SOLDAATJE SPELEN IN LONDEN

Het restant van de Nederlandse landmacht dat na de capitulatie in mei 1940 Engeland wist te bereiken, onderging een allesbehalve bondgenootschappelijke behandeling. Nederland had dan wel - in de ogen van sommige Britse autoriteiten - noodgedwongen de zijde van het Britse Rijk gekozen, de geruchten over een omvangrijke Duitse vijfde colonne, die door Nederlandse ministers en diplomaten in het openbaar bevestigd waren, hadden de Britse militaire autoriteiten zeer voorzichtig gemaakt. Bij hun aankomst in Engeland ervoeren de Nederlandse militairen de ontwapening, onderbrenging in een tentenkamp in Wales en verhoren door Britse militairen als een vernedering.

Het personeel van de Koninklijke Marine dat met een grote hoeveelheid schepen naar Groot-Brittannie ontkwam, ondervond een andere, meer bij de verse bondgenootschappelijke verhouding passende bejegening. Voor de Marine was het niet zozeer een vraag hoe men de oorlog moest voortzetten. Het was vanzelfsprekend, dat dit gebeurde in samenwerking met en onder operationeel bevel van de Royal Navy. Alles bijeengenomen was dit een geenszins benijdenswaardige uitgangsstelling voor het voeren van een militair beleid.

Neuman stelt zich ten doel dat militaire beleid van de Nederlandse regering in ballingschap te beschrijven. Het gaat hem er niet om de gebeurtenissen te verklaren of in een bepaald kader te plaatsen. Hij snijdt alle aspecten van het militaire en veiligheidsbeleid aan, maar laat na de achtergronden van en mogelijke verbanden tussen verschillende onderdelen aan te geven.

ANIMOSITEIT

Op zichzelf was het Nederlandse veiligheidsbeleid een uiterst gecompliceerd onderwerp, waarvan Neuman wel de elementen ten tonele voert, maar jammer genoeg nalaat ze aaneen te leggen tot een geheel. In de eerste plaats waren de politieke en militaire autoriteiten die bij de besluitvorming waren betrokken, gevestigd in Groot-Brittannie, de Verenigde Staten, Australie en op Ceylon. Ook de personele factor speelde een belangrijke rol in de gecompliceerdheid van het beleid. Allereerst was er de traditionele rivaliteit tussen de KL en KM, die zich in het eerste Londense jaar vooral manifesteerde in de animositeit tussen de zwakke minister van Defensie, Dijxhoorn, en de eigenzinnige Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, vice-admiraal Furstner. Koningin Wilhelmina had geen vertrouwen in Dijxhoorn en voer op het kompas van Furstner. Dit leidde ertoe, dat zij haar minister van Defensie nagenoeg negeerde en hem ten slotte provoceerde tot ontslag.

Het was echter niet alleen Dijxhoorn die het bij de koningin had verkorven. Ook de officieren van de generale staf hadden bij haar geen krediet op grond van verhalen over de gang van zaken op het Algemeen Hoofdkwartier tijdens de meidagen. In feite kon de leiding van de KL en de staf van het ministerie van Oorlog (ontstaan na de oprichting van het ministerie van Marine onder Furstner in de zomer van 1941) bij het staatshoofd geen goed meer doen. Na de benoeming van Van Lidth de Jeude tot minister van Oorlog in september 1942 kwam in deze situatie zeer langzaam verandering.

Een andere complicerende factor was Van Mook als minister van Kolonien. Furstner en Van Lidth de Jeude wantrouwden hem, maar voor de Indische verdediging konden zij niet om hem heen. Vice-admiraal Helfrich, sinds maart 1942 Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (vanwege het gering aantal troepen dat hij onder zich had werd BSO ook wel omschreven als Bevelhebber der Schamele Overschotten), demonstreerde tegenover Van Mook eerder een nog afwijzender houding. Voeg daarbij Gerbrandy als een niet-krachtige voorzitter van de ministerraad en de Ministeriele Commissie Oorlogvoering en twee zwakke regeringsvertegenwoordigers bij de Combined Chiefs of Staff in Washington (deze nam alle vitale beslissingen voor de geallieerde oorlogvoering), dan wordt duidelijk hoe moeilijk het was beslissingen te nemen.

