Zalen in Haagse Congresgebouw op eerste dag van festival nogniet vol; Rustig begin met ouderwetse jazz

Na het voorafje ter ere van de ziek geworden Ella Fitzgerald is het officiele programma van het North Sea Jazz Festival gisteren rustig en zonder grote verrassingen begonnen. De 'music for the millions' van zanger/vocalist George Benson trok naar schatting zo'n 6.000 bezoekers, maar daarmee was de Statenhal niet vol; ook in andere zalen was doorgaans zonder veel moeite een plaatsje te bemachtigen. Een ideaal begin voor de luisteraars dus, maar of de organisatie die opvatting deelt, is de vraag. Pas dit jaar is het festival uitgebreid tot vier dagen. Op grond van de matige opkomst op donderdag moet de verleiding groot zijn naar de beproefde driedagenformule (vrijdag tot en met zondag) terug te keren. Ook het probleem van de juiste band in de juiste ruimte mag volgend jaar weer op de agenda. De voor het eerst op het festival optredende zangeres Helen Merrill bij voorbeeld was in de kale Jan Steen-zaal niet op haar plaats. Werd haar hese en intieme geluid aanvankelijk alleen maar gestoord door het onvermijdelijke geschuifel van voeten (geen vloerbedekking, geen stoelen), toen iemand in het aanpalende winkelcentrum een slagwerk meende te moeten demonstreren, kon men het helemaal wel vergeten.

Een slagwerker meer of minder zou niet zijn opgevallen bij het concert van Wayne Shorter in de enorme Statenhal. Luid en lelijk, dat lijkt het devies van deze saxofonist, die sinds het uiteenvallen van Weather Report het spoor geheel bijster lijkt. Geheel op zijn plaats was de big band van Illinois Jacquet in het Tuinpaviljoen. De band speelde ouderwets in de goede zin van het woord, bij vlagen rafelig, maar altijd enthousiast. Dat het repertoire bestond uit afgekloven materiaal kon daarom nauwelijks storen. De ballad Ghost of a chance en het aloude Stompin' at the Savoy, het leek of het allemaal gisteren was bedacht. In Blues from Louisiana toonde Jacquet zich vooral een knappe demagoog, in het op altsaxofoon gespeelde Sunny Side of the Street bewees hij zich als romanticus. Pianist Paul Bley lijkt het spelen te zijn verleerd. Zijn zelfbewuste attaque is verdwenen, zijn fraaie en grillige lijnen van vroeger zijn vervangen door aarzelende, soms zelfs kreupele zinnetjes die noch aan de spieren, noch aan de geest appeleren. When will the blues leave? was zijn eerste stuk. Op deze manier nooit, kon men er slechts op antwoorden. Nog treuriger was het optreden van bluesartiest Snooks Eaglin. Deze ooit als straatzanger in New Orleans begonnen gitarist/zanger heeft pas laat de elektriciteit ontdekt, maar haalt zijn schade nu dubbel en dwars in, tot ongenoegen van iedereen met oren aan zijn hoofd. Het Tuinpaviljoen was al niet vol, maar het aanwezige publiek zocht haastig veiliger oorden op. Want dat blijft het aardige van het North Sea Jazz Festival: troost is altijd nabij.