Mijn oergevoel komt boven; de terugkeer van de Bintangs

Vijf jaar nadat ze in Paradiso afscheid namen van hun bewonderaars, maken de Bintangs opnieuw hun opwachting. Reizend door het land bepaalt Nederlands oudste popgroep zich weer tot haar specialiteit: rauwe rock die door merg en been gaat. 'Het maakt natuurlijk groot verschil of je een gitaar aait of, zoals wij, hard aanpakt.' De IJmond is het territorium van de Bintangs. Hier zijn ze geboren en gingen ze naar school, hier traden zij dertig jaar geleden voor het eerst op als groep en in deze omgeving wonen tot op heden hun meest fanatieke aanhangers. De streek boven het Noordzeekanaal draagt daarvan de sporen: een viaduct dat toegang geeft tot Beverwijk en een blinde muur in IJmuiden zijn al jaren gesierd met het woord Bintangs, een eerbetoon dat aangeeft hoezeer de oudste popgroep van Nederland in dit gebied is geworteld.

Het is dan ook logisch dat de muzikanten vijf jaar na een geruchtmakend afscheid van het publiek hier aan een nieuwe fase begonnen in hun bestaan. Sinds enkele maanden komen de Bintangs weer als vanouds wekelijks bijeen in hun vroegere hoofdkwartier, een verlaten legerbarak in de vrije natuur rond de Hoogovens. Naast de duivensportvereniging Het Atoom en niet ver van de aquarium-societeit Tropica, beschikken zij daar over een lokaal zonder ramen dat grotendeels is gevuld met geluidsapparatuur, twee drumstellen en enkele kapotte barkrukken; het morsige tapijt is bezaaid met snoeren, peuken en bierdoppen. Het is een ideale entourage, vinden de Bintangs, om 'echte rock' voort te brengen, dat wil zeggen 'ruige, recht voor z'n raap gespeelde muziek met een hard, rauw en smerig geluid'. Op een landerige donderdagavond, als tot in verre omtrek verder niets valt te beleven, laten zij horen wat dit betekent. De vijf repeteren Allright, een nieuw en strijdbaar nummer over de slechte behandeling die 'rock 'n roll-bands' op reis door het land ondergaan. I know we can dream/ I know we can scream meen ik op een gegeven ogenblik te verstaan, en ook: I know we are tough enough for survival. Navraag leert dat het nummer eindigt met wat tekstschrijver Frank Kraaijeveld aanduidt als een oude Chinese wijsheid van eigen vinding. The bigger the oak/ the thicker the smoke (oho), zingt hij, maar met uitzondering van het laatste woord verdrinkt de tekst in een geluidsexplosie, die de organen doet trillen en door zijn volume de geest van muizenissen bevrijdt. In de stilte na afloop overheerst enige tijd een suizend gevoel, dat doet denken aan de sensatie die luchtreizigers ondergaan als na een transatlantische vlucht het toestel is geland.

'Ja, het gaat door merg en been', beaamt zanger en gitarist Gus Pleines, met glanzende ogen. 'Daar doe je het allemaal voor, iets mooiers dan dit is er niet.' Desondanks besloten de Bintangs in 1985 tot opheffing van de band, die na 24 jaar, 120 singles, 11 lp's en 40 verschillende bezettingen naar hun idee haar beste tijd had gehad. In het Amsterdamse Paradiso, waar in 1978 twee groepsleden tijdens een optreden waren flauw gevallen, gaven zij in maart een laatste concert in feestelijke stijl. Frank Kraaijeveld ging verder met een eigen band, maar na een hoopgevend begin werd hem duidelijk dat hij 'de echte creativiteit' daarin niet kwijt kon. 'Als muzikant verzand je al gauw in een sfeer van dodelijke routine. Want hoe gaat het in de praktijk: je stapt in een busje en arriveert na een paar uur rijden in een zaaltje of een kroeg, waar je van 9 tot 1 uur een programma afdraait voor mensen die daarin nauwelijks zijn geinteresseerd. Na verloop van tijd voelde ik me een levende jukebox. Net voor het te laat was, toen bijna het punt was bereikt dat ik muziek maken vervelend ging vinden, zochten de jongens van vroeger en ik steun bij elkaar. Zo gauw we samen speelden, wist ieder van ons dat alles weer goed was: we voelden dat we elkaar oplaadden en inspireerden, dat de muziek naar behoren vlamde.' Dit laatste was mede te danken aan nieuwkomer Kees Brouwer, een drummer die als dertigjarige de Benjamin is in het gezelschap van Kraaijeveld (45), gitarist Jack van Schie (35) en gitarist/fluitist Jan Wijte (43). Hoewel Kraaijeveld even bang was dat het afscheid en de daarop volgende come-back van de groep doen denken aan 'zwendelarij', is de bijval voor de vernieuwde Bintangs boven verwachting. In Veendam, meldt hij, traden ze op voor 1750 man, in Haarlem bleek de zaal zo vol dat 300 belangstellenden werden weggestuurd en ook elders was er de afgelopen maanden sprake van 'een fanatieke aanhang', die meestampte en -zong en zo mogelijk op het podium sprong.

