'AARDIG ZIJN VOOR DE DUITSERS'

De Engelse krant The Independent on Sunday publiceerde gisteren, een dag na het aftreden van Nicholas Ridley wegens anti-Duitse opmerkingen, het verslag van een vertrouwelijke bijeenkomst op hoog politiek niveau over het Duits-nationale karakter. De bijeenkomst had plaats op 24 maart in het weekendverblijf van premier Thatcher. Behalve de Britse premier namen deel: Douglas Hurd, de minister van buitenlandse zaken, Charles Powell, Thatchers private secretary en zes academici, de Duitsland-experts Lord Dacre (Hugh Trevor- Roper, de man die de vervalste dagboeken van Hitler als echt beoordeelde), Norman Stone, hoogleraar moderne geschiedenis in Oxford, Tim Garton Ash, journalist, George Urban, voormalig hoofd research van Radio Free Europa, Fritz Stern van Colombia University en Gordon Craig, hoogleraar moderne Duitse geschiedenis in Harvard. De notulen van de bespreking zijn van de hand van Charles Powell en volgen hieronder.

Ter inleiding zei de premier dat Europa het einde van het na-oorlogse tijdperk had bereikt. Belangrijke beslissingen en keuzen over de toekomst (van Europa) stonden ons te wachten. Zijzelf had in de komende weken een aantal cruciale ontmoetingen in het vooruitzicht, met president Bush, president Gorbatsjov en kanselier Kohl, en bovendien een informele EG-topontmoeting. Hierbij zou steeds de Duitse eenwording het thema bij uitstek zijn. Wat nodig was, was dat we op een rij zouden zetten wat een verenigd Duitsland zou kunnen betekenen.

Het verleden kon dienen als leidraad, maar dat gegeven kon je niet zonder meer extrapoleren. Wat ons te doen stond was dat we ook een structuur moesten ontwerpen voor de toekomst van Europa, waarbij we rekening moesten houden met de Duitse eenwording en met de vergaande veranderingen in de Sovjet-Unie en in Oost-Europa. Bij het zoeken naar het juiste evenwicht was het belangrijk om rekening te houden met zowel de lessen uit het verleden als de kansen die de toekomst biedt. Ze zou dankbaar zijn wanneer de aanwezigen haar zouden willen laten delen in hun wijsheid en adviezen.

We begonnen te praten over de Duitsers zelf en wat hen karakteriseert. Evenals andere volken hebben ze bepaalde eigenschappen die je kunt vaststellen aan de hand van hun verleden en waarvan je kunt verwachten dat je ze in de toekomst opnieuw zou kunnen aantreffen. Het was gemakkelijker en het had meer te maken met het gesprek dat we voerden om te denken aan de minder gelukkige: hun ongevoeligheid voor de gevoelens van anderen (zoals maar al te duidelijk was gebleken bij hun opstelling bij het vaststellen van de grens met Polen), hun geobsedeerd zijn door zichzelf, een sterke neiging tot zelfmedelijden en een verlangen om aardig gevonden te worden.

Er werden zelfs nog minder vleiende kenmerken genoemd die permanent tot de Duitse aard zouden behoren; in alfabetische volgorde: angst, agressiviteit, intimiderend gedrag jegens anderen, egoisme, een minderwaardigheidscomplex, sentimentaliteit. Nog twee aspecten van de Duitse volksaard werden genoemd, die reden geven tot bezorgdheid over de toekomst. Ten eerste: een vermogen tot exces, tot het overdrijven van dingen, tot uit de band springen. Ten tweede: een neiging om hun eigen kracht en hun eigen kunnen te overschatten.

Een voorbeeld van dat laatste, dat van invloed was op veel van wat er vervolgens met Duitsland gebeurde, was dat de Duitsers de overtuiging hadden gehad dat hun overwinning op de Fransen in 1870 voortkwam uit een verstrekkend moreel en cultureel overwicht en niet zoals in feite het geval was uit een bescheiden voorsprong in militaire technologie.

