Niks complot, niks doorgestoken kaart

Op een gegeven dag besloten Ethel en Julius Rosenberg dat de tijd rijp was tot de communistische partij toe te treden. 'Hoe kan ik aan iets anders denken dan aan de verschrikkelijke dingen die er nu in de wereld gebeuren?' zei hij.

'In Spanje... Hitler, wat die met de joden doet... Wat ik zo erg vind is dat niemand hem probeert tegen te houden... Engeland... Frankrijk... ze spelen allemaal verstoppertje. Ik word er kotsmisselijk van! Alleen de Sovjet-Unie begrijpt het en doet er iets aan.' In 1939 bezocht het echtpaar het Russische paviljoen op de Wereldtentoonstelling in New York. Beiden waren diep onder de indruk. 'De tentoongestelde objecten', schreef Ethel Rosenberg, 'barsten van de informatie over de belangrijke veranderingen in de Sovjet-Unie op het gebied van de landbouw en de industrie, hoeveel beter de toestand van de arbeiders en de boeren is. Enorme schilderijen in primaire kleuren tonen boeren aan het werk op het land, met krachtige, stralende gezichten, gezonde lichamen, mannen en vrouwen, en hetzelfde geldt voor de fabrieksarbeiders.' Zij deden wat de Partij hun vroeg. Plotseling stond in 1951 de FBI op de stoep en beweerde dat het echtpaar de formule van de Amerikaanse atoombom aan de Russen zou hebben doorgespeeld. 'Wat moeten we doen, Julie?' vroeg Ethel Rosenberg aan haar man. 'Maar een ding', antwoordde hij. 'We zijn onschuldig, nietwaar? Dat zeggen we dus.' Helaas dacht de jury daar anders over. In de dodencel kreeg Ethel Rosenberg bezoek van haar broer.

Hij smeekte haar de Partij te laten barsten en schuld te bekennen, al was het alleen al om zich de elektrische stoel te besparen. 'Godverdomme!' riep Ethel Rosenberg. 'Julie en ik vertellen de waarheid, we liegen niet en we volgen geen instructies van de Partij. Begrijp dat dan toch eens!' Het zijn enkele fragmenten uit Tema Nasons (gefingeerde) autobiografie ('Ethel', Meulenhoff, 1990) van Ethel Rosenberg, een origineel, af en toe zelfs aangrijpend boek. Behalve voor de lezers die inmiddels beter weten. Ethel en Julius Rosenberg waren geen 'helden der mensheid', zoals De Waarheid de dag na hun executie schreef, zij waren geen slachtoffers van 'de heersers van Amerika', maar zij waren wat er ook door henzelf, hun advocaten en hun posthume advocaten is beweerd doodgewone Russische spionnen.

Tema Nason oordeelt anders, voornamelijk door recentelijk verschenen materiaal te negeren. Misschien dat wij het de schrijfster niet kwalijk kunnen nemen dat haar toevallig het artikel is ontgaan dat te onzent Arnold Koper over 'de mythe rond Julius en Ethel Rosenberg' heeft geschreven (De Groene Amsterdammer, 2 maart 1988). Het is echter onbegrijpelijk dat zij de andere, voor haar toegankelijker bronnen heeft genegeerd: boeken als 'The FBI-KGB-War' van Robert J. Lamphere (1986) en 'The Rosenberg File. A Search for the Truth' van Ronald Radosh en Joyce Milton (1983), boeken waarin gebruik is gemaakt van het 300.000 pagina's omvattende, na veel aandringen eindelijk vrijgegeven, FBI-archief over de zaak-Rosenberg. Waarna, constateert Koper, in het kamp der Rosenbergianen een diepe stilte viel. 'Niks complot, niks doorgestoken kaart.'