Decibels

Van het begin af aan danken de Bintangs hun faam vooral aan hun harde spel, waarbij subtiliteit altijd nadrukkelijk werd geweerd. Het was nooit expliciet de opzet het publiek met het volume overlast te bezorgen, al moest Pleines indertijd toegeven dat het aantal decibels de pijngrens dicht benaderde. 'Het maakt natuurlijk groot verschil of je een gitaar aait of, zoals wij, hard aanpakt,' stelt Kraaijeveld. 'Toch is het bereikte effect in de eerste plaats afhankelijk van de overtuiging, van de intensiteit waarmee je dit werk doet. Om mezelf als voorbeeld te nemen: een wilde jongen ben ik niet, maar als ik op het podium sta en mijn ogen dicht doe, komt als in een trance mijn oergevoel naar boven. Wat dan klinkt is rauw en direct, maar volgens de mensen in de zaal voornamelijk hard, soms te hard dat zeiden ze al toen we vroeger in de kroeg een microfoon plugden in een versterkertje van vijftig watt en ze zeggen het nog nu we een muur van geluid optrekken. Maar daar storen wij ons niet aan: als we de zaak zachter zetten wordt het keurig, dan missen we de gruizelige klank die we nu hebben.' Frank Kraaijeveld leerde als schooljongen gitaar spelen aan de hand van aanwijzingen uit boekjes. De opgedane kennis bracht hij aan het eind van de jaren vijftig in de praktijk in de Sky Rockets en de Black Phantoms, twee van de bandjes die in de IJmond met zijn vele kinderrijke gezinnen al vroeg weerklank vonden. In 1961 richtte Kraaijeveld met Meine Fernhout, zijn broer Arti en een aantal 'Indische jongens' de Bintangs op, een Maleis woord dat 'sterren' betekent. De band, die mocht oefenen in de kelder van een flatgebouw waar volgens Kraaijeveld voortdurend sambal werd gemaakt, beperkte zich aanvankelijk tot goedmoedige nummers in de trant van The Shadows en The Ventures. 'Maar gaandeweg werden we ons ervan bewust dat er meer op de wereld was dan leuke dansmuziek. Eindeloos zoekend op de radio naar iets dat buiten het geijkte patroon viel, maakten we kennis met de oude blues en hier toen nog onbekende figuren als Bo Diddley en Chuck Berry. Daarna volgden de eerste schokken van The Rolling Stones.

Die lui hadden dezelfde ontdekkingen gedaan als wij, maar dank zij platen die door zeelui waren meegenomen naar Engeland waren zij ons twee jaar voor.' Nadat de Indonesische tak van de Bintangs zich had afgescheiden, sloegen Kraaijeveld en de zijnen, aangevuld met gelijkgestemden, nieuwe wegen in. 'We waren idealistisch en zeer fanatiek. Anders dan de meute muzikanten die alleen maar wat gezellig wilde spelen, oefenden wij serieus en zaten we na afloop avond aan avond over muziek te praten. Dat was het belangrijkste in ons leven. Als leden van de eerste Nederlandse groep die bezig was met blues hadden we het idee baanbrekend te zijn. We voelden ons een soort profeten, of op zijn minst pioniers die iets hadden ontdekt waar de grauwe massa nog geen weet van had. Daardoor was er een sfeer van saamhorigheid die, achteraf gezien, misschien iets weg had van die bij een groep als De Stijl.

Zeker de eerste tijd vormden we een gezelschapje van geestverwanten, dat optrad als een hechte eenheid.' De verbondenheid van de Bintangs bleek ook in hun uiterlijk, dat van meet af aan te boek stond als gedurfd. Ze hadden naar de maatstaven van die tijd lang haar en droegen, aldus Kraaijeveld, corduroy-broeken met brede rib, zwarte colberts en 'bordeelschuivers met spekzolen'. Daarmee voegden ze een eigen element toe aan de toenmalige jongerencultuur, die boven het Noordzeekanaal werd bepaald door de rivaliteit tussen nozems (vetkuiven, bromfietsen) en de meer artistiek uitgemonsterde kikkers. De Bintangs bleken tot hun verrassing voor beide groepen acceptabel en ook buiten de eigen regio groeide hun aanhang. Ouderen echter toonden zich bezorgd over de band, die naar zij vreesden jongeren van het rechte pad af bracht. Hun vermoeden leek bevestigd toen in 1964, kort nadat de Stones in Den Haag Nederlands eerste pop-rel hadden veroorzaakt, het publiek er tijdens een Bintangs-avond in Beverwijk een puinhoop van maakte. 'Eindelijk breekt jeugd zaal af bij optreden van Kabalje Bintangs', aldus de volgende dag de kop in een plaatselijk dagblad, dat iets dergelijks blijkbaar had voorzien.