WEINIG RECRUTEN

De regering in Londen werd geconfronteerd met een uiteenlopend aantal militaire en veiligheidsvraagstukken. Op de eerste plaats kwam de deelneming aan de geallieerde oorlogvoering met het beschikbare personeel. Veel was dat niet en vanwege de bezetting van het overgrote deel van het eigen grondgebied was uitbreiding van het personeel een bijna onmogelijke opgave. Ook de Engelandvaarders uit bezet gebied brachten daarin geen verandering. Veel tijd en energie stak de regering in de voorbereiding van de opbouw van de strijdkrachten na de bevrijding van Nederland, want over een ding was men het in elk geval eens: de militaire bijdrage aan de bevrijding van Nederland moest beperkt blijven tot de Prinses Irene Brigade, maar in de bevrijding van Nederlands-Indie en de oorlogvoering in het Verre Oosten moest Nederland een substantieel aandeel nemen. Deze benadering sloot aan bij de vrees dat herstel van het Nederlands bestuur in Indie niet zeker was, wanneer niet onmiddellijk na de bevrijding het Nederlandse gezag ter plaatse zou zijn voor de handhaving van orde en rust. Personeel voor de benodigde eenheden moest meteen na de bevrijding in Nederland worden geworven en opgeroepen zodat de training van een mariniersbrigade, een groot aantal gezagscompagnieen voor Nederlands-Indie en een vijftal divisies voor de strijd tegen Japan kon beginnen. Binnen een jaar na de geallieerde overwinning in Europa moesten de eerste Nederlandse eenheden in het Verre Oosten kunnen worden ingezet. Een stafcommissie onder leiding van de chef van de Marinestaf Termijtelen werkte deze plannen uit.

Kapitein KNIL Coppens deelde uitgangspunten van de stafcommissie niet. Hij wees op het machtspolitieke element in de oorlogvoering en meende, dat de regering niet naief moest zijn door te veronderstellen dat de geallieerden in het Verre Oosten identieke belangen hadden. Coppens meende dat de Britse en Amerikaanse belangen tegen de Nederlandse konden indruisen. Het was dan ook onjuist te veronderstellen, dat het Nederlands gezag in Indie zou worden hersteld als Nederland maar braaf en ijverig aan de oorlogsinspanning tegen Japan meedeed. Coppens adviseerde alle strijdkrachten in te zetten voor' onze aanspraken op de Archipel', maar hij vond geen gehoor.

Evenals in de algemene politiek ten aanzien van Indie speelde ook bij de militaire politiek de strijdvraag of de regering bij de Amerikaanse of Britse autoriteiten moest aankloppen om de opleiding van trainingskader voor de nieuwe strijdkrachten en hun materiele uitrusting te regelen. Nadat opleidingscapaciteit en uitrusting van de mariniersbrigade bij de Amerikanen waren verzekerd, sloeg de twijfel toe. Volledig de Amerikaanse kaart spelen, zou mogelijkerwijs de Britten ontstemmen. Het einde van het met veel energie gevoerde debat in eigen kring was een aanvraag bij de Combined Chiefs of Staff in Washington, waarin geen voorkeur werd uitgesproken en de keuze aan de Britse en Amerikaanse militaire leiders gelaten werd. Van krachtige ondersteuning van het Nederlandse plan door de regeringsvertegenwoordigers was geen sprake. De CCOS besliste dat opleiding onder Britse verantwoordelijkheid zou gebeuren en dat uitrusting zoveel mogelijk uit overtollige voorraden na de overwinning in Europa moest komen.

SCHEPEN VRAGEN

Het militaire beleid concentreerde zich niet uitsluitend op de bevrijding van Nederlands-Indie. Voor de aanvulling van de marine werd in het voorjaar van 1944 een plan ingediend bij de CCOS. Het omvatte een vloot van honderd schepen, waaronder twee hulpvliegkampschepen, twee zware kruisers, vier lichte kruisers, torpedobootjagers en landingsschepen. Ook hier verwees de CCOS naar de Britse regering voor de effectuering van de plannen. Ook voor de opbouw van de luchtmacht werd een blauwdruk opgesteld. Ten aanzien van de landmacht waren voor de legervorming eveneens plannen uitgewerkt, maar deze kregen vanwege de overheersende aandacht voor de vorming van eenheden voor de oorlog in het Verre Oosten nauwelijks aandacht.

Het is opvallend dat bij de ontwikkeling van deze plannen voor de structuur van de naoorlogse strijdkrachten de vraag naar de toekomstige internationale positie niet werd gesteld. Het plan van minister van Buitenlandse Zaken, Van Kleffens, voor regionale veiligheidsorganisaties, dat in de loop van 1942 in Washington tijdelijk enige belangstelling leek te wekken, noch andere plannen voor de handhaving van de internationale vrede zoals de plannen voor de United Nations Organisation, beinvloedden deze militaire planning. Of het opbouwen van een zelfstandige strijdmacht na de ervaringen van 1940 zinvol was, kwam evenmin aan de orde.

