten, blijk van geeft beide wereldoorlogen en hun gevolgen niet te hebben vergeten. Zo sprak ze op 18 februari in een bijeenkomst met de Britse joodse gemeenschap over de ontwikkelingen in Oost-Europa 'die bij uitstek van belang zijn voor de toehoorders hier: de Duitse eenwording. (...) Het is begrijpelijk dat voor sommigen bittere herinneringen aan het verleden hun blik op het heden en op de toekomst zullen kleuren'.

Voor 'sommigen' moet 'mij' gelezen worden, getuige onder andere ook haar uitspraak in een vraaggesprek met The Sunday Times: 'Je kunt de geschiedenis van deze eeuw niet negeren, net of die niet heeft plaats gehad, en zeggen: we gaan eenworden en de rest zullen we later wel uitwerken. Zo werkt het niet'.

In hetzelfde interview zei Thatcher ook dat je niet van de EG kon verwachten dat ze zonder meer opneming van Oost-Duitsland zou slikken. Niet alleen was de omvang gelijk aan die van Belgie, Denemarken en Ierland samen, 'nee, veel erger dan dat. Dat zou betekenen dat je een staat verwelkomt die sinds 1930 hetzij communistisch hetzij nazistisch is geweest'. De koele persoonlijke relaties tussen Thatcher en bondskanselier Kohl werden door die uitlatingen al niet erg verbeterd en Duitsland beschuldigde Thatcher ervan dat ze Duitse eenwording in de weg wilde staan. Inmiddels is Thatchers aarzeling grotendeels weggenomen door de inspraakconstructie die de Engelse regering, naar wordt gezegd opnieuw tot ergernis van Kohl, de 'vier-plus-twee-besprekingen' noemt (de vier bezettingsmachten en de twee Duitslanden) in plaats van de gebruikelijke aanduiding 'twee-plus-vier-besprekingen'. En dan zijn er, sinds zondag, nog de uitgelekte notulen van een vertrouwelijke bespreking over het Duitse karakter, waaraan zowel premier Thatcher als minister van buitenlandse zaken Douglas Hurd deelnamen. Daarin worden weliswaar de 'gebreken' en de 'weinig constructieve karaktertrekken' van de Duitsers onderstreept, maar de conclusie was toch dat er voorlopig met ze te leven was, zo moest een opnieuw in verlegenheid gebrachte Douglas Hurd tenminste komen uitleggen voor de televisie.

Het resultaat van de gebeurtenissen van de afgelopen dagen is tweevoudig. In de eerste plaats is de scheiding der geesten binnen de Conservatieve partij over de rol van Groot-Brittannie in Europa duidelijk zichtbaar geworden voor de buitenwereld. De leider van de oppositie, Neil Kinnock, doet daar zijn politieke voordeel mee. In de tweede plaats is het * lement van premier Thatcher binnen haar eigen kabinet groter geworden nu haar trouwe vriend Ridley is verdwenen en de Hurds, Majors en Pattens de overhand hebben. Door zo lang te wachten met het heenzenden van Ridley, heeft Thatcher zelf meegebouwd aan de muur die staat tussen haar en een meerderheid van haar partijgenoten. Een nieuwe strijd om het leiderschap van de partij, hoe schadelijk die ook zou zijn in de aanloop tot de verkiezingen, moet daarom niet worden uitgesloten. Michael Heseltine, de eerste in de rij van vijf die met Ridley eindigde, zou zijn pro-Europese gelijk nog wel eens kunnen halen.