Nee, niemand kan beweren dat het echtpaar, berecht op het dieptepunt van de Koude Oorlog, het genoegen van een vlekkeloos proces heeft mogen smaken. 'Maar van een frame up was zeker geen sprake.' De zaak-Rosenberg geniet de reputatie van een anti-communistische drijfjacht, met uitgesproken antisemitische elementen. Het eerste is waar, het laatste moet, na kennisneming van de feiten, sterk worden gerelativieerd. De bewering is uitsluitend gebaseerd op het feit dat de jury, dienstdoende in een stad die 30 procent joden telde, exclusief uit niet-joden bestond.

Het bewijs van dit gegeven is beperkt, al was het alleen al om het feit dat vrijwel alle andere betrokkenen van joodse herkomst waren: de zittende en de staande magistratuur, de getuigen en de verdachten. Behalve de ene rechter die de Rosenbergs in bescherming nam: dat was een ultra-conservatieve zuiderling, die nota bene nog enige tijd lid van de Ku Klux Klan is geweest. Het enige antisemitische element in de zaak-Rosenberg was de natie die de Rosenbergs tot een heilstaat hadden uitgeroepen, antisemitisch onder de diverse tsaren, antisemitisch onder Stalin met zijn artsenprocessen, antisemitisch onder Gorbatsjov, getuige al die Sovjet-joden die inmiddels ironie van de geschiedenis politiek asiel in de gedestaliniseerde Duitse Democratische Republiek hebben gevraagd.'Mijn aangebeden Ethel' en 'mijn allerliefste Julius' schreven met de dood voor ogen een groot aantal hartbrekende brieven, waarin zijn elkander hun onschuld bezwoeren. Misschien waanden zij zich werkelijk onschuldig, en meenden zij, als 'Stalins soldaten' strijdend voor 'proletarisch internationalisme' en 'vrede en vooruitgang', boven de kleinburgerlijke gedragscodes te staan. Moraal en zelfs landverraad zijn nu eenmaal rekbare begrippen.

Wie of wat dwong de Rosenbergs tot solidariteit met een natie waarin de arbeiders tegen een hongerloon aan de Chevrolets moesten sleutelen? Een natie waarin je als cryptocommunist de straat op werd geschopt als je blijk gaf van zoiets als 'een overdreven gevoel voor sociale rechtvaardigheid' ? Roosevelts New Deal, vinden zij, was optisch bedrog, de Moskouse processen waren kapitalistische propaganda, een nucleair bewapende Sovjet-Unie was de beste garantie voor de vrede dus transporteerden zij dat belachelijke, via een familielid verkregen, schetsje van de atoombom naar Moskou, waar Andrej Sacharov en zijn collega's het ongetwijfeld schaterlachend in de prullenbak hebben gedeponeerd.

Maar de publieke opinie in Amerika was allang niet meer tot relativeren in staat. 'Door op een onmetelijk grote wijze de kansen op een kernoorlog te vergroten hebben de Rosenbergs wellicht tientallen miljoenen mensen ter dood veroordeeld', zei president Eisenhower en weigerde op het gratieverzoek van de verdediging in te gaan.

De gefingeerde autobiografie van Ethel Rosenberg had aanmerkelijk meer aan spanning en authenticiteit gewonnen, als de schrijfster de moed had kunnen opbrengen niet van hun onschuld, maar van de schuld van haar heldin uit te gaan. Dat had wellicht geleid tot enig inzicht in de psychologie van de Gideonsbende, het romantisch gelijk van de politieke sekte, met haar claim op de universele waarheid, met haar kadaverdiscipline in dienst van een Hoger Doel, het een en ander ongetwijfeld gevoed door oprechte sociale verontwaardiging.

Het schandelijke van de zaak-Rosenberg is niet het vonnis, maar de implicatie ervan: de elektrische stoel, een ongemakkelijk meubelstuk, waarvan een beschaafde natie zich niet behoort te bedienen. Het is terecht dat al die honderdduizenden toentertijd, voor en na de executie, daartegen hun protesterende stem hebben verheven. Niettemin, de Rosenbergs waren guilty as hell.