Democratie aan huis bezorgd

De gemeente Den Dolder had van de historische bakfiets van J. H. Scheps en Th. Inden al lang een monument moeten maken, of tenminste een kopie van het driewielige voertuig voor de afdeling twintigste eeuwse geschiedenis van het Rijksmuseum in Amsterdam moeten laten vervaardigen. Die omgebouwde bakkerskar was in de jaren dertig het rijdende handelsmerk van de twee excentrieke politieke hageprekers uit Den Dolder die de lommerrijke buurten van 't Gooi (en ook daarbuiten) onveilig maakten met hun kruistocht tegen roomse intolerantie, fascisme en nationaal-socialisme en tussen '40 en '45 de illegaliteit belangrijke diensten bewezen.

Scheps en Inden bezorgden in 't Gooi de democratie aan huis. Inden op de bakfiets en Scheps op een eigen fiets ernaast. Ze vormden het tweemanszaakje Op Korte Golf te Dolder (die naam stond zowel op de bakfiets als op hun pamfletten), een mobiel uitgeverijtje dat met lectuur en bijpassende grammofoonmuziek langs de deuren ging om Nederland weerbaar te maken tegen Mussert c.s. De eerste duizenden kilometers van de twee uitgevers waren meer een campagne tegen de confessionele staatkunde en tegen de knellende vormen van geestelijke onverdraagzaamheid dan tegen de NSB (ze waren ook als vrijzinnig-protestantse straatevangelisten begonnen), maar het waren de vormende jaren voor hun latere strijd tegen de Duitse bezetters en hun politieke Nederlandse handlangers.

Inden was de stille kracht achter Scheps, die aanzienlijk jonger was maar meer op de voorgrond trad doordat hij een groot oratorisch talent bezat. Er was niemand die de straat zo doeltreffend gebruikte om gehoor te vinden voor zijn waarschuwingen tegen de autoritaire politiek in het Europa van die dagen als Scheps.

Van Inden is mij weinig bekend, maar uit de geschriften van Scheps komt hij als een man van staal tevoorschijn. In de oorlog bleek hij over buitengewone eigenschappen te beschikken, die politieke grootheden met grotere intellectuele kwaliteiten moreel in de schaduw stelde. Eigenzinnig en onvermoeibaar ging hij zijn weg als een verschaffer van onderdak die tientallen onderduikers de oorlog door hielp en met onverschrokkenheid de Duitse belangen saboteerde. Spreken was echter niet zijn fort.

Scheps daarentegen was een geboren redenaar, een van de beste uit-het-hoofd-sprekers die na de oorlog ooit de banken van de Tweede Kamer zouden bevolken. In de twintig jaar (van '46 tot '66) waarin hij de PvdA in de Tweede Kamer vertegenwoordigde, had hij niet alleen altijd het oor van de Kamer en van de regering, maar ook van de kamerbodes die aan zijn lippen hingen. J. H. Scheps is deze week negentig jaar geworden. Uit een vraaggesprek van C. van Harten in Elsevier van de afgelopen week blijkt hij nog steeds een getuigende democraat te zijn. Van dat soort bestaan er tegenwoordig niet veel meer: democraten die, ongeacht de politieke conjunctuur, niet alleen op de beschavende werking van de democratie blijven vertrouwen, maar de democratie in woord en daad ook blijven propageren.

Scheps komt voort uit de kringen van de sociaal-democraten die in hun jeugd door Multatuli zijn gegrepen en gevormd. Politiek Multatuliaan was iemand die het hele oeuvre van de schrijver van de Max Havelaar van voren naar achteren kende, maar ook diens gedachten had geinternaliseerd. Ik geloof niet dat er veel christen-democraten of liberalen door de schrijver van de Max Havelaar tot het politiek geloof zijn gekomen of het moeten de doorbraak-socialisten avant la lettre zijn geweest, die voor Multatuli de rijen van Kuyper dan wel Schaepman verlieten. Ik denk dat Scheps wel de ironie ervan heeft ingezien dat al die politieke bekeringen tot het socialisme zijn teweeggebracht door een schrijver die zelf het socialisme nooit als geloof heeft aangenomen en er zelfs niets van moest hebben.

