Douw na duw

In de nacht van 18 op 19 december 1987 staat een onopvallende autogeparkeerd in de buurt van een brug ergens op de wallen in Amsterdam. Het iswarm voor de tijd van het jaar: buiten is het 8 graden Celcius. Vanafmiddernacht regent het.

Op de brug is een Surinamer bezig met de verkoop van drugs. De verdovende middelen, heroine of cocaine, zijn verpakt in bolletjes die hij in zijn mond bewaart; een gebruikelijke truc onder kleine straatdealers.

Op een zeker moment houden twee politiemensen van het bureau Warmoesstraat de handelaar staande. Er vindt gedurende enige minuten een woordenwisseling plaats. De onopvallende auto komt nu dichterbij. Een van de inzittenden stapt uit, loopt snel op de dealer af en geeft hem een stomp in de maag. De agenten kijken verbluft toe hoe de handelaar dubbelklapt en alle bolletjes uitspuugt. De man die de klap gaf, loopt alweer terug naar de auto. Hij is hoofdagent W. V., sinds 1973 in vaste dienst bij de gemeentepolitie, sinds 1982 bij het bureau Verdovende Middelen en in al die jaren nooit disciplinair gestraft.

Op 25 april 1989 ontvangt V. voor de stomp die hij anderhalf jaar eerder uitdeelde een schriftelijke berisping van de hoofdcommissaris. Het is de lichtste disciplinaire maatregel die de politie in huis heeft. Vandaag, vrijdag 15 juni 1990, zit de hoofdagent met zijn 'gemachtigde', de advocaat mr. N. C. J. Meijering, voor de ambtenarenrechter in Amsterdam. V. wil dat de rechter de berisping ongedaan maakt. De zitting vindt plaats in een kraakhelder zaaltje in een van de nieuwe torens aan de Parnassusweg waarnaar de Amsterdamse rechtbank onlangs verhuisde. In deze ruimte zonder historie is een eind gemaakt aan een traditie: het staatsieportret van de koningin ontbreekt. Dat is overal zo in de nieuwe rechtbank. Er bestaat geen verplichting om rechtszalen te verlevendigen met een portret van hare majesteit. Sinds de Grondwetswijziging van 1983 wordt overigens ook niet meer recht gesproken 'in naam der koningin'. Voorzitter van het rechtscollege mr. T. L. de Vries geeft eerst het woord aan advocaat Meijering, daarna mag de 'gemachtigde' van de hoofdcommissaris, Th. A. Eeken, het besluit om V. te berispen toelichten.

Alleen voorzitter De Vries en de griffier zijn in toga. De leden mevrouw mr. Sj. A. Rullman en mr. T. van Peijpe zijn respectievelijk gekleed in een bruin mantelpak en een blauw colbert. De Vries, een jeugdige man met een licht gekleurd kunststof brilmontuur en een snor, maakt tijdens de betogen aantekeningen met een zwarte Bic. Zijn wenkbrauwen trekt hij voortdurend hoog op wat hem een verbaasde gezichtsuitdrukking geeft.

Meijering, een jong advocaat met gel in zijn haar, legt namens zijn client uit dat de 'duw of por' die deze de bewuste nacht toediende uitsluitend bedoeld was om zowel de collega als de verdachte te behoeden voor dreigend gevaar.' De mannelijke geuniformeerde verbalisant was bezig de verdachte aan de mond te voelen, zo van: 'Kom nou op met die bolletjes'.'

Volgens Meijering was het gevaar dat de agent gebeten zou worden 'levensgroot'. Besmetting met het HIV of Hepatitis-virus was daarbij niet denkbeeldig. En de verdachte zou van schrik wel eens bolletjes kunnen doorslikken waarna kans groot was dat hij bij het openbarsten van een of meer bolletjes zou komen te overlijden.' Jouw arrestant kan doodgaan. Dan ga je mooi de mist in als verbalisant. Moet je dat laten gebeuren? Of moet je de verdachte zodanig motiveren dat hij de bolletjes afgeeft?' Eeken stelt hier namens de hoofdcommissaris tegenover dat de berisping 'uitermate terecht' was. Hij wijst erop dat' onderzoeken aan en in het lichaam voorbehouden zijn aan de hulpofficier van jusititie'.' Een individuele ambtenaar is niet in de positie daar zelf een remedie voor te ontwerpen en toe te passen.'

