Goormachtigh niet ver met 'fladderaars'

ROTTERDAM, 16 juli Voor de derde keer binnen tien minuten knikt ze die middag begrijpend naar weer een specialist die meent de oorzaak van haar teleurstellende prestatie te moeten blootleggen. 'Je ging te veel naar links', zegt de zestiger. Jacqueline Goormachtigh, de talentvolle discuswerpster, hoort de raadgevingen met een glimlach aan. Hoewel pas twintig jaar en nog maar net op het hoogste nationale niveau actief, zegt ze dat haar ambities verder liggen. 'Ik wil de richting op van de wereldtop.'

Haar prestaties van dit ogenblik hebben de optimisten aan het twijfelen gebracht, maar er zijn specialisten genoeg te vinden die desondanks denken dat ze daar de capaciteiten voor heeft.

Ria Stalman, met 71,22 meter Nederlands recordhoudster discuswerpen en winnares van Olympisch goud op dat onderdeel tijdens de Olympische Spelen van 1980 in Los Angeles, is er van overtuigd dat 'Jacqueline beter kan worden dan ik geweest ben. Ze is atletisch en sterk. Het belangrijkste voor haar is dat ze technisch solide wordt. Kijken en luisteren en mensen zoeken die je kunnen helpen, zonder je gek te laten maken.' Kogelstoten en discuswerpen zijn niet de meest populaire onderdelen bij beginnende atleten. Zeker niet bij vrouwen. In het bondsblad Atletiekwereld stelde Patrick Homoet, de trainer van Jacqueline Goormachtigh, vorig jaar nog vast dat ondanks successen van Ria Stalman, Erik de Bruin en zijn pupil er geen 'Nijboer-effect' optreedt: geen aanwas van beoefenaren na opmerkelijke Nederlandse resultaten. 'Hinderlijke misvattingen' staan zo'n ontwikkeling in de weg. 'Een talentvol werper/werpster bedenkt zich in Nederland wel driemaal, voordat hij of zij zich gaat specialiseren. Dit ingegeven uit angst er binnen een jaar uit te zien als een nijlpaard of ander gedrocht', schreef Homoet.

Jacqueline Goormachtigh bewijst met haar verschijning de onzin van dat vooroordeel. De 1 meter 79 lange en 84 kilo wegende Rotterdamse werd vorig jaar op de Europese jeugdkampioenschappen, waar ze brons won, uitgeroepen tot de mooiste atlete van de titelstrijd. 'Daar was nog nooit een werpster voor uitgekozen', zegt ze trots. 'Spieren zijn niet lelijk, al weet ik ook wel dat er jongens zijn die mij niet als hun meisje willen, omdat ze vinden dat een jongen sterker moet zijn dan een meisje.'

Schonkig

Waren de werpnummers in een grijs verleden misschien een opvangcentrum voor schonkige bakvissen en flink uit de kluiten gewassen jongens, nu een bezoek aan het fitnesscentrum voor een uurtje in het krachthonk algemeen wordt geaccepteerd is dat stadium verleden tijd. Hoewel postuur een rol speelt zijn de disciplines waaraan zoveel kracht te pas komt aanzienlijk meer dan atletiek voor grote mensen. Ria Stalman: 'Ik was op mijn veertiende, vijftiende groter dan andere kinderen van mijn leeftijd en als dan blijkt dat je de kogel een heel stuk kunt stoten en je daarmee een medaille kunt winnen op de kampioenschappen van Zuid-Holland is dat leuk.' Lichaamsbouw bepaalt voor een belangrijk de aanleg. Maar de angst dat de keus voor werpnummers een kolos van je maakt weerhoudt menigeen ervan op die weg door te gaan. Homoet: 'Een atlete van 14 jaar die ik voorstel krachttraining te doen zegt wel eens: 'ik wil niet breed worden'. Maar als het zo gemakkelijk zou zijn om breed te worden, zouden die bodybuilders er niet zo hard aan moeten werken. Van twee keer krachttraining per week zie je niks.' Sterk en snel worden is volgens Ria Stalman niet moeilijk. 'Je moet de logica van de beweging doorhebben. Daar gaat het om. In wezen is die even simpel als wandelen: je bent altijd in evenwicht, maar je hebt pas in de gaten dat je kunt als je het ook echt doet.'

Sprongen

Om de techniek goed te beheersen is zes, zeven jaar gerichte training nodig. Jacqueline Goormachtigh, die het kogelstoten waarmee ze in Rotterdam zilver won op de tweede plaats laat komen, heeft er pas drie serieuze jaren opzitten. Maar in die betrekkelijk korte tijd ging ze met sprongen vooruit: elk jaar wierp ze de een kilo wegende schijf zo'n tien meter verder. Dit jaar was haar openingsworp ook weer stukken beter dan de eerste worpen van het seizoen ervoor, waardoor de zestig-metergrens leek te naderen. In 1989 wierp ze haar persoonlijke record 59,22 ('een uitschieter') en dit jaar kwam ze bij wedstrijden om de Gouden Spike in Leiden tot 58,76. Tijdens het Nederlands kampioenschap op de Nenijtobaan in haar woonplaats Rotterdam, de ideale ambiance volgens haar trainer, moest ze de limiet voor de Europese titelstrijd in Split werpen. Met haar 55,02 pakte ze wel de titel, maar bleef ze zelfs ver verwijderd van de B-limiet.

Homoet had de progressieve lijn van Europese jeugdkampioenschappen (1989), EK (1990), Wereldkampioenschappen (1991) en Olympische Spelen (1992) in gedachten. 'Als alles normaal was verlopen zou ze nu 62, 63 meter hebben moeten kunnen halen. Waarom het niet lukte weet ik niet. Wel dat ik terug moet komen op datgene wat ik voor het NK gezegd heb.' Ria Stalman houdt het er op dat de Rotterdamse een coordinatieprobleem heeft. 'De timing is niet meer goed en dan krijg je van die fladderaars. Ik heb zelf ook wel meegemaakt dat ik een hele periode uitstekend gooide en er ineens een wedstrijd kwam dat het niet meer ging.'

Jacqueline Goormachtigh spoelde zaterdagavond ettelijke malen de video terug. 'Maar wat ik zag had ik al gevoeld. Ik wil te snel gooien. Terwijl ik moet wachten, wachten, wachten... en dan gaat die arm vanzelf.'