Scheps is na zijn politieke pensionering een actief propagandist voor de democratie gebleven. Tot op dit moment zet hij zich in voor de politieke vluchtelingen uit allerlei landen (hij nam vaak zelf vluchtelingen in huis) en ook voor een politiek debat is hij nog steeds te vinden. Eigenlijk heeft hij na zijn parlementaire jaren weer de politieke troffel uit zijn bakfietsjaren ter hand genomen: hij is gewoon weer doorgegaan met het stencillen van pamfletten, het organiseren van politieke huiskamerbijeenkomsten en het runnen van een vereniging die weinig meer dan een 'stofomslag' was van de vereniging-J. H. Scheps. In die hoedanigheid kwam ik hem een aantal jaren geleden weer tegen in zijn fladderende, wijde regenjas met onafscheidelijke aktentas vol politieke pamfletten. Hij was voorzitter van de Algemene Vereniging voor Democratie, een democratische propagandaclub die verzorgde jaarboeken uitgaf en jaarvergaderingen hield in het clubgebouw van de Speeltuin in Den Dolder. De discussie ging zoals altijd over de normatieve aspecten van de democratie.

Dat de vereniging maar een clubje was met weinig aanhang ontmoedigde hem niet, want Scheps was niet geinteresseerd in massa maar in individuen.

Zijn voorkeur voor kwaliteit boven kwantiteit werd op een van die schamel bevolkte jaarvergaderingen van zijn club (nauwelijks vijftien aanwezigen) passend beloond door de aanwezigheid van de toenmalige commissaris der koningin in Gelderland, mr. W. J. Geertsema, die het niet beneden zijn waardigheid vond een vrije zaterdagochtend op te offeren om in een zaaltje dat niet op zijn stand was berekend enkele uren onder het gehoor van Scheps te zijn. De laatste sprak zijn erkentelijkheid ervoor uit dat de eerste de moeite had genomen helemaal uit Arnhem te komen naar zijn onaanzienlijke vergadering, maar de Gelderse commissaris reageerde sonoor en democratisch: geen sprake van moeite, 'voor u, meneer Scheps, zou ik zelfs zijn gekomen als u de enige op de vergadering was geweest'. Naar aanleiding van zijn negentigste verjaardag heb ik deze week nog eens een deel van Scheps' memoires gelezen. Zijn verhandelingen over de omzwervingen met zijn democratische bakfiets in de jaren waarin de democratie door extreem-rechts met succes verdacht werd gemaakt zijn wijdlopig, maar onverminderd boeiend, onderhoudend en stichtend. Die boeken (waarvan er een heel fraai in eigen beheer bij zijn huisuitgeverij Op Korte Golf - Den Dolder is uitgegeven) vormen een onverbrekelijke eenheid met de man: stijl ietwat warrig en barok, maar schitterend.

De oud-voorlichtingsofficier van de Luchtmacht W. Teuben te Voorburg heeft mij erop gewezen dat de minister van oorlog Staal (van de 'Nacht van Staal'), die hier vorige week figureerde, in zijn militaire loopbaan geen generaal met een ster was, maar met twee sterren. De rang van brigade-generaal (een ster) bestond in de tijd van de generaal-majoor Staal nog niet en is eerst na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd. Om precies te zijn (met dank aan de heer Ph. Daniels te Nijmegen): tot een aantal jaren na de Tweede Wereldoorlog (voordat de brigade-generaal zijn intrede deed) droegen Nederlandse opperofficieren allemaal vier sterren (in verschillende soorten, al naar gelang de rang) plus een gouden kartelbalk rond de hele kraag (vroeger), boven langs de kraagspiegel sinds in de NAVO voor opperofficieren de Amerikaanse rangonderscheidingstekens werden overgenomen.