Poolse jeugd; 'Voor veel jongeren is geweld het enigeargument'

Polen moet worden gezuiverd van afwijkende elementen, joden, kleurlingen, anarchisten. Wij zijn er trots op als Polen te zijn geboren en we verdedigen die trots. Ons favoriete doelwit zijn heavy metal fans, punks en anarchisten. Punks stinken, ze snuiven lijm en leven als beesten. Ze wijken af van de norm. Zwarten zijn een bron van AIDS, homo's zijn gedegenereerd. Polen moet gezond worden. Hoe meer variatie, hoe zwakker de staat. Ik ben voor een sterk leger. Ik zou zelfs bij de geheime dienst zijn gegaan om de orde te verdedigen. De joden zijn het grootste gevaar. Ze zitten op onze hoofden. Ze zijn vies. Kijk maar naar de films over de oorlog. De fascisten zijn schoon en gezond. We slaan veel, ja. Ons motto is: als ze niet bang voor je zijn lachen ze je uit.

Zbigniew, 18, lid van de Poolse Socialistische Partij voor een Democratische Revolutie: We gaan de straat op omdat we nergens anders heen kunnen. Vroeger hadden de communisten het monopolie, nu heeft Solidariteit het. Solidariteit heeft ons verraden door het compromis met de communisten. Het communistische systeem is gevallen toen de mensen de straat op gingen. We willen het huidige regime ook door straatprotesten ten val brengen. Eerst werpen we het omver, daarna rekenen we af met de communisten, het ministerie van binnenlandse zaken, de geheime politie en een aantal leden van Solidariteit. Maciej, 18, lid van het Sociaal Bevrijdingsfront: Waarom we rellen schoppen? We protesteren tegen prijsstijgingen en de introductie van buitenlands kapitaal. We willen ook de bejaarden steunen, zij kunnen de situatie niet aan.

Eerlijk gezegd vind ik minister van financien Balcerowicz wel sympathiek, maar de huidige prijzen zijn vreselijk, en daarom gaan we de straat op. We zijn niet volledig tegen sommige dingen. We hebben over sommige dingen geen duidelijk standpunt. We zijn verward. Ik was zeven jaar oud in 1981, toen de communisten een oom van mij vermoordden tijdens de staking in de Wujek-mijn. Ik heb me later voorgenomen tegen de autoriteiten te vechten. Daarom ben ik tegen een compromis met de Roden. Wie het met de Roden eens wordt, wordt zelf een Rode. Jongeren zijn passief. We noemen hen discomaniakken. Ze hebben alleen belangstelling voor popmuziek, buitenlandse kleren en meisjes. Mijn omgeving is zo slecht dat ik een junkie of een dief zou zijn geworden als ik me niet met rellen zou hebben ingelaten. Ik zal heel teleurgesteld raken als onze demonstraties niets opleveren. Jacek, 18: Ik ga naar rellen omdat ik dat leuk vind. Ik ga voor het politiecordon staan en kijk hoe bang ze worden. Ik ben het niet. Wat kunnen ze me aandoen? Op zijn hoogst krijg ik een paar klappen. Alles is tegenwoordig mogelijk. Ik heb aan rellen meegedaan onder de communisten, ik doe aan rellen mee onder Solidariteit. Ik hou van geen van beiden. Ik praat ook niet met jou. Jouw krant is ook zo'n verzameling leugens.

Straatgeweld

In de laatste jaren van het socialisme, zeker vanaf de uitroeping van de staat van beleg in 1981, waren skinheads en punks, straatgeweld en vechtpartijen tussen jongeren en de oproerpolitie voor de Polen geen nieuws: de jeugd was gedesillusioneerd en ze was dat met reden, want de ruine waarin het socialisme Polen herschiep bood op geen enkel gebied perspectieven.

Na de val van het socialisme is het straatgeweld evenwel gebleven. Erger nog: het neemt toe en het neemt een onfris karakter aan. Toen op 1 mei een bonte verzameling van rechtse en extreem-rechtse politieke partijen in het Warschause Cultuurpaleis een congres hield, werd de bewaking van de orde overgelaten aan een groep met knuppels bewapende skinheads, die heel Polen choqueerden door openlijk met fascistische symbolen als hakenkruizen en nazi-vlaggen rond te lopen. Dat provocatieve gedrag mag in het Westen gemeengoed zijn, in Polen is het dat niet, en Polen is altijd nog het land dat in relatie tot de omvang van zijn bevolking in de oorlog het meest heeft geleden. Weliswaar konden de Polen op hun tv gadeslaan hoe de skinheads flink klop kregen van met zwarte zakdoeken gemaskerde anarchisten, maar erg plezierig was het allemaal niet.

Wat bezielt de Poolse jeugd, nu de democratie is losgebroken? Weinig eigenlijk. De Poolse jeugd laat het voornamelijk afweten. Een vreemde paradox: economisch en politiek is alles mogelijk, alle vrijheden waar men vroeger van droomde en waar men vroeger voor vocht zijn gerealiseerd, inclusief de vrijheid een eigen bedrijf te beginnen - en toch lijkt er een deken van onverschilligheid, apathie en ontevredenheid over de Poolse jeugd te zijn gelegd. De jeugd wordt geacht progressief te zijn en zich op de toekomst te richten. Maar hier in Polen wordt met louter nostalgie naar het verleden gekeken, naar de tijd toen er nog een vijand was, naar de tijd van het totalitarisme, van de barricaden en de echte helden.

