WESTERBORK

Willy Lindwer kreeg bekendheid met de indrukwekkende documentaire-film en het gelijknamige boek De laatste zeven maanden, vrouwen in het spoor van Anne Frank. De film werd in 1988 in de Verenigde Staten bekroond met de Emmy Award voor de beste internationale documentaire. De TROS gaf Lindwer opdracht ter gelegenheid van het herdenkingsjaar 1990 een film te maken over Westerbork, die op 4 mei jl. werd uitgezonden. Het gelijknamige boek Kamp van hoop en wanhoop bevat een complete weergave van de gesprekken die hij voor de film voerde met zeventien personen. De getuigen hebben volgens Lindwer' in de loop der jaren voldoende afstand genomen om een genuanceerd oordeel over het kampleven te kunnen geven'.

Hieruit blijkt dat hij niet zozeer informatie als wel een oordeel van zijn gesprekspartners verwacht. Bovendien lijkt hij zich niet te bekommeren om mogelijke vertekeningen in de herinnering als gevolg van de werking van het geheugen. Hij verklaart een reeks aspecten te zullen behandelen die tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Zo laat hij iemand aan het woord die deel uitmaakte van de Ordedienst, de interne joodse kamppolitie die uit Duitse joden bestond. Mede hierdoor was de relatie tussen de Nederlandse en de Duitse joden in Westerbork niet zonder spanningen. Lindwer voelde klaarblijkelijk de behoefte korte metten te maken met deze waarachtig toch niet eenvoudige problematiek en verklaart:' De OD als zodanig treft geen enkele blaam'.

Dan is een voormalig lid van de Ordedienst, Hans Margules, heel wat genuanceerder:' Ik kan heel goed begrijpen dat het voor die Nederlandse joden net was of wij met de Duitsers samenwerkten. Ook dat we soms een stok moesten dragen kwam hard aan. Dat zag er heel wreed uit, alsof we de mensen zouden slaan. Maar dat hoorde gewoon bij het uniform.'

Hij is ook nog eens verbluffend eerlijk, wanneer hij ronduit toegeeft:' We vonden het niet zo tragisch dat wij als joden mee moesten om andere joden weg te halen, het was gewoon weer iets wat we moesten doen. Zo kwamen we het kamp nog eens uit.' Interessant is ook wat een aantal getuigen vertelt over het werk van de afdeling, die belast was met de zorg voor de religie, het onderwijs en het weeshuis. Over het geheel genomen is het boek echter nogal teleurstellend. In gedrukte vorm zijn te veel interviews niet bijster boeiend. Waar Lindwer zelf aan het woord komt, zijn de adjectieven 'dramatisch' en 'tragisch' niet van de lucht. Hij is vervuld van verontwaardiging over de Holocaust en van betrokkenheid bij de slachtoffers en wil dit koste wat kost uitdragen. De meeste indruk maken de verhalen van sommige getuigen. Zo vertelt Trudel van Reemst-de Vries, die in Westerbork kraamverpleegster was, hoe een te vroeg geboren jongetje, Michieltje, in het zieknhuis de beste medische zorg ontving. Gemmeker, de commandant van Westerbork, leek zich het lot van het kind aan te trekken. Hij liet een kinderarts uit Amsterdam overkomen en bestelde een couveuse. Dagelijks kwam Gemmeker persoonlijk kijken hoe Michieltje het maakte. De moeder was overigens al op transport gesteld; omdat zij haar baby niet zoogde, was er geen reden haar langer in Westerbork te houden. Tot groot genoegen van de verpleegsters ging het met Michieltje de goede kant op. Toen hij zes pond woog, ging hij op transport. Voor de Arbeitseinsatz.