Pocket

Een schuldig landschap, de bewuste plek, het struikgewas van weleer, het zijn uitdrukkingen van Armando, een onophoudelijk herinneraar van steeds dezelfde periode van vijf jaar. 'Ik moest erg aan de vrede wennen', schreef hij in een van zijn vele terugblikken. 'Al dat geklets over goed en slecht, over zwart en wit. De ervaring had me geleerd dat er mensen bestonden die zeer goed en mensen die zeer slecht waren, maar de ervaring had me ook geleerd dat het merendeel zich in het rijk der tussentinten ophield. Dat was een verademing.'

Het is niet te hopen dat Armando ooit uitgekeken raakt in dat rijk, want men hoeft zijn oorlogsobsessie niet te delen om toch van zijn vele tussentinten te houden. In De straat en het struikgewas die herdrukt als goedkope pocket (De Bezige Bij, fl. 10, -) ineens een roman blijkt te zijn geworden, heeft hij het voor de verandering vooral over zichzelf. Een heuse autobiografie moet men zich er niet bij voorstellen. Armando geeft hoogstens indrukken van zijn Amersfoortse jeugd: gespreksflarden, zijdelingse observaties en glimpen kampleven.

Waarschijnlijk erfde Hella Haasse van haar vader, die detectives schreef, haar voorkeur voor romans met een ongewone structuur. In De wegen der verbeelding (1983) bijvoorbeeld, liet zij wel vijf verhalen door elkaar heenlopen. Ook in de als Salamander herdrukte roman Berichten van het Blauwe Huis uit 1986 (Querido, fl. 12,50) vertelt zij geen eenvoudige geschiedenis. Werkelijkheid en verbeelding staan in deze roman met elkaar op gespannen voet. Het eigenlijke verhaal, dat zich behalve in Nederland afspeelt in Parijs, Zwitserland en het Argentinie van dictator Videla, wordt becommentarieerd door een collectief van welgestelde dorpsbewoners, dat angstvallig de gang van zaken in de villawijk in de gaten houdt. Deze 'wij' mogen van Haasse roddel en achterklap met elkaar uitwisselen, door de ramen van het Blauwe Huis naar binnen gluren en vermoedens uitspreken over mogelijke toedrachten, maar zeker weten doen ze niets en invloed uitoefenen op de geschiedenis kunnen ze ook niet. Aan het eind van de roman maken ze een boze en gefrustreerde indruk. 'Wij weten niet alles, maar wat wij weten verzwijgen wij niet! Wij houden niet van fantaseren, wij schrijven geen romans.'

Zij hebben kritiek op de romanschrijver, die maar van alles kan laten gebeuren in Argentinie, Zwitserland, Parijs en in en om het Blauwe Huis zelf, terwijl zij, de oppassende burgers, het nazien hebben. Hella Haasse maakt zich hier breed voor het rijk van de verbeelding, waarin welgestelden en dictators, anders dan in de echte wereld, ondergeschikt zijn aan de luimen van schrijvers.

Van een andersoortig engagement getuigt Willem van Toorn in zijn roman Een leeg landschap, die als Salamander werd herdrukt (Querido, fl. 12,50). Zijn uit eerdere romans al bekende personage Erik Leeman trekt ten strijde tegen alles wat hem niet zint in de moderne Nederlandse maatschappij: milieuvervuiling, graffiti, discotheken, oprukkende nieuwbouw op het platteland, de verloedering van de binnenstad, de gestage toename van het aantal moskeeen in Amsterdam, het roekeloze rijgedrag van automobilisten. Hij noemt zich een 'kankerende optimist', maar men moet zelf wel uit opgewekt hout zijn gesneden om in dit lege landschap een zonnestraaltje te ontdekken.

Lunchpauzegedichten noemde Jan Arends zijn laatste dichtbundel, uit 1974. Zo lijken deze stakerige, prozaische, beeld- en woordarme verzen ook geschreven te zijn: in grote haast tijdens de lunchpauze. Maar de schijn bedriegt, zoals wel vaker. Er zijn ooggetuigen die hebben kunnen vaststellen hoe moeizaam het weinig omvangrijke oeuvre van Arends tot stand kwam. Van zijn Verzameld werk verscheen na zes jaar een pocketuitgave (De Bezige Bij, fl. 39,50). Uit zijn gedichten klinkt veel angst, woede, verdriet en schaamte op. 'Je gaat/de straat op.// Je neemt/een mes mee/in je hand.// Je laat/iedereen zien/wie je bent.'