Verouderde perceptie

Het was verstandig zich van deze kenmerken bewust te zijn. Maar onder de aanwezigen leefde ook sterk de gedachte dat de Duitsers van vandaag sterk verschillen van hun voorgangers. Er werd aangevoerd dat onze perceptie van Duitsers in feite gebaseerd is op een periode in de Duitse geschiedenis die reikte van Bismarck tot aan 1945. Dat was het tijdperk van het imperialistische Duitsland, dat werd gekenmerkt door een neurotische behoefte zichzelf te bewijzen, door een hoog geboortecijfer, door een gesloten economie en door een chauvinistische cultuur. Het land was niet werkelijk aangeslagen door het verlies in 1918, dat in Duitsland als unfair werd beschouwd. De Duitse opstelling, datgene wat in Duitsland op school werd onderwezen, de Duitse geschiedschrijving, bleven na 1918 vrijwel ongewijzigd voortbestaan, evenals het gevoel dat Duitsland een historische missie had (hetgeen de reden was dat de Duitse aristocratie Hitler had gesteund, zelfs al vond zij hem een vulgaire man). Maar 1945 had een heel ander karakter en markeerde een radicale ommekeer. Er heerste niet langer het gevoel van een historische missie, niet langer de ambitie tot fysiek veroveren, er was geen militarisme meer. Het onderwijs en de geschiedschrijving waren van aard veranderd. De nieuwe generatie Duitsers voelde zich onschuldig aan het verleden. We zouden ons over haar niet bezorgd moeten maken.

Die stelling werd niet door iedereen aanvaard. De vraag zou nog steeds dienen te worden gesteld hoe het mogelijk was dat een beschaafde en wel-opgevoede natie had kunnen toestaan dat zij werd gehersenspoeld tot barbarij. Als dat een keer was gebeurd, zou het dan geen tweede keer kunnen gebeuren? De verontrusting ten aanzien van Duitsland had niet alleen te maken met het nazi-tijdperk maar met de hele periode na Bismarck, en kon overmijdelijk tot groot wantrouwen aanleiding geven. De manier waarop de Duitsers op dit moment hun ellebogen gebruikten om zich breed te maken en de baas te spelen in de Europese Gemeenschap wekte de indruk dat er nog steeds niet veel was veranderd.

Natuurlijk hadden we allemaal bewondering voor wat de Duitsers in de afgelopen 45 jaar hadden bereikt, we waren er zelfs jaloers op, maar een feit was dat hun instituten nog steeds niet in ernstige mate te kampen hadden gehad met tegenspoed zoals een omvangrijke economische terugslag. We konden niet voorspellen hoe de Duitsers in dergelijke omstandigheden zouden reageren.

Samengevat had niemand ongemakkelijke gevoelens over de huidige leiders of over de politieke elite van Duitsland. Maar hoe zou dat over tien, vijftien, twinitg jaar zijn? Zouden dan ongelukkige karaktereigenschappen uit het verleden niet weer de kop kunnen opsteken, met even desastreuze gevolgen?

Niet helemaal gerust

We onderwierpen twee aspecten van de toekomst aan een nadere beschouwing: de gevolgen van de eenwording en Duitslands rol in oostelijk Europa.

Zelfs degenen die geneigd zijn optimisme ten toon te spreiden gaven toe dat de niet helemaal gerust waren over de vraag wat vereniging zou gaan betekenen voor het gedrag van Duitsland binnen Europa. We konden niet verwachten dat een herenigd Duitsland precies zo zou denken en handelen als de Verenigde Republiek die we nu 45 jaar hadden meegemaakt en dat gold ook nu een verenigd Duitsland bijna zeker de instituten van de BRD zou erven.

De Duitsers zullen niet noodzakelijkerwijs een gevaarlijker denkwijze aanvaarden, maar wel op een andere manier gaan denken. Er is nu al duidelijk sprake van een soort triomfantelijke ondertoon in Duitslands denken en in de Duitse opstelling, waaronder de rest van ons zich onbehagelijk voelt.

Er werd ook gerefereerd aan het commentaar van Gunter Grass: uiteindelijk zal de vereniging ervoor zorgen dat iedereen zich tegen ons keert, en we weten allemaal wat er gebeurt wanneer men tegen ons is.

