Siemens-topman: concurrent Plessey wilden we niet uitde weg ruimen

LONDEN, 13 juli Van de hechte samenwerking in de Europese elektronica-wereld die het Westduitse Siemens en het Britse GEC beoogden met de overneming van het Britse Plessey is weinig terechtgekomen.

Volgens Siemens-topman Karlheinz Kaske heeft Siemens zich verkeken op de weerstand die de overneming van Plessey zou oproepen. Dat de Britse overheid een samenwerking tussen GEC en Siemens grotendeels onmogelijk zou maken door de overneming aan ver gaande voorwaarden te binden 'hebben onze adviseurs niet in deze mate voorzien', zegt Kaske.

Op 16 november 1988, bij hun eerste vijandig bod op Plessey, waren GEC en Siemens nog vol optimisme. 'De overneming van Plessey', schreven ze in het biedingsdocument, 'zal als springplank dienen voor verdere gezamenlijke expansie.'

Negen bedrijfsonderdelen van Plessey zouden worden ondergebracht in joint ventures. GEC en Siemens zouden nauw samenwerken bij ontwikkeling en produktie.

Zelfstandig zou Plessey nooit kunnen overleven. Daarom was het in het eigen belang van de onderneming, van de Britse industrie, van heel Europa, dat GEC en Siemens zich over het kleinere Plessey zouden ontfermen, verklaarden de overvallers altruistisch. Door die krachtenbundeling zouden ijzersterke Europese combinaties ontstaan in telecommunicatie, in defensie-elektronica, in componenten.

Ruim anderhalf jaar later blijkt dat GEC en Siemens de Plessey-buidel hebben verdeeld. GEC heeft alle Plessey-firma's ingelijfd die zijn positie in luchtvaart, ruimtevaart en marinesystemen konden versterken. Siemens kreeg de bedrijven die zich bezighouden met radar- en verkeerssystemen. Gezamenlijk nemen ze deel in maar een voormalige Plessey-onderneming: GPT, het Britse telecommunicatiebedrijf.

De joint venture die GEC en Siemens hadden voor de overname van Plessey en die als voorbeeld moest dienen voor de samenwerking tussen beide giganten is intussen ter ziele. Siemens kocht zijn Britse partner in GEC-Osram, een lampenbedrijf, waarin beide partners voor de helft deelnamen, uit.

Plessey omzet 4,7 miljard gulden, 30.000 werknemers had begin vorig jaar al gewaarschuwd dat de Europese samenwerking tussen GEC en Siemens nooit van de grond zou komen. 'Alle retorica betreffende Europa', schreef Plessey in een 'verdedigingsdocument', kan niet verhullen dat ze er alleen op uit zijn een concurrent uit de weg te ruimen.

Maar Kaske spreekt heftig tegen dat dit vanaf het begin de opzet was. Hij zegt dat GEC en Siemens wel degelijk aanstuurden op ver gaande Europese samenwerking. 'Waar we mochten samenwerken, doen we dat ook', verdedigt Kaske zich. Maar de eisen van de Britse autoriteiten anti-kartelcommissie en ministerie van defensie hebben de partners gedwongen hun oorspronkelijke opzet te wijzigen.

Eerst deden GEC en Siemens in februari 1989 zelf al water in de wijn door hun plannen voor samenwerking in defensie-elektronica af te zwakken. Maar het Britse ministerie van defensie beoordeelde ook die bijgestelde voorstellen nog als strijdig 'met de belangen van nationale veiligheid en vrije concurrentie'.

Uiteindelijk moest de krachtenbundeling in defensie-elektronica volledig worden geschrapt.

Bij de verhoging van het bod op Plessey vorig jaar augustus van 1,7 naar 2 miljard pond was nog wel sprake van joint ventures voor chips en lucht- en ruimtevaart. Maar in maart van dit jaar maakten de partners bekend dat Siemens bij nader inzien toch liever ook afzag van deelneming in deze bedrijfsonderdelen. Het Westduitse concern was inmiddels te verstaan gegeven dat dit soort strategische bedrijven volgens de Britse wetgeving alleen door Britse onderdanen mochten worden geleid. En Siemens voelde er niets voor, zegt Kaske, om zonder zeggenschap grote investeringen te doen, met name in het voormalige chipbedrijf van Plessey. Daarbij had onderzoek inmiddels uitgewezen dat dit chipbedrijf Siemens toch minder had te bieden dan was gedacht.

De samenwerking tussen GEC en Siemens, die het begin had moeten vormen van een Europese herstructurering van de elektronica-industrie, is volgens het verhaal van Kaske dus grotendeels getorpedeerd door starre Britse regelgeving. Toch onthoudt Kaske zich angstvallig van kritiek op de Britse autoriteiten. 'Je mag nooit ontstemd zijn over het gedrag van je klanten.'

Ook op de vraag of hij het Britse optreden als economisch contraproduktief beschouwt geeft hij geen commentaar.

Britse waarnemers zeggen dat er ook andere redenen waren waarom de samenwerking op de meeste deelterreinen voortijdig is afgeblazen. Volgens hen is de liefde tussen GEC en Siemens al snel bekoeld door een 'botsing van bedrijfsculturen', en ze noemen het verbond 'van meet af aan een ramp'. Kaske wuift die lezing achteloos weg. Dat de oorspronkelijke plannen zo drastisch zijn bijgesteld heeft volgens Kaske niets te maken met een slechte verstandhouding tussen hem en GEC-baas Lord Weinstock, zoals wel beweerd wordt. 'De relatie tussen GEC en Siemens is anders geworden', zegt Kaske, 'niet slechter'. Kaske bestrijdt ook dat het gezamenlijke telecommunicatiebedrijf GTP stuurloos dreigt te worden door spanningen tussen de partners, zoals sommige klanten vrezen. GTP was het kroonjuweel van Plessey en is nu het enig overgebleven gezamenlijke dochterbedrijf (Siemens 40 procent, GEC 60 procent). Volgens Kaske werken de partners 'in alle harmonie' samen aan de ontwikkeling van een nieuwe generatie openbare telefooncentrales en zijn ze het allebei 'roerend eens over de noodzaak om van GTP een succes te maken'. Niet iedereen is zo gelukkig met de ontmanteling van Plessey. Sir John Clark, zoon van de grondlegger en de laatste president-commissaris, verklaarde eerder in de Financial Times: 'Ik heb het de regering gezegd, ik heb het de pers gezegd, ik heb het de City gezegd: de acquisitie van Plessey in naam van de Europese eenwording is een hoop onzin. Als wat er uiteindelijk is gebeurd in het belang is van het Verenigd Koninkrijk ben ik een aap.'