Adviesraad onderwijs verzet zich tegen kritiek van Ritzen

ZEIST, 14 juli Onrustig was onderwijsadviseur drs. H. F. van Aalst afgelopen december niet geworden toen hij het interview van minister Ritzen in Vrij Nederland las. De bewindsman had zich daarin kritisch uitgelaten over het overlegcircuit in het onderwijs. 'Er bestaat hier een enorm overlegcircuit: deskundigen, adviesraden, besturenorganisaties, vakbonden', aldus Ritzen. 'Die worden vaak als representanten van het onderwijs gezien, maar het onderwijs herkent zich daar zelf niet in. In dat overlegcircuit gaat veel energie zitten. Ik ga ze zeer, zeer kritisch bekijken.' Over de Adviesraad voor het Voortgezet Onderwijs (ARVO) had de minister het vast niet, concludeerde Van Aalst, voorzitter van die raad. De ARVO had er in zijn driejarig bestaan juist alles aan gedaan kort en bondig te adviseren. Door een relatief geringe omvang acht permanente leden met een beperkte administratieve staf had de ARVO de bureaucratisering en lange adviesronden ontlopen die de vroegere 65 adviesorganen van Onderwijs noodlottig waren geworden. Om de advisering te stroomlijnen en een goede koppeling mogelijk te maken tussen advisering en beleidsuitvoering was dat aantal teruggebracht tot acht.

De ARVO bracht een twintigtal adviezen uit over uiteenlopende onderwerpen zoals basisvorming, onderwijsvoorrangsbeleid en de lerarenopleidingen. Dat de taal van die adviezen nogal ambtelijk was, was volgens de voorzitter onvermijdelijk gezien het adres waaraan ze gericht waren.

Het mocht allemaal niet baten. Onlangs maakte Ritzen in een brief aan de Tweede Kamer bekend waartoe zijn 'zeer kritisch bekijken' heeft geleid. Hij wil per 1 augustus volgend jaar de ARVO en de adviesraden voor het basis- en hoger onderwijs (ARBO en ARHO) opheffen. Niet omdat hun adviezen slecht zouden zijn, maar omdat de raden elk voor zich te veel aan een onderwijssector zijn gebonden. 'Institutioneel verstard', noemde hij dat.

Om dit voortaan te voorkomen wil hij de raden vervangen door ad hoc-adviesgroepen. Die hebben het voordeel dat ze deskundigheden uit diverse sectoren uit het onderwijs en de gehele maatschappij kunnen bundelen. dat wordt noodzakelijk naarmate het ministerie op grotere afstand van de scholen komt te staan. De minister hoopt zo 'wetenschappelijk of anderzins breed gefundeerde' adviezen te krijgen, waarbij ook 'internationale aspecten' worden meegewogen.

Van Aalst trof in de brief van de minister een karikatuur van zijn raad aan. 'Alsof we een club zijn van mensen uit de onderwijsprovincie die niet verder kijken dan hun neus lang is. Ritzen weet niet hoe het er hier aan toe gaat.'

Anders had hij volgens Van Aalst wel geweten dat de ARVO ook aan ad hoc-advisering doet. Per adviesaanvraag worden steeds andere groepen deskundigen binnen en buiten het onderwijs benoemd die met een of meer permanente leden van de raad het advies voorbereiden. Daardoor kon de ARVO bijvoorbeeld in zijn advies over deelkwalificaties in het onderwijs putten uit ervaringen in de wereld van het personeelsmanagement. Ook worden bij de advisering regelmatig wetenschappers betrokken, zonodig uit het buitenland. De aanwezigheid van de permanente leden waarborgt continuiteit in de advisering.

Ritzen moet er volgens Van Aalst nog maar eens het rapport van de commissie-van der Ploeg op naslaan. Deze lichtte enkele jaren geleden de adviesstructuur van de rijksoverheid door. Ze waarschuwde voor een te ver doorslaan naar ad hoc-advisering, toen al populair in Haagse kringen.

Behalve voor gebrek aan continuiteit waarschuwde die commissie ook voor een bedreiging van de onafhankelijkheid van de advisering. Er kan een web van ad hoc-clubjes ontstaan die de minister naar persoonlijk believen bemant. Het parlement zou zo de controle kwijtraken die ze over het werk van permanente organen als de ARBO, ARVO en ARHO heeft. Ook is aan de instelling van een ad hoc-commissie al te vaak de verwachting verbonden dat haar advies ook wordt uitgevoerd, hetgeen lang niet altijd kan worden waargemaakt.

Door de grotere afstand tussen ministerie en scholen moeten de raden volgens Van Aalst wel op andere dingen gaan letten, maar hun werk wordt er niet overbodig door, zoals Ritzen meent. Integendeel, scheiding van beleidsontwikkeling en -uitvoering maakt volgens Van Aalst juist een klein, hoogwaardig apparaat voor het eerste nodig. De ambtenaren daarvan kunnen dan niet buiten de onafhankelijke, permanente of ad hoc-bijstand van zijn raad.

    • Kees Versteegh