Houdbaarder, want met meer distantie geschreven zijn zijn verhalen. Woede, maar dan een superieur soort woede, ligt ten grondslag aan 'Keefman', zijn beste verhaal. In een lange monoloog richt Keefman zich tot zijn psychiater, ironisch aangeduid als 'Vriend', die de volle laag krijgt van zijn onverdraagzame patient. 'Jij denkt: Keefman heeft het goed hier. Jij denkt: voor Keefman is alles goed. Maar is dat vreten dat je hier krijgt. Varkensvreten, dat is het. En dan al die oude vieze schooiers waar je mee aan tafel zit. Want jij zegt wel dat zijn patienten. Maar ik zeg dat zijn helemaal geen patienten. Dat is tuig.' Een van de AKO-prijs-genomineerden van vorig jaar was, waarschijnlijk tot haar eigen verbazing, Helene Nolthenius. Ik weet niet of het met die nominatie te maken heeft of met de nog steeds voortdurende belangstelling voor de middeleeuwen, maar De man van Spoleto is inmiddels aan zijn zesde druk toe (Querido, fl. 39,90). Dat is opmerkelijk, want het boek is hoewel zeker niet taai of stoffig, toch behoorlijk studieus. Erg aardig zijn de overgeleverde verslagen van de volgelingen van Franciscus, maar het meest interessant is de visie die Nolthenius zelf met veel wetenschappelijk voorbehoud ontvouwt op de bedelmonnik uit Assissi, die in zijn extreme ascese nogal gereformeerd aandoet. Zij betoont zich ruimhartig tegenover Franciscus en portretteert hem als iemand die in veel opzichten mateloos was, maar zeker niet gek. Zijn stigmata pijnlijke wonden aan handen en voeten neemt ze hem niet af. Ook andere 'wonderen' mag hij behouden, zoals zijn helderziendheid, zijn telepathische gaven en zijn vuurbestendigheid.

Bijzonder aantrekkelijk is het verslag dat Adriaan van Dis schreef van zijn reis door het China van vlak voor de neergeslagen volksopstand. Aantrekkelijk om te lezen althans. Ik betwijfel of er onder de vele lezers van Een barbaar in China (Meulenhoff, fl. 14,90, zeventiende druk) enige animo zal bestaan om in de voetsporen van Van Dis te treden, want het beeld dat hij geeft van China is weinig uitnodigend. Wat hij ons voortovert is een smerig, stoffig, overvol en lawaaierig land met luid smakkende en om zich heen spugende, boerende en winden latende Chinezen. Chauffeurs met een oog besturen er krakkemikkige bussen, winkelpersoneel munt uit door onbehulpzaamheid, ieder bouwwerk is er even vierkant en Van Dis constateert veel leedvermaak. 'Wij passeren een gekantelde auto. Er liggen gebarsten meloenen op de weg, een man hangt vreemd uit een zijraam, maar wij gaan er lachend aan voorbij.' Wie twijfelt aan het nut van een vakantiereis in het algemeen, doet er goed aan de korte verhalen van Remco Campert te lezen. Graag gedaan is een bundeling van zijn bijdragen aan onder andere de Volkskrant. Zijn notities over het leven van alledag willen wel eens een keer aan de melige kant zijn, maar vaak zijn ze ook erg grappig. In het verhaal 'Kiekjes' geeft iemand die een 'enige vakantie' heeft gehad, uitleg bij de onvermijdelijke foto's. 'Dit zijn Mia en Loes weer die de auto duwen. Zie je op de achtergrond dat prachtige dorpje tegen de bergtop aan liggen? Wacht, ik geef je de loep even. Zie je? Daar wilden we overnachten, maar het bleek helemaal verlaten te zijn. Die vind je veel daar in die streek, verlaten dorpjes. Ontzettend romantisch. Vol wilde katten en slangen en een soort schorpioenen.'