Dan zijn er ook nog redenen om bezorgd te zijn over de uitwerking op een verenigd Duitsland van het incorporeren van 17 miljoen voornamelijk protestante Noordduitsers die zijn opgegroeid onder een leugenachtige orthodoxie. Welke veranderingen zou dit ten gevolge kunnen hebben voor de in het katholieke Rijnland wortelende basis van de na-oorlogse Bondsrepubliek Duitsland, waarvan het politieke en economische zwaartepunt zich steeds meer verlegde naar het zuiden en het westen? We mochten niet van de veronderstelling uitgaan dat een verenigd Duitsland even gemakkelijk in West-Europa zou passen als de BRD. Er zou een groeiende neiging zijn om het concept van Mittel-Europa te doen herrijzen, waarbij Duitsland als middelaar tussen Oost en West zou optreden. Het was opvallend dat kanselier Kohl het nu had over Duitslands partners in Oost en West. Die neiging zou kunnen worden versterkt door het effect van eenwording op het Duitse partijsysteem. De stem voor de conservatieve alliantie in Oost-Duitsland zou kunnen worden gezien als een stem voor snelle eenwording, meer dan voor de waarden en het beleid van de West-Duitse CDU. Er was een sterke pacifistisch, neutralistisch, anti-nucleair element in Oost-Duitsland, hetgeen een aanzienlijke invloed zou kunnen uitoefenen op de opvattingen van een verenigd Duitsland. Het effect zou kunnen zijn dat een verenigd Duitsland tegelijkertijd minder 'Westers' en minder politiek stabiel zou zijn dan de BRD. In het slechtste geval zouden de extremen aan beide zijden van het politieke spectrum in invloed kunnen groeien, waardoor een terugkeer naar de Weimar-politiek zou kunnnen volgen (ofschoon niemand er werkelijk van overtuigd was dat dit ook feitelijk zou gebeuren).

Verkeerde signalen

Dit leidde vrijwel automatisch tot een debat over de vraag hoe een verenigd Duitsland zich zou opstellen in Oost-Europa en welke ambities het daarin zou hebben. Men was het er algemeen over eens dat de manier waarop kanselier Kohl zich had opgesteld in de kwestie van de grens met Polen, en in het bijzonder zijn verwijzing naar de noodzaak om de Duitse minderheid in Silezie te beschermen, de verkeerde signalen had uitgezonden. Op het verleden gebaseerde bevreesdheid ten aanzien van Duitslands 'opdracht' in oostelijk en centraal Europa had zich daardoor opnieuw gemanifesteerd. Sommige uitlatingen van president Von Weizsacker hadden daartoe nog bijgedragen.

Maar de feiten zijn geruststellender. De Duitse minderheden in Oost-Europa zijn substantieel in aantal geslonken en de meeste ervan verlangen eerder om zich binnen de grenzen van Duitsland te vestigen, dan dat ze de grenzen van Duitsland in hun richting willen verleggen. De Duitsers zelf zouden er meer belang bij hebben dat de minderheden blijven waar zij zijn dan dat zij hen zouden aanmoedigen terug te keren. Ze beschikken derhalve over een stok achter de deur om substantiele steun te verlenen aan Oost-Europa.

Er is niets dat erop wijst dat Duitsland van plan is meer territorium voor zich op te eisen, tenminste niet voor zover dat voorzien kan worden. Voor zover er grensgeschillen zouden kunnen ontstaan, zouden die voortkomen uit het feit dat in vergelijking rijke Duitsers land en eigendommen gingen opkopen in het armere Polen en Tsjechoslowakije (waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de Poolse grens maar op 40 minuten rijden ligt van de vermoedelijke hoofdstad van een verenigd Duitsland). In een bredere context is het waarschijnlijk dat Duitsland inderdaad economisch een dominante rol zal spelen in oostelijk en centraal Europa. Maar dat is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als onderwerping. Noch impliceert het dat een verenigd Duitsland nu economisch voor elkaar krijgt wat Hitler met militaire middelen niet was gelukt. Er zijn ongetwijfeld nog elementen die geloven dat Duitsland een 'opdracht tot beschaven' in oostwaartse richting heeft. Maar het is een feit dat de aandrang tot een economische aanwezigheid van Duitsland evenzeer van de Oosteuropeanen komt als van de Duitsers zelf.