Bureaucratie

Jerzy Wertenstein-Zulawski is socioloog, een belangrijk man binnen Solidariteit en hij werkt bij een staatsinstituut, de Culturele Raad, waar hij zich vooral met jeugdproblemen bezighoudt. Die paradox, zegt hij, is niet werkelijk een paradox, om de eenvoudige reden dat de gewone burger, en de gewone jongere, van alle veranderingen in de samenleving voorlopig niets merkt.' Hoeveel problemen heb je nog steeds als je iets nieuws wilt beginnen? Je komt er uiteindelijk wel, maar dat was vroeger ook zo. Er zijn dezelfde afdelingen die moeilijk doen, dezelfde administratieve beslissingen, dezelfde bureaucratie, en om een bedrijf te beginnen heb je altijd nog een onderkomen nodig waar je door de woningnood niet aan komt. Een volwassene kan van huis uit werken, een jongere niet. Je hebt geld nodig. Hoe kom je aan geld als er nog geen commerciele banken zijn?' De jeugd voelt zich in de steek gelaten, zegt Wertenstein-Zulawski. Er is een revolutie geweest. Er zijn verwachtingen gewekt. Maar voor de jeugd is niets gedaan.' Dit is een paternalistische samenleving. We hebben een koude, kille school zonder individuele benadering. We hebben ouders die het te druk hebben om zich met hun kinderen te bemoeien, een kerk die niets of te weinig doet, een staat die niets doet. De jeugd kan nergens terecht.'

Er zijn weinig disco's, weinig jeugdhuizen, weinig mogelijkheden om bezig te zijn, zeker buiten Warschau. Wertenstein-Zulawski:' Kinderen worden op school afgebeuld en maken dan hun huiswerk. Zie je kinderen op straat? Je ziet alleen een grijze menigte van middelbare leeftijd. Voor zover de jeugd tijd heeft hangt ze rond in de trappenhuizen. We hebben hier geen slumcultuur, maar wel een trappenhuiscultuur.'

De jeugd, aldus Wertenstein-Zulawski, geeft het op, concludeert dat het generaties duurt voor Polen een normaal land wordt en probeert naar het buitenland te gaan.

De manier waarop zich in Polen de revolutie van vorig jaar heeft voltrokken - een compromis aan de ronde tafel - wreekt zich nu, zegt Wertenstein-Zulawski. Het zijn de jongeren met hun protestcultuur van de jaren tachtig geweest die de samenleving rijp hebben gemaakt voor de machtsovername. Toen die kwam, was de rol van de jeugd uitgespeeld.' Jongeren zijn niet op evolutie gericht, en de evolutie waarvoor vorig jaar is gekozen elimineert hen uit het centrum van actie. Alles in Polen wordt overgelaten aan wijze lieden van de oude garde. De jongeren voelen zich gemanipuleerd, zij zijn gebruikt om het oude systeem open te breken en ze hebben het opengebroken maar staan nu buitenspel.'

De zege verpest

Aan de verkiezingen van juni vorig jaar heeft de jeugd nog enthousiast meegedaan:' Dat was een revolutie zoals ze die graag zagen, een snelle revolutie met een snel resultaat. Maar de zege werd verpest, eerst door het akkoord aan de ronde tafel, dat de communisten een meerderheid in het parlement garandeerde, en daarna door allerlei manipulaties zoals de verkiezing van Jaruzelski tot president. Het heeft het gevoel te zijn misbruikt heftig aangewakkerd en geleid tot radicalisering.' Solidariteit zegt de jongeren van vandaag niets: er groeit in Polen een post-Solidariteit-generatie op die niet luistert naar de preken in de kerk en op tv maar erom lacht. Voor de post-Solidariteit-generatie is Solidariteit huichelachtig, met enerzijds haar mooie leuzen over mensenrechten en democratie maar anderzijds haar akkoord met de communisten. Wertenstein-Zulawski:' Er is desillusie op grote schaal, over de idealen van Solidariteit en over Solidariteit zelf. Jongeren zijn kwetsbaar, zij zien de kleine akkoordjes en deals en compromissen waarmee Solidariteit zich inlaat als iets hypocriets, terwijl ze voor volwassenen vanzelfsprekend zijn en bij het politieke spel horen. En als jongeren dan ook geen mogelijkheden hebben raken ze gedesorienteerd. Ja, je kunt nu bankier worden. Leg een jongere maar uit hoe, in een land zonder banken en zonder business schools. Wat moet hij met die mooie leuzen?' Het leidt bij het grootste deel van de jeugd tot passiviteit en onverschilligheid. Op de universiteiten, zegt Wertenstein-Zulawski, bestaat geen enkele vorm van discussie en geen enkele vorm van activiteit.' Zelfs het vocabulaire verschrompelt tot wat Bernstein heeft genoemd de limited code of articulation. Studenten kunnen zich niet meer uitdrukken. Waarom? Omdat ze nergens voor staan, nergens belangstelling voor hebben. Ze formuleren geen gedachten omdat ze ze niet hebben. Dat is beangstigend.'

