'Reorganisatie op Braks' ministerie mist duidelijk doel'

DEN HAAG, 14 juli Minister Braks (landbouw, natuurbeheer en visserij) wil dat door elk onderdeel van zijn departement serieus aandacht aan de milieuproblematiek wordt gegeven. Dat was een van de redenen waarom tot enkele structurele wijzigingen in het ambtelijk apparaat is besloten.

Aan deze door secretaris-generaal mr. T. H. J. Joustra uitgedachte reorganisatie ontbreekt volgens de milieubeweging echter nog steeds een duidelijke, centrale milieu- en natuurdoelstelling. Reden waarom het volgens haar een illusie is om van Braks' ministerie werkelijk effectief natuurbeleid te verwachten.

De herschikking van taken op het gebied van natuur, milieu, bos en landschap vloeit, zo schrijft Joustra, voort uit de 'krachtige intensivering' van milieuzorg en -beleid door het Nationaal milieubeleidsplan (NMP en NMP-plus) van minister Alders (milieubeheer) en door Braks' Structuurnota landbouw en diens Natuurbeleidsplan waarmee het kabinet onlangs akkoord is gegaan. Sinds het kabinet op die lijn zit moeten milieu- en natuurbeleid bij het ministerie van landbouw een centralere rol gaan spelen.

Ondanks die doelstelling en ook het feit dat de vorig jaar uitgebreide naam van het ministerie (nu: landbouw, natuurbeheer en visserij) dat suggereert, is er naar minister Braks enkele weken geleden zei geen noodzaak tot instelling van een apart directoraat-generaal voor natuur-en milieubeheer. Braks meent namelijk dat de zorg voor landschap, milieu en natuur door het directoraat-generaal voor landelijke gebieden en kwaliteitszorg onder leiding van mr. J. P. van Zutphen voldoende wordt behartigd.

Volgens directeur P. Nijhoff van de Stichting natuur en milieu heeft Braks de aandacht voor natuurbescherming heel lang als bijzonder hinderlijk ervaren en dat ook met zoveel woorden uitgesproken. Een voormalig hoofdambtenaar natuurbeleid van het ministerie die niet met naam genoemd wil worden, voegt daaraan toe dat de minister inderdaad 'geen warmkloppend hart' voor het natuur- en milieubelang had, maar daaraanin politieke zin en tegen de stroom van zijn ambtenaren op, toch hard heeft gewerkt.

Nu wordt er dan een departementale reorganisatie doorgevoerd. De directie 'Natuur, milieu en faunabeheer' die onder leiding van plaatsvervangend directeur-generaal drs. J. B. Pieters de opstelling van het Natuurbeleidsplan voor elkaar heeft gekregen, wordt opgesplitst. De milieupoot gaat naar de directie Voedings- en kwaliteitsaangelegenheden, die straks 'Milieu, kwaliteit en voeding' zal heten. De taken voor natuur en faunabeheer worden in een nieuwe directie gecombineerd met die voor bos en landschap. Verder krijgt de Landinrichtingsdienst, die zich traditioneel gezien vooral op het gebied van agrarische ruilverkavelingen bewoog, gevarieerder werk te doen doordat zij zich ook met de aanleg van nieuwe natuurgebieden (natuurontwikkeling zoals van de Oostvaardersplassen) mag gaan bezighouden.

Secretaris-generaal Joustra meent dat de nieuwe opzet niet alleen nodig is voor de realisering van de 'ecologische hoofdstructuur' (het idee uit het Natuurbeleidsplan om tot een landelijke aaneensluiting van natuurgebieden te komen) en om overlappingen tussen natuur- en landschapsbeleid te vermijden, maar ook voor de scheiding van beleids- en uitvoeringstaken bij het ministerie. Vooral dit laatste, als ook de loskoppeling van milieu- en natuurtaken, doet directeur Nijhoff van de Natuur en Milieu vermoeden dat Joustra's 'herschikking' vooral door organisatorische redenen is ingegeven. Denkend aan Braks' politieke mestprobleem had Nijhoff graag gezien dat de geintegreerde directie Natuur, milieu en faunabeheer nog wat was opgetuigd en de milieupoot daar niet zou zijn weggehaald.

Volgens Natuur en Milieu stammen de problemen die het ministerie met natuurbescherming en landschapsbehoud heeft uit 1982. Bij de kabinetsformatie van dat jaar werd de politieke verantwoordelijkheid op die gebieden op voorstel van kabinetsinformateur J. de Koning (CDA) overgebracht van het ministerie van CRM naar dat van Landbouw. De bedoeling was dat door onderbrenging van uiteenlopende belangen binnen een ministerie de vroegere polarisatie tussen twee departementen zou verminderen. We werden ingekwartierd bij de vijand, herinnert de voormalige-hoofddirecteur ir. F. C. Prillevitz van CRM zich uit die tijd toen hij en 200 van zijn ambtenaren naar Landbouw werden verhuisd.

Van vermindering van de polarisatie was geen sprake. Zij werd slechts verplaatst, zegt Nijhoff. Verder wijst hij erop dat natuur- en landschapsbescherming bij Landbouw niet uit de verf kwamen door de vergaande interne organisatorische vervlechtingen als ook door financiele en personeelstekorten. Om die reden heeft Natuur en Milieu, ook nog bij de kabinetsformatie van 1989, er steeds (vruchteloos) voor gepleit dat deze overheidstaken bij de minister van ruimtelijke ordening en milieubeheer zou worden ondergebracht.