De Oosteuropeanen maakten zelf duidelijk dat zij Duitse hulp en Duitse investeringen verlangen en nodig hebben; en dat is waarschijnlijk ook de enige manier om Oost-Europa weer op poten te zetten en te doen herleven ('Er is maar een ding erger dan uitgebuit worden, en dat is niet uitgebuit worden'). Het kan inderdaad als ironie worden beschouwd dat Oost-Europa na 1945 vast van plan was nooit meer van Duitsland afhankelijk te zijn en dat het nu, na 45 jaar communisme, meer afhankelijk is dan ooit. Maar desalniettemin staat de zaak er zo voor. De Oosteuropeanen zouden misschien de voorkeur geven aan een Britse of Franse aanwezigheid. Maar geen van beide was bereid toereikende middelen toe te zeggen.

Structuur voor de toekomst

Gegeven het feit dat we op korte termijn worden geconfronteerd met een veel groter en machtiger Duitsland, moeten we overwegen wat voor soort Europees bouwwwerk het geschikst zou zijn om de zegenrijke aspecten ervan aan te moedigen en de ongewenste gevolgen ervan te verminderen.

Overwegingen ten aanzien van de Oost-West-verhouding gaven de deelnemers aan het gesprek aanleiding tot de meeste bezorgdheid. Er is een neiging bij de Duitsers om te doen of het aan hen te danken is dat de eenwording tot stand is gekomen. In feite zou de verdienste daarvoor op rekening van de bevolking van Oost-Europa en op die van Gorbatsjov moeten worden geschreven. Zij zijn degenen die de voorwaarden hebben geschapen waaronder eenwording een feit kon worden. Tot wat voor oplossing we ook zouden besluiten of het nu over Duitsland ging of over de huidige problemen in Litouwen hun belangen en bovenal Gorbatsjovs positie moesten daarin een rol spelen. Dat zou vooral zijn uitwerking hebben op de veiligheidsafspraken die gaan worden gemaakt voor de voormalige DDR in een verenigd Duitsland. We kunnen de Russische troepen niet zonder meer de grens over zetten.

Tot op zekere hoogte lopen de belangen van de Sovjet-Unie en van Oost-Europa parallel met die van het Westen. Wij wilden dat Duitsland gebonden zou worden aan een veiligheidsstructuur die de beste garantie gaf dat een herleving van Duits militarisme vermeden werd. Wij wilden een voortdurende Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa als een tegenwicht voor de macht van Duitsland. Wij wilden eveneens beperkingen opgelegd zien aan de omvang van de Duitse gewapende eenheden, bij voorkeur zelf opgelegd door een verdere overeenkomst van de CVSE (Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa). Wij zouden een hernieuwde toezegging willen zien waarin Duitsland zich de aanschaf van nucleaire en chemische wapens ontzegt. We zouden de Sovjet-Unie via bestaand overleg willen betrekken bij besprekingen over de toekomstige veiligheid van Europa door de CVSE, niet in de laatste plaats omdat op de lange termijn (en in de veronderstelling dat de ontwikkelingen in de richting van democratie doorgaan) de Sovjet-Unie de enige machthebber in Europa zou zijn in staat om een tegenwicht te vormen tegen Duitsland.

Dat alles zou leiden tot de veronderstelling dat er een afspraak gemaakt kan worden waarbij een verenigd Duitsland in de NAVO zou kunnen blijven, met een overgangsregeling waarbij het aan de Sovjet-Unie zou worden toegestaan te proberen troepen in Oost-Europa te houden. Het zou ook leiden tot een voorkeur voor het uitbreiden en versterken van CVSE (dat mogelijk een directoraat zou kunnen krijgen gebaseerd op de Vijf). Het idee dat een verenigd Duitsland lid zou zijn van zowel NAVO als Warschaupact kwam ook ter tafel, maar werd vrijwel ogenblikkelijk terzijde geschoven.

Op onze hoede

Maar er zijn reele risico's dat de situatie zich op een andere manier zal ontwikkelen. Een daarvan is dat Gorbatsjov gedwongen zou kunnen worden geweld te gebruiken in Litouwen of in een soortgelijke situatie; of dat zijn nalatigheid om dat te doen zou leiden tot zijn vervanging door een veel minder gematigd leider. Dat risico was een van de redenen waarom het zo belangrijk was om aan de bestaande structuur van de NAVO vast te houden: het feit dat de zaken het laatste jaar zo waren gelopen als het Westen graag zag ontsloeg ons niet van de verplichting op onze hoede te zijn voor iets veel ergers.

