Onzichtbare doelpunten; Polemiek over schrijvers encollaboratie

Al lang voordat Adriaan Venema in 1988 met het eerste deel van zijn cyclus Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie kwam had hij via voorpublikaties een discussie op gang gebracht, die, in hevigheid toenemend, nog steeds voortduurt en waarvan het einde voorlopig nog niet te zien is. Zijn onderzoek naar de houding tijdens de Duitse bezetting van dichters, schrijvers en hun periferie zal immers nog twee boekdelen duren, er moeten appels geschild worden met eerder minder uitvoerig aan de orde gekomen schrijvers en een deel met correcties en aanvullingen zal zonder twijfel nieuwe kringen in het toch al woelige water veroorzaken.

Vooral omdat Venema in zijn persoonlijk gekleurde geschiedschrijving strenge oordelen velt, reputaties afbreekt en in het algemeen weinig moet hebben van verzachtende nuanceringen, wekt hij grote weerstanden. De schrijvers, poeten en literatuurwetenschappers die door hem naar de mestvaalt van lafheid en collaboratie worden verwezen, hebben hun verdedigers. Venema's historische visie die op de indeling fout of goed is gebaseerd vindt steeds meer bestrijders en zijn agressie als het op het weerspreken van kritiek aankomt wekt bij beide groepen tegenstrevers een snel toenemende woede op. Er is zo langzamerhand eerder sprake van een gevecht tussen vijanden dan van een polemiek, er is in opinie-, week- en maandbladen een oorlog aan de gang met schermutselingen, frontale aanvallen en hardnekkig verdedigde loopgraven.

Een van Venema's ergste vijanden die niet langer genoeg heeft aan tijdschriftartikelen, is de neerlandicus Martien J. G. de Jong die in het Belgische Namen als hoogleraar werkzaam is. Hij heeft in het gevecht de brochure, en zelfs het boek nodig. In 1988 begon hij met De dichter en zijn rechters, 'een pleidooi voor eerlijkheid en begrip inzake Nederlandse schrijvers onder Duitse bezetting'. De brochure wordt nu gevolgd door het 109 pagina's tellende geschrift Liever waarheid dan sensatie met de aangescherpte ondertitel 'Met een eerherstel voor Ed. Hoornik en andere slachtoffers van valse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog.'Het boek van De Jong verscheen tegelijkertijd met Venema's Aristo revisited, een tegenoffensief bij dezelfde uitgever waarin Venema op 183 pagina's behalve tegen De Jong ook tegen andere opponenten ten strijde trekt. Aristo was een in de jaren dertig, tijdens de bezetting en zelfs nog na de bevrijding bestaand literair tijdschrift. Onder leiding van de katholieke geestelijke Wouter Lutkie voer het een katholiek-romantische, fascistisch geinspireerde koers met anti-semitische accenten. Volgens Venema zijn achter zijn bestrijders van vandaag nog steeds de Aristo-schimmen te bespeuren.

Rotte vis

De Jong en Venema schelden elkaar uit voor rotte vis, de heren noemen elkaar leugenaar, plagieur, bedrieger, ze honen elkaar als incompetente amateurhistoricus en als achtergebleven docent aan een Belgisch dorpsschooltje. Dat laat zich allemaal aardig lezen, maar de belangstellende toeschouwer langs de zijlijn krijgt het moeilijk als hij moet uitmaken wie van de twee het meeste (on-)gelijk heeft. De doelpunten die zij in hun onbeheerst harde wedstrijd wellicht scoren, onttrekken zich aan mijn waarneming. Er wordt aan beide zijden eindeloos geciteerd uit brieven en andere bronnen, er wordt belachelijk gemaakt omdat de ander verkeerd heeft gelezen of geinterpreteerd, of omdat hij essentiele feiten over het hoofd zag. Om tot een oordeel te komen zou de lezer zich aan de onmogelijke taak moeten zetten om alle bronnen nog eens na te lopen.

Deze lezer heeft dat niet gedaan, hij gaat af op algemene indrukken om toch tot een voorkeur te komen. Die voorkeur gaat uit naar Venema.

Martien de Jong wil in zijn betoog nuanceren en begrip wekken voor de omstandigheden waaronder schrijvende kunstenaars tijdens de bezetting trachtten te blijven functioneren. Hij wil dat begrip tot op zekere hoogte ook opbrengen als het om evident foute scribenten ging, om overtuigde nationaal-socialisten. Daar is weinig tegen, de werkelijkheid is nu eenmaal veelzijdiger en verfijnder dan een zwart-wit-schema. De Jong heeft echter de neiging zijn pleidooi te versterken door er bij herhaling op te wijzen dat er zelfs in het gedrag van algemeen geachte verzetsstrijders ook wel vraagtekens aan te wijzen zijn. Hij denkt daarmee de houding van de mensen die hij wil verdedigen, zo niet van schuld te ontlasten dan toch te nuanceren. De Jong gaat echt te ver als hij suggereert dat sommige joodse schrijvers wel eens wat actiever in het verzet hadden kunnen zijn, in plaats van de passiviteit van de onderduik te zoeken. Hij zegt het niet, maar toch, je zou het uit zijn tekst kunnen proeven. Daar komt bij dat De Jong in zijn beoordeling van collaborateurs en weifelaars te weinig gewicht hecht aan het feit dat zij het anti-semitisme dat het bezettingsregime principieel kenmerkte, negeerden.

Deze elementen in De Jongs betoog brengen zijn gelijk af en toe in de buurt van dat van de man die zegt dat Hitler en Mussolini toch ook hun goede kanten hadden: zij legden autowegen aan, maakten moerassen droog en zorgden dat de treinen op tijd reden.

Straatvechter

In het aprilnummer van Het Oog in 't Zeil heeft Lisette Lewin aangetoond dat Venema veel effectiever gecorrigeerd kan worden dan De Jong probeert te doen. Zij schreef een zorgvuldige reconstructie van bepaalde perioden in het leven van Ed. Hoornik, waaruit zijn oorlogstijd beduidend rijker en veelzijdiger tevoorschijn komt dan in het requisitoir van Venema.

Adriaan Venema kan niet verdragen, het blijkt opnieuw, dat ook getalenteerde dichters bange mensen kunnen zijn, dat schrijverschap en integriteit niet altijd congruent zijn, dat dezelfde man behalve ontroerende regels ook racistische rimram kan schrijven. Natuurlijk weet hij dat al deze schijnbare inconsequenties bestaan maar hij kan het emotioneel niet accepteren. Dat heeft tot gevolg dat hij uitglijdt en zich vergaloppeert, maar het maakt hem niet onsympathiek. Hij is bereid zijn nek uit te steken en in conflict te raken met een literaire en wetenschappelijke gevestigde orde die hem graag als niet-academisch gevormde amateur zou wegzetten. Dat hij dan soms als een straatvechter gaat terugslaan vind ik begrijpelijk.

Er is nog iets. In het verhaal van Martien de Jong is soms de opvatting te bespeuren dat een literaire elite zich meer kan veroorloven dan gewone mensen. Het is een bijna-standpunt dat altijd de kop opsteekt als er een affaire is, ook toen Hermans en Reve vervelende dingen schreven of zeiden over de apartheid en over Surinamers in Nederland. Wat niet wordt gezegd maar wel bedoeld, is dat goed geschreven racisme anders is dan discriminatie. Zelfs in onuitgesproken vorm moet deze hovaardij bestreden worden.