De militaire planning was onder invloed van enkele omstandigheden grotendeels in handen gekomen van officieren van de marine. Furstner nam in 1941-1942 een sterke positie in als minister van Marine terwijl het ministerie van Oorlog slechts werd bemand door een zwakke minister ad interim. De ambtelijke voorbereiding van de militaire terugkeer werd in handen gelegd van de kolonel der mariniers De Bruyne, hoewel die terugkeer toch in de eerste plaats een landmachtzaak zou zijn. De stafcommissie die in 1943 het plan voor de deelneming aan de oorlogvoering in het Verre Oosten na de bevrijding van Nederland uitwerkte, stond onder voorzitterschap van de chef van de marinestaf, vice-admiraal J. W. Termijtelen. De dominante positie van de Koninklijke Marine was ook het gevolg van de houding van koningin Wilhelmina tegenover officieren van de Koninklijke Landmacht en met name die van de generale staf. Slechts op een terrein kon de KL zich handhaven, namelijk het Militair Gezag. Bij de voorbereidingen onder leiding van majoor H. J. Kruls kwam in de loop van 1943 en 1944 een omvangrijk tijdelijk militair bestuursapparaat tot stand, dat voorbestemd was samen te werken met de geallieerde militaire autoriteiten in de fase van de geallieerde bevrijdingsoperaties. Dit kortstondige militaire bestuursapparaat werd echter vooral bemand met burgers die voor de gelegenheid voorzien werden van een militaire rang. Van een echt militair apparaat was dus geen sprake.

CONFLICTEN

Het militaire beleid van de regering in Londen werd gedomineerd door de actualiteit, door de onmiddellijke problemen. De terugkeer naar Nederlandsch Indie was het voornaamste vraagstuk. Het kreeg dus alle aandacht en bracht alle botsingen en conflicten met zich die van oudsher in de besluitvorming rond Nederland-Indie waren opgetreden. In de periode 1940-1945 werden die conflicten versterkt doordat conservatieve en autoritaire gezagsdragers als Furstner en Helfrich in de besluitvorming een grote rol speelden, terwijl Van Mook vanwege zijn streven naar een autonome positie voor Indie ook bij verhoudingsgewijs meer verlichte geesten geen of zeer weinig vertrouwen genoot.

Het zou voorbarig zijn uit de interne Nederlandse tegenstellingen over het te voeren veiligheids- en militaire beleid de conclusie te trekken dat eenstemmigheid over de te volgen koers en bijvoorbeeld krachtiger persoonlijkheden als vertegenwoordigers bij de Combined Chiefs of Staff tot meer resultaten zouden hebben geleid. Nederland was meer nog dan in de vooroorlogse periode in 1940-1945 voor de verwezenlijking van zijn militaire beleid afhankelijk van de medewerking van andere landen, c.q. de Amerikaanse en Britse bondgenoten. In hun optiek vervulde Nederland in de oorlogvoering geen essentiele rol. Het kon die ook niet spelen vanwege gebrek aan potentieel.

Impasse in Londen bevat veel informatie rond het militaire beleid in de jaren 1940-1945, maar het ontbreekt aan goede ordening en duiding. Gevolgtrekkingen of analyses als hiervoor gegeven, zoekt men tevergeefs. De vele anekdotes zijn lang niet altijd relevant en binnen de hoofdstukken wordt nog al eens van het ene onderwerp overgestapt naar het volgende, zonder dat de onderlinge samenhang duidelijk wordt gemaakt. Zo blijft het een vraag waarom in hoofdstuk 22 het Amerikaanse anti-imperialisme in het Verre Oosten, Helfrichs vergeefse pogingen de geallieerde militaire plannen voor de oorlog tegen Japan te achterhalen, de Nederlandse pogingen actief betrokken te worden bij de werkzaamheden van de European Advisory Commission, de behandeling van Duitsland en de Nederlandse reactie op de Dumbarton Oaks-voorstellen voor de UNO achtereenvolgens worden besproken. Door deze wat losse structuur van het boek dreigt ook de nieuwe informatie die Neuman in de archieven heeft gevonden, onvoldoende tot haar recht te komen. Ook is het te betreuren dat Neuman steunt op memoires als Belevenissen van minister Van Kleffens en Generaal in Nederland van Kruls terwijl er betrouwbaarder andere informatiebronnen ter beschikking staan.