DE YANG BOOM

De Chinese woorden yin en yang, epitheta van wereldomvattende nuttigheid, waren oorspronkelijk aanduidingen voor specifieke hoedanigheden van het landschap. Yin was schaduw, de beschaduwde kant van iets, dus de noordzijde van een berg, maar de zuidelijke oever van een rivier of vallei; yang was de zonnekant, d.w.z. de zuidflank van de berg en noordelijke oever van de rivier.

Onze tuin heeft zowel aan de noordkant als aan de zuidkant een muur, waardoor hij wat lijkt op de Chinese vallei, maar zonder rivier; de zon die wij krijgen valt dus op de yang zijde van onze noordermuur, die wij aanduiden, zo onnauwkeurig is het Europese taalgebruik, als onze zuidmuur. Deze verwarring wordt nog verder aangemoedigd doordat de zeshoekige kerk, die zich achter die muur verheft, voorzien is van letters die de windstreken aanduiden. Als wij noordwaarts naar onze 'zuidmuur' kijken zien wij dus op de kerkmuur er achter een enorme letter Z. Tussen onze noordelijke en zuidelijke grenzen, keurig in het midden van de tuin, bevindt zich een ander yin-veroorzakend object: een reusachtige rode beuk, waarvan het yang-gedeelte zeer efficient een grote hoeveelheid zonlicht opslorpt. Deze rode beuk is een wonder, een soort eenmanswoud, waar je urenlang in kan staren, in slaap gezongen door het geluid van de wind in de bladeren. De stam heeft iets milds, liefhebbend en mannelijk; hij kijkt je zelfs aan, met ogen gevormd door de stompen van twee takken. Afgezien van zijn voornaamste rol als schaduwgever neemt hij soms actief deel aan wat er in de tuin gebeurt: in de lente bijvoorbeeld door op alles een regen te laten neerdalen van bruine, wollige, uitgebloeide beukebloesem, in zulke hoeveelheden dat zelfs de kleur van de grond er door was veranderd. Het was alsof je in watten liep, je voetstappen werden onhoorbaar. Deze pluizige bolletjes verzamelden zich vooral ook in de trechtervormige harten van de zich ontplooiende varens, waar ik ze, misschien zonder noodzaak, uit probeerde te peuteren.

Ingepakt in ieder zich ontvouwend blad zat, met die wol, een beginnende beukenoot. Ik weet niet wanneer die zullen beginnen op ons neer te dalen, maar het is duidelijk dat hun bolsters niet erg biologisch afbreekbaar zijn: als je oude compost uitstort hoor je ze ratelen. En daarna komen uiteraard de bladeren zelf, die er ook langer over doen om in humus over te gaan dan die van de meeste andere bomen en een aparte composthoop nodig hebben.

Mijn hart slaat tegenwoordig een slag over wanneer ik boeken zie met titels als 'Gardening in difficult places', want de grond onder een beuk is daar een berucht voorbeeld van. De wortels zitten vlak onder de oppervlakte en pikken al het vocht in voordat andere planten er aan te pas kunnen komen. Rond de voet van onze beuk bevindt zich een terras, we hoeven ons dus niet het hoofd te breken over wat daar te planten, maar in het onbedekte gedeelte zijn plekken waar zelfs geen klimop groeit; het houdt eenvoudig op, alsof zich daar een onzichtbare barriere bevond. In de grond is die barriere overigens maar al te tastbaar; het ziet er daar uit als breiwerk, je zou niet op de gedachte komen dat zo'n grote boom zulke minuscule wortels kan hebben, en zoveel.

Alsof er in de tuin nog geen schaduw genoeg was hebben vroegere eigenaars er een appelboom in geplant, een pereboom en vier kastanjes. Er was ook nog een heel saaie en donkere conifeer, uitgerekend daar neergezet waar het beetje zonlicht dat nog langs de beuk wist te komen erdoor werd tegengehouden, maar die hebben we weggehaald.

En dat is nog niet alles. Zoals ik het mij voorstel moet iemand zeventig of tachtig jaar geleden hebben gezegd:' We moeten er nodig nog een boom bij hebben'.

' Nee, nee!' wierp de rest van de familie tegen,' we hebben al teveel bomen!'' Een kleintje dan', smeekte hij.' Maar die wordt ook groot en dan is er helemaal geen licht meer!' riep iedereen.

Maar de tuinier garandeerde dat het wel goed zou komen, of anders sloop hij naar buiten en deed het stiekem, hetgeen, ben ik bezig te ontdekken, allerminst met het karakter van tuiniers in tegenspraak is. Hij plantte toen een buitengewoon raar uitziende boom. Het lijkt op een altijdgroene naaldboom, maar die naalden raakt hij 'swinters kwijt. Ze waren van een schitterend heldergroen, dat zeer fraai afsteekt bij het donkerrood van de beuk. Hij wiegt zich bovendien op een bekoorlijke wijze in de wind. Maar vooral: hij maakt geen schaduw! Hij groeide recht naar boven, als een telegraafpaal.

Volgens de vorige eigenaars is het de enige boom van zijn soort in Holland, maar ik ben bang dat dat niet waar is. Kortgeleden heb ik er nog een ontdekt, in de Leidse Hortus, een beetje groter, geplant in 1860, maar herkenbaar hetzelfde buitenbeentje. Als je een boom wil die werkelijk yang is, dan is Taxodium ascendans, de Moeras-cypres, de boom die je zoekt.