Volwassen

Vorige week werd in de kamercommissie voor welzijn en cultuur gediscussieerd over de verhoging van de literaire staatsprijzen, de P. C. Hooftprijs en de Theo Thijssenprijs. In haar letterenbrief van mei dit jaar stelde minister d'Ancona voor het prijzengeld te verhogen van 25.000 naar 100.000 gulden. Het gesprek ging over de concurrentiepositie tegenover particuliere prijzen (AKO, ECI), over gefaseerde verhoging van het bedrag en over de mogelijkheid een gedeelte van het geld te bestemmen voor vertaling of goedkope heruitgave van werk van de bekroonde. De merkwaardigste opstelling kwam van D66-woordvoerder Aad Nuis. Hij vroeg zich af of de jeugdliteratuur in ons land wel zoveel niveau heeft, dat om de twee jaar een prijs van een ton kan worden uitgereikt. De vraag bleef uiteraard onbeantwoord. De kamer is niet de plaats om de kwaliteit van literatuur te bespreken. Het ging ook eigenlijk niet om een vraag, maar om een suggestieve opmerking, die de kranten haalt en daarna rond blijft spoken.

Ter geruststelling van de geachte afgevaardigde zij eerst opgemerkt dat de Theo Thijssenprijs niet een maal in de twee jaar, maar een maal in de drie jaar wordt uitgereikt. Dat maakt zijn probleem al eenderde minder zwaar. Vervolgens vraag ik mij af waaraan dat voldoende of onvoldoende niveau van het kinderboek wordt afgemeten. Aan de jeugdliteratuur elders in de wereld, aan de Nederlandse literatuur voor volwassenen? Is er volgens de heer Nuis wel voldoende kwaliteit onder Nederlandse kinderboekenschrijvers om regelmatig een halve ton uit te delen of een kwart? En wie moet in staat geacht worden al deze afwegingen met kennis van zaken te maken? Het laatste mij bekende artikel van Aad Nuis over jeugdliteratuur stond in de Haagse Post van 4 oktober 1980 en dateert derhalve uit de nadagen van het wereldhervormende kinderboek. Nuis moppert terecht op de jeugdliteraire kritiek en zet terechte vraagtekens bij het door hem gelezen werk van Thea Beckman, Evert Hartman en Simone Schell. Hij vraagt zich af of echte kinderliteratuur wel bestaat. En vanaf zijn literaire Olympus ziet hij dan maar een auteur: Annie M. G. Schmidt. Niemand zal haar die positie bestrijden, maar Nuis' uitzicht is beperkt. De oorzaak ligt mogelijk in onwetendheid of in een vergevorderde staat van volwassenheid.

Dit verschijnsel doet zich vaker voor bij degenen die vanaf de top het letterenlandschap overzien. Wie bereid is een iets andere positie te kiezen en werkelijk te kijken had ook in 1980 al Wim Hofman opgemerkt, of Paul Biegel, Tonke Dragt en Willem Wilmink, alle drie winnaars van de Staatsprijs. In de afgelopen tien jaar is er bovendien het nodige veranderd. De kritiek verwacht van kinderboekenschrijvers meer dan lessen in verantwoord leven. Er ontwikkelen zich auteurs, die met creativiteit en zorgvuldigheid de taal hanteren en op het niveau van kinderen iets weten uit te drukken, dat ook volwassenen aangaat en aanspreekt.

De Libris Woutertje Pieterseprijs werd als nieuwe literaire bekroning in het leven geroepen en in De Bibelebontse berg zijn interessante aanzetten gegeven voor het schrijven van de Nederlandse jeugdliteraire geschiedenis. Binnen dit samenspel van factoren, dat bijdraagt aan de emancipatie van het literaire kinderboek, was ook de beslissing in 1988 om de Theo Thijssenprijs onder te brengen bij de P. C. Hooftstichting belangrijk. Zo berust bij een instantie de verantwoordelijkheid voor het van staatswege prijzen van het totaal van de Nederlandse literatuur: om de drie jaar de poezie, het proza, de essayistiek en het kinderboek. Het is aan een deskundige jury om te bepalen of de jeugdliteratuur in ons land voldoende niveau bezit voor het uitreiken van de Theo Thijssenprijs en mocht die jury daar aan twijfelen, dan staat het haar vrij de prijs niet toe te kennen. Voorlopig zal het zo'n gezelschap echter weinig moeite kosten de winnaars aan te wijzen. Laat ik een suggestie doen: 1991 Wim Hofman, 1994 Els Pelgrom, 1997 Imme Dros. Inmiddels zijn we dan aangeland in het jaar 2000 en dienen zich Joke van Leeuwen en Margriet Heymans aan als nieuwe kandidaten of wie weet zal er uit het niets en tot verrassing van heel kinderboekenlievend Nederland en van Aad Nuis een nieuwe Annie Schmidt zijn opgestaan.