Zangzuilen

Van een nadelige invloed van dit soort incidenten was weinig te merken. Een jaar later speelden de Bintangs, zo werd gemeld, in de circustent van Boltini de Kinks van het podium af en in 1966 dienden ze in Den Bosch als ouverture voor een optreden van de Rolling Stones. 'Dat gaf ons een geweldige impuls,' herinnert Frank Kraaijeveld zich. 'Ook voor zo'n wereldgroep was alles toen veel kleinschaliger, dus je stond er met je neus bovenop. Ze hadden alleen twee gehuurde zangzuilen en een drumstel, dat hun manager in een bestelbusje aanvoerde en zelf het podium op sjouwde. Als je achter in de zaal stond kon je niet horen wat ze speelden.' Met platen als Ridin' on the L en N en Travelling in the USA boekte de band aan het eind van de jaren zestig goede resultaten, maar daarna zorgde de flower-power periode voor een onverwachte malaise. 'De mensen rookten hasj, hingen kleden aan de wand en hadden opeens een voorkeur voor psychedelische muziek met orgels en ellenlange solo's. In die tijd raakten we gedemotiveerd, van al het repeteren zagen we het nut niet meer en de verveling sloeg toe. Maar op het dieptepunt van die jaren, toen een aantal mensen de groep al had verlaten, vonden we de inspiratie om terug te keren naar wat wij zien als onze wortels de pure blues van mensen als Muddy Waters. Blues on the Ceiling, onze eerste lp, was het resultaat.' In wisselende bezetting (want nieuwe Bintangs kwamen en gingen) werkten ze vervolgens aan de vervolmaking van de 'Bintangs-sound': een samenspel, aldus de musici, van Hawaii-gitaren, stevig slagwerk, het mondorgel van Pleines en de dwarsfluit van Jan Wijte, die soms even 'de ijle klanken van een betere wereld' laat horen. Een belangrijke factor is bovendien, zeggen ze, de combinatie van de snijdende stem van Pleines met het aangrijpende geluid van Kraaijeveld, die uit alle macht boven zijn collega uit probeert te komen.

De drang daartoe is waarschijnlijk sterker geworden sinds hij twaalf jaar geleden zelf teksten begon te schrijven. 'Het zal wel gek klinken, maar in het begin heb ik me laten beinvloeden door Nabokov. In Lolita onderstreepte ik passages waarin een zeker ritme zit. 'I knew exactly what I wanted to do and how to do it' een dergelijke zin kan je volgens mij zo zingen. Een andere inspiratiebron was Chuck Berry, een rock 'n roll-poet die zijn volzinnen achter elkaar uitspuwt. Ze gaan steevast over auto's, dames of dansen (en soms over dit alles tegelijk), maar die beperking is zijn kracht. Verder was er natuurlijk Bo Diddley, die bij voorbeeld een nummer wijdde aan twee vliegen die op een vuilnisbak zitten op zo'n simpel uitgangspunt ben ik jaloers.' Uit angst vast te lopen in rijmelarij of (nog erger) kleinkunst, waagt Kraaijveld zich niet aan de Nederlandse taal: alleen in het Engels kan hij zijn gevoelens uiten in teksten die aansluiten bij het geluid van de Bintangs. Veel van zijn nummers gaan over het grotestadsleven (We got lost in town/ cruisin' from bar to bar / we took a drink/ and yet another), maar ook minder gebruikelijke onderwerpen komen aan de orde. Zo schreef hij een nummer over een man die elke dag een filmopname van zichzelf maakt en aan het eind van zijn leven al dit materiaal achter elkaar afdraait, zodat hij zich razendsnel ziet verouderen; een andere keer nam hij als thema de moordzuchtige neigingen van een man, die na twee voorbijgangers te hebben gedood de hand slaat aan zichzelf. 'Het is vreemd,' vindt hij zelf: 'zo gauw ik werk aan een nummer komt die donkere kant in me boven. Hoe dat komt begrijp ik ook niet. In het dagelijks leven ben ik niet neerslachtig, behalve dan als ik vruchteloos probeer iets op papier te zetten. Het zogenaamde creatieve proces, waar buitenstaanders zo lyrisch over doen, is in zo'n geval iets verschrikkelijks.

Maar tijdens een concert ligt dat achter me, dan ben ik alleen maar een uitvoerend artiest die zich uitleeft zonder schroom. Of er nu 50 of 5.000 man voor me staan maakt niet uit ik sluit de ogen, kruip in mezelf en kom in een roes. Soms wek ik daarbij de indruk dronken of stoned te zijn, maar vergis je niet: ik ben dan broodnuchter en voel dat ik de mensen in mijn macht heb, dat ik ze vast kan houden zolang ik het wil.' Twee dagen later geeft hij een overtuigende demonstratie van zijn kunnen. In een jeugdcentrum in Heemskerk, waar de groep in de loop van de jaren naar schatting dertig keer optrad, brengen de Bintangs met de ruige rock die hun handelsmerk is het publiek buiten zinnen. Als Frank Kraaijeveld na afloop soppend de kleedkamer binnenkomt, lijkt hij iemand die zojuist een stortbui over zich heen heeft gehad. Het deert hem niet: 'Zo'n avond geeft me een geluksgevoel', zegt hij, zijn hemd en broek uitwringend.

Drummer Kees Brouwer kijkt bewonderend toe. 'Die man is een geweldenaar,' vindt hij. 'Steeds weer sleurt hij je mee.'