De studenten hebben geen verantwoordelijkheid meer voor hun woorden, hun taal.

Een ander deel van de jeugd radicaliseert en sluit zich aan bij kleine extreem-rechtse en extreem-nationalistische partijen, bij neo-fascistische groepen als de skinheads, of bij hun tegenvoeters, punks en anarchisten: de weg van het geweld. Het is, zegt Wertenstein-Zulawski, een consequentie van de opvoeding.' Men is hier met geweld opgevoed. Thuis wordt geslagen, op straat werd geslagen. De knuppel was altijd het enige argument van de politie. Geweld is voor veel jongeren het enige argument dat ze kennen.' Niemand weet voorlopig hoe met dat probleem om te gaan. Overheid en media lanceren volgens Wertenstein-Zulawski oproepen voor verzoening en het afzien van geweld.' Het is erg kortzichtig, want er is geen sociaal beleid, er zijn geen mogelijkheden en geen alternatieven. Niemand weet hoe het verder gaat met die jeugd, omdat niemand weet waar dit land heen gaat.'

We hebben, zegt Jerzy Wertenstein-Zulawski, de jongeren niets te bieden.

Anarchisten

Piotr Rymarczyk is anarchist. Een dunne jongen in een groen t-shirt, op gympjes, een frele gezicht. Hij is twintig en verlegen: een kind nog haast. Hij studeert sociologie en leidt de RSA, de Beweging voor een Alternatieve Samenleving, een groep van dertig anarchisten, een van de vele.' Er zijn in Polen duizend anarchisten, georganiseerd in allerlei groepen, vooral in de grote steden: Warschau, Gdansk, Katowice, Wroclaw, Poznan.' Duizend lijkt niet veel.' Maar dat aantal groeit. De mensen zijn teleurgesteld, zij hadden gehoopt dat het leven er beter op zou worden toen Solidariteit aan de macht kwam.

Zij zijn teleurgesteld over de leuzen van de liberalen en over het kapitalisme en de vrije markt. Duizend zegt niet veel: we weten dat een groot deel van de jeugd ons steunt.' RSA telt dertig leden, zegt hij, studenten, scholieren, een paar arbeiders en een paar werklozen.' De meesten die naar ons toekomen weten weinig van het anarchisme. Ze weten alleen wel dat het niet is wat de burgerij denkt, chaos en vernieling, maar dat het zich richt op sociale zelforganisatie. Wat we doen? We houden lezingen, over Kronstadt, over het anarcho-syndicalisme, over arbeidersraden. We hebben het bloedbad in China herdacht en we houden betogingen, bij het Russische consulaat, tegen de regering. We houden sit-ins, we denken aan kraakacties, die bestaan hier nog niet.' De belangrijkste tegenstander van de anarchisten is de regering: zij vormt een regelmatig doelwit voor demonstrerende anarchisten met hun zwarte zakdoeken voor het gezicht.' Walesa wordt gehaat. Maar het gaat ons niet zozeer om personen maar om het systeem. Balcerowicz is een dogmaticus.

Hij heeft op school geleerd dat inflatie slecht is en bestrijdt daarom de inflatie, maar neemt op de koop toe dat de sociale prijs daarvoor groter is dan de winst. Wij geloven in zelfbestuur en zelforganisatie: alle fabrieken aan de arbeiders. Nee, niet als in Joegoslavie, daar heeft de momenclatoera de touwtjes in handen genomen. Ik weet wel: arbeiderszelfbestuur is in de geschiedenis nooit ergens gelukt. Maar moet je het daarom niet nog eens proberen?' Vindt hij zichzelf en zijn vrienden extremisten?' Het ligt er maar aan. Als extremisten mensen zijn die naar geweld grijpen als een extra politiek middel, zijn we geen extremisten. Als extremisme bestaat uit radicale denkbeelden, dan zijn we het wel, dan zijn we de meest extremistische beweging van Polen.' Niettemin - geweld mag, van Rymarczyk.' Misschien zijn er onder ons wel die erop uit trekken om geweld te plegen, maar dat is een minderheid. Het is niet onze bedoeling. Geweld is alleen goed als het gaat om zelfverdediging. We raken wel slaags met de politie of de skinheads, maar dan beginnen zij. We hebben betoogd bij het Sovjet-consulaat in Krakow, tegen de moord op een anarchist in de Sovjet-Unie, daarbij zijn molotov-cocktails gegooid. Ik keur dat niet af. Is dat geen zelfverdediging? Natuurlijk is het zelfverdediging. Molotov-cocktails zijn soms een adekwaat antwoord op moord. Tijdens de Roemeense revolutie hebben we ook bij de Roemeense ambassade betoogd, daarbij zijn stenen gegooid. Maar dat is geen geweld. Geweld tegen gebouwen is geen geweld.' Met medewerking van Zbigniew Machowski / Warsaw Voice