En:' Het toedienen van een stomp kan geen enkel doel dienen dat past in het kader van de rechtsstaat en kan niets anders opleveren dan onrechtmatig verkregen bewijs'. Dat is natuurlijk ook de reden waarom straatdealers hun handel in de mond bewaren: daar is het spul in ieder geval beschermd tegen de eerste de beste wijkagent.

Twee weken voor dit proces schreef de Amsterdamse hoogleraar straf(proces)recht prof. mr. T. M. Schalken in het Nederlands Juristenblad over de politie als hulpverlener (Het grijze domein van de politie, in: NJB 22). Schalken constateert dat de politie in haar rol als hulpverleenster' vastzit tussen juridische normering enerzijds en praktische noodzaak anderzijds'.

' Optreden kan in een concreet geval al gauw in strijd komen met met fundamentele rechten, maar niet-optreden waar dat wel geboden is kan plichtsverzuim opleveren,' schrijft Schalken. Als 'knelpunten' wijst hij op' vrijheidsbeneming en het binnentreden van een woning waar sterke indicaties voor hulpverlening aanwezig zijn'.

Niet bekend

Agenten worden regelmatig geconfronteerd met drugshandelaars die hun handelswaar in de mond vervoeren en ook hier zijn de regels 'lacuneus'. Een politiewoordvoerder bevestigt dat er om een regeling op dit terrein gevraagd is.

Het lijkt erop dat optreden als dat van V. wel gebruikelijk is. Volgens Meijering is sprake van een door het bureau Verdovende Middelen ontwikkeld beleid waar binnen' het porren danwel duwen in de maag' gezien wordt als een uiterst middel om verdovende middelen uit de mond van een verdachte te krijgen. Geen wonder dat de berisping hard aankomt bij de politieman.' De mensen op het hoofdbureau zijn niet op de hoogte van hoe de werkelijkheid er in de praktijk uitziet,' moppert V. tegen zijn rechters.' Waarom heeft u niet getracht de betrokkene middels overtuiging te bewegen de bolletjes af te geven,' vraagt De Vries.' Omdat die collega's al een paar minuten aan het klungelen waren. Het zou niet meer geholpen hebben.'' U hebt de stomp niet gegeven om bewijs te garen maar uit bezorgdheid?' vraagt mevrouw Rullman ten overvloede.' Ja, en de mensen zijn er achteraf ook blij om als ze een por gekregen hebben van een agent en ze horen van de arts van de GG en GD wat de gevaren zijn.' Eeken benadrukt nog eenmaal dat' het verrichten van levensreddende handelingen wel maatschappelijk aanvaard is, maar dat nergens uit blijkt dat verdachte de balletjes wilde inslikken.' Op 6 juli heeft het ambtenarengerecht het beroep van hoofdagent W. V. ongegrond verklaard en bepaald dat hij terecht berispt is. Op basis van de uitspraken van de agenten van bureau Warmoesstraat stelt de ambtenarenrechter vast dat het V. onnodig geweld gebruikt heeft. Het gerecht benadrukt echter dat het' begrip heeft voor de moeilijke situaties waarin politie-ambtenaren kunnen komen te verkeren'.

En bovendien vindt het gerecht dat in bepaalde gevallen' in het belang van de verdachte enig geweld moet worden toegepast'.

Op basis van deze uitspraak kunnen Amsterdamse narcotica-agenten doorgaan met het toedienen van levensreddende stompen. Als er maar geen geuniformeerde collega's als getuige in de buurt zijn.