Een ander en mogelijk veel waarschijnlijker gevaar is dat de Sovjet-Unie de discussie in de Twee plus Vier-groep (de twee Duitslanden, Groot Brittannie, de VS, de Sovjet-Unie en Frankrijk) over het lidmaatschap van de NAVO van een verenigd Duitsland en de aanwezigheid van kernwapens in Duitsland, zou gaan misbruiken zodat ze een rol zouden gaan spelen in de Westduitse verkiezingscampagne. De algemene mening was dat de publieke opinie in Duitsland op beide punten als kwetsbaar dient te worden gezien, maar vooral op het punt van kernwapens.

De grootste angst was dat de NAVO uit elkaar zou gaan vallen als gevolg van de verkiezingen in Duitsland. De meer positief ingestelden voerden aan dat dit gevaar alleen maar onderstreept hoe belangrijk het is dat de kwestie van het NAVO-lidmaatschap van een verenigd Duitsland zo snel en afdoend mogelijk wordt afgedaan.

Kijkend naar de langere termijn leek het iedereen verstandig de CVSE op te waarderen, niet in de laatste plaats omdat het een manier biedt om geschillen tussen nationale minderheden in oostelijk en centraal Europa te beheersen en naar een compromis te leiden.

De Europese Gemeenschap was verrassend genoeg nauwelijks onderwerp van gesprek. Het gedrag van Duitsland binnen de EG 'we betalen, dus moeten we onze zin krijgen' werd door sommigen gezien als een voorbode van Duitslands economische dominantie over West-Europa.

De meningen liepen uiteen over de de vraag hoe oprecht de Duitsers zijn als ze zeggen dat ze een meer geintegreerd Europa willen, parallel aan de vereniging. Is dat alleen maar tactiek om anderen gerust te stellen? Of een oprecht verlangen om de latent nationalistische gevoelens van een verenigd Duitsland in een bredere context te dwingen? Dat laatste is niet geheel overtuigend, gezien het feit dat de hele structuur van de EG zo is ingericht dat aan Duitse dominantie tegemoet wordt gekomen, vooral op monetair gebied. Een argument dat daartegen werd aangevoerd, was dat hoe assertiever Duitsland wordt, hoe gemakkelijker het zou kunnen worden om verbintenissen tegen Duitsland aan te gaan over specifieke onderwerpen binnen de Gemeenschap.

Voorzichtig optimisme

Wat was de vrucht van dit alles? Formele conclusies werden niet getrokken. De bewijsvoering en redeneringen overwegend leek de balans door te slaan in het voordeel van degenen die optimistisch zijn over het voortbestaan met een verenigd Duitsland. We werden ernaan herinnerd dat in 1945 ons doel was geweest een verenigd Duitsland, ontdaan van zijn oostelijke provincies maar onder democratisch en niet-communistisch bewind, waarbij de staten van oostelijk Europa naar believen konden kiezen voor hun eigen regering(svorm). In 1945 hadden we dat niet gekregen, maar nu wel. We zouden eerder blij dan verontrust moeten zijn, derhalve. We werden er ook aan herinnerd dat antagonisme tussen Engelsen en Duitsers sinds de val van Bismarck schade heeft toegebracht aan Europa als geheel en dat het daarom niet de kans moest krijgen opnieuw de kop op te steken. Duitsers mochten dan misschien meer dan wie ook hun gebreken en hun ongelukkige eigenschappen hebben, maar anders dan in het verleden waren ze nu veel sneller om dat ook te erkennen en zelf toe te geven.

De centrale boodschap was onmiskenbaar: we moeten aardig zijn voor de Duitsers. Maar zelfs de optimisten voelden zich niet helemaal gelukkig. Niet vanwege het heden of de onmiddellijke toekomst, maar vanwege datgene wat ons mogelijk te wachten staat en wat we nu nog niet kunnen voorzien.

    • Hieke Jippes