Bridge

De discussie over de toelaatbaarheid van conventionele biedingen of zelfs helemaal conventionele systemen is zo oud als het bridgespel zelf. Wie een beetje met de bridgeschiedenis bekend is, weet dat Harold S. Vanderbilt, een Amerikaanse miljardair ja, inderdaad, van Nederlandse origine in 1925 het auction-bridge van die dagen in het moderne contract-bridge heeft omgevormd. Veel minder bekend is dat hij ook de ontwerper is geweest van het eerste conventionele biedsysteem, gebaseerd op een kunstmatige 1-(Klaver)-opening. Hij ontroduceerde het al in 1929 in boekvorm: Contract bridge, Bidding and the club convention. Hierin zegt hij onder meer: 'Ik geloof dat conventies een vereiste zijn voor succes (...) en dat zonder hen slembieding op z'n best een kruis-of-munt-aangelegenheid is'. Sindsdien is de discussie over dit credo niet meer verstomd. Vaak tegen uitgesproken tegenwerking in van de bridge-autoriteiten heeft het conventionele bieden zich verder ontwikkeld. Wie kan zich nu nog voorstellen dat er in de jaren '30 hevig is gedebatteerd over de toelaatbaarheid van het informatiedoublet? En nog feller dan nu over 'sterke-pas-systemen' of over 'random-preempts'. Voorstanders van conventies trachten met de beperkte biedtaal van 1 (Klaver) tot 7 SA plus pas, doublet en redoublet een optimale informatie-uitwisseling over een in wezen onbeperkt aantal mogelijke biedhanden tot stand te brengen. De tegenstanders, voorstanders dus van 'natuurlijk' bieden, stellen dat hierdoor het bieden zo ingewikkeld wordt dat het voor tegenpartij en toeschouwers niet meer valt te begrijpen zonder uitvoerige toelichting en dat dit tot de dood van het spel leidt.

Het behoort tot de paradoxen van het bridgespel dat beide kampen gelijk hebben. Het doel van het bieden is om over zo veel mogelijk informatie te beschikken ten einde het meest verantwoorde contract te bereiken. In beginsel is dus het beste biedsysteem het systeem dat de grootste informatie-uitwisseling mogelijk maakt, en voor conventies geldt hetzelfde. Maar naarmate dit doel dichter wordt bereikt, dient in toenemende onevenredigheid tijd te worden besteed om de tegenpartij, die immers recht heeft om de betekenis van alle biedingen te kennen, op de hoogte te brengen van de uitgewisselde gegevens. Bij een gemiddelde speelduur per spel van 8 minuten houdt dit in dat het deel van de tijd dat na het bieden nog voor het spelen beschikbaar is, steeds kleiner wordt.

Uiteraard is er nog veel meer te zeggen over deze controverse, maar hier is toch de belangrijkste achtergrond gegeven van het initiatief van Demetri Marchessini waar ik het veertien dagen geleden over had. Hij liet in Londen drie matches spelen tussen natuurlijke en conventionele bieders om te zien of de claim van de voorstanders van conventioneel bieden kon worden hard gemaakt. Nee dus, want de uitslag was weinig overtuigend: 141-108, 75-189, 111-39 (conventionelen-natuurlijken). Weliswaar betekende dit 21 voor het conventionele bieden, maar in imps won het natuurlijke bieden met een saldo van 9 imps.

Vreemd genoeg zijn er maar weinig spellen uit deze ontmoeting gepubliceerd. Hier is er een dat laat zien wat had kunnen gebeuren als de Staymanconventie niet mag worden gebruikt: (Schoppen) V B 9 l5(Harten) 7 4 2(Ruiten) V 2(Klaver) A B 8 2(Schoppen) A 7 2(Harten) V 3(Ruiten) A 9 5 3(Klaver) H V 7 3Na O's 1-SA-opening paste het conventionele team Staymans 2-(Klaver)-bod toe en toen bleek dat O niet over een hoge 4-kaart beschikte, legde W zonder mankeren in 3 SA aan. Dat was met het levensgrote gat in (Harten) kansloos en ging 2 down. De natuurlijken hadden afgesproken na een 1-SA-opening 4-kaarten van onderaf te bieden. En zo antwoordde W dus ook met 2 (Klaver) en antwoordde O ook met 2 (Ruiten), maar hierna scheidden zich de wegen: W vervolgde met zijn 2e 4-kaart door 2 (Schoppen) te bieden, waarna O terugkeerde naar 3 (Klaver). Een triomf voor het natuurlijke bieden ... als W de moed had opgebracht ondanks het gezamenlijke honneurpuntentaantal (25-27) te passen. Maar de macht van het getal was hem te groot en hij bood toch maar 3 SA. Geen swing.

Veel meer publiciteit is aan een soortgelijke wedstrijd in 1965 gegeven. Ik zal op die geruchtmakende gebeurtenis een volgende maal terugkomen, maar laat nu alvast ook een 'Stayman'-spel uit die match zien: (Schoppen) H 9 6(Harten) (Ruiten) A 9 6 5(Klaver) V 9 8 7 6 4(Schoppen) 8 7 3(Harten) A 9 5 3 2(Ruiten) B 4 3 2(Klaver) 2(Schoppen) V 10 5 4 2(Harten) H B 8 7 6(Ruiten) (Klaver) H 5 3(Schoppen) A B(Harten) V 10 4(Ruiten) H V 10 8 7(Klaver) A B 10Stone-Roth (ZN) bereikten na Z's 1-SA-opening en N's 2-(Klaver)-Stayman 6 (Ruiten), overigens op een weinig overtuigende manier want Z bood vrijwillig slem zonder te weten dat N de (Harten)-kleur controleerde! B. Jay Becker bood aan de andere tafel na Dorothy Haydens 1-SA-opening een natuurlijke 2 (Klaver). Victor Mitchell volgde met 2 (Harten) (kennelijk om na een doublet naar 2 (Schoppen) te kunnen wegvluchten) en na Z's pas bood Sam Stayman, wiens conventie Becker niet mocht en wilde toepassen, nogal tam 3 (Harten). Becker ontbrak het niet aan moed, want hij introduceerde zijn slappe tweede kleurtje met 4 (Ruiten) op vier-hoogte! Helaas wist zijn partner niets moedigers te doen dan 5 (Ruiten) bieden en hier bleef het bij. Op z'n minst had er toch wel een 4-(Schoppen)-bod als cuebid afgekund. En wat bewijst dit alles? De conventionelen boden een 'kruis-of-munt'-slem en de natuurlijken verzuimden op 'wetenschappelijk' verantwoorde wijze hetzelfde slem te bieden.