Hoogstandjes

De kranten herdachten deze week Hans Faverey unaniem als een groot dichter. Hij werd 'de dichter van de harmonie' genoemd, maar ook las ik de positief bedoelde omschrijving: 'Faverey loensde een beetje en dat doet zijn poezie ook.'

Weer een andere herdenker wees op Favereys 'onnavolgbare redeneertrant, die zich kenmerkte door een stevig gebruik van de paradox en de tautologie'.

In enkele necrologieen werd het volgende gedicht afgedrukt, dat kennelijk typerend is voor Favereys werk. De chrysanten, die in de vaas op de tafel bij het raam staan: dat zijn niet de chrysanten die bij het raam op de tafel in de vaas staan. De kneep van dit gedicht zit hem erin dat bij de herhaling de drie woorden 'in de vaas' naar voren zijn verplaatst, waardoor de logische structuur a = a ogenschijnlijk wordt aangetast. Hetzelfde en toch niet hetzelfde, zou Mulisch zeggen. Wat is er nu precies veranderd? Volgens Robert Anker in Het Parool drukt het gedicht uit dat je iets heel anders ziet, wanneer je de chrysanten vanuit een andere hoek bekijkt. Een andere hoek suggereert een andere plaats van de waarnemer, maar dat lijkt me onjuist. Het is meer iets met het scherp stellen van de lens. De camera (of het oog) zoemt in op de vaas, of neemt eerst het totaalshot van het raam. Toch blijft bij dit soort poezie altijd de vraag: is dit nu bijzonder diepzinnig, of is het bijzonder triviaal? Ik wil daar niet onmiddellijk een radicaal antwoord op geven, maar soms krijg je het gevoel dat dit soort dichters problemen aansnijdt die door logici en taalfilosofen al veel eerder en veel eleganter zijn geformuleerd.

Bij het gedicht van Faverey moest ik dan ook denken aan een hoogstandje van Bertrand Russell, die de stelling bewees: als 2 + 2 = 5, dan ben ik de paus. Hij deed dat ongeveer zo. Als wij aannemen dat 2 + 2 = 5, dan trekken wij eerst van elk lid der vergelijking 2 af, zodat wij nu krijgen 2 = 3. Dat draaien wij om tot 3 = 2, waarna er vervolgens aan weerszijden weer 1 van wordt afgetrokken tot 2 = 1. De paus en ik, dat zijn er twee, maar omdat 2 = 1, moeten de paus en ik ook dezelfde figuur zijn. Hieruit volgt dat ik de paus ben. Wie van dit soort redeneringen houdt, moet Ik denk dus ik lach van de wiskundige John Allen Paulos lezen. Dit boek is een paar maanden geleden in vertaling verschenen, maar ik heb het op een klein stukje na nergens besproken gezien. Als we Paulos mogen geloven dan is de grootste bijdrage aan de moderne filosofie geleverd door Groucho Marx. Uitgangspunt van het boek zijn dan ook twee uitspraken van Groucho: het bekende 'Ik zou nooit lid willen worden van een club die bereid is mensen zoals ik aan te nemen' en het minder bekende, maar wel zo geniale 'Als ik een paard had, dan zou ik je er met de paardezweep van langs geven!'.

Ongrijpbare wisecracks, die dansen, over elkaar heen buitelen en zichzelf in de staart bijten. Adembenemend vond ik deze paradox. Een rabbijn krijgt van een student de volgende vraag voorgelegd: 'Hoe komt het dat u altijd voor elk onderwerp wel een passende parabel klaar heeft?' De rabbijn glimlacht en zegt: 'Daarop zal ik in een parabel antwoorden' en hij vertelt het volgende verhaal. Een luitenant van de tsaar zag eens op een muur de honderd kleine krijtcirkels, met precies in het midden een kogelgaatje. De luitenant hield een voorbijganger aan en vroeg wie de schutter was van deze rake schoten. 'Oh', zuchtte de voorbijganger, 'die zijn van Shepsel, de zoon van de kleermaker. Maar die is een beetje getikt.' 'Maar hoe', zei de luitenant, 'kan iemand die getikt is zo goed schieten?' 'Maar u begrijpt het niet. Shepsel schiet eerst en pas daarna trekt hij de cirkeltjes er omheen.'

De rabbijn glimlacht en zegt: 'En zo is het ook met mij. Ik zoek nooit een parabel voor mijn onderwerp. Ik breng alleen onderwerpen ter sprake waar ik parabels bij heb.'

Een wijs man die rabbijn, maar wat een leugenaar, want hoe kon hij van tevoren weten welk onderwerp de student met zijn vraag zou aansnijden?