Hier eet men sinaasappels met een vork

Gent St. Pieters. Het derde en laatste station waar ik over moet stappen. De enige trein die je hier, op perron 12, mag verwachten, is een nostalgisch boemeltreintje met als eindbestemming de Belgische kust. Een badplaats vol oude chique en vergane glorie. Een krakende film in zwart-wit. Kinderen met strohoedjes, aan de hand van in cremekleurige maatkostuums gestoken grootvaders.

In de stad die tot op heden de meeste indruk op mij heeft gemaakt en waarvan boze tongen beweren dat zij binnen afzienbare tijd in zee zal zijn verdwenen, heeft men toeristen verboden op straat te eten. Un poco di rispetto, per favore!Waar is toch het kranteartikel gebleven waarin een soortgelijk beeld geschetst werd van mijn huidige eindbestemming? Gesproken werd over schaars geklede, frites-etende toeristen met rugzak, die naar de mening van de badplaatsbewoners afbreuk deden aan de stijl die hun plaats van oudsher uitstraalde.

Ik wacht op de trein naar Knokke. Ik ben in het buitenland en net zo ver van huis als de Amerikaanse vrouw die, toen de trein Antwerpen binnenreed, tegen haar man opmerkte: 'The architecture looks Russian to me', terwijl ze peinzend uit het raam keek.

Wat opvalt zijn de blote, oudere-dames-benen, waarop zich uitstekende concentraties van dikke paars-blauwe aderen vertonen. Zij ondernemen verwoede pogingen de huid open te drukken. Vlug, heilzaam zeewater, laat ons contact maken! Een vrouw op witte sandalen draait haar duimen over elkaar. Van haar strakke zwarte rok staat de onderste knoop open. Net boven haar knie zijn de rafels te zien van een witte onderrok.

De lucht is weer blauw wanneer we de kust naderen. Zo ver het oog reikt, zie ik betrekkelijk kale vlaktes en huizen als boerderijen, met oranje dakpannen op enorme daken. Ik haal mij het beeld van de conducteur voor de geest. Zag de man er niet ervaren en betrouwbaar uit? Zijn stem klonk resoluut en heeft niet gehaperd toen hij ons via de luidsprekers de naam van deze plaats meedeelde.

Een plakkaat onder de stationsklok verwelkomt haar Nederlandse bezoekster in vier talen. Na een ruim drie uur durende treinreis ben ik aangekomen in Knokke-Heist. Bij de uitgang van het station steek ik de weg over, in de richting van Knokke-Het Zoute. Waarheen kan deze weg anders leiden dan naar de zee? Het Lippensplein.

Ik stel mij voor hoe een ouder echtpaar, gezeten aan een tafel vol folders en reisgidsen, de vinger legt op een afbeelding van het fraaie hotel Rust aan Zee. Vastbesloten, de bewuste gids in mevrouws handtas, begeven zij zich naar het reisbureau. Enthousiast tonen ze kinderen en andere bekenden hun zomerse reisbestemming. 'Heerlijk!' verzuchten dezen in koor. 'Alleen de naam al!' Ik zou graag oversteken, maar het drukke verkeer op dit plein, dat tevens onderdeel van een doorgangsweg blijkt te zijn, biedt hiertoe weinig gelegenheid.

Het plein gaat over in de Lippenslaan. Op de plaats waar ooit een pand moet hebben gestaan, liggen bergen bakstenen. De hekwerken ter afrastering en bescherming van passanten zijn omgevallen en liggen op het puin. Op een van de hekken is een bord bevestigd met daarop de tekst 'Wandeling II'. De kranten- annex sigarenverkoper trekt vragend zijn wenkbrauwen op. 'Een krant met nieuws over hier? Over Knokke?' Zichtbaar nadenkend bekijkt hij de kranten van de dag. Nee, het spijt hem zeer, hij kan me niet helpen. 'Hier gebeurt nooit iets.' De Lippenslaan is lang en recht. Bloembakken, vlaggen en bomen scheiden de twee rijstroken. Winkels en restaurants in aaneengesloten rijen, een enkele keer onderbroken door de brokstukken van een neergehaald pand. Het geluid van een drilboor in een bureau de vente. Bij de entree van Hotel Prins Boudewijn wordt de hotelgast door middel van een handgeschreven papier op de ruit kenbaar gemaakt dat tussen 24.00 en 7.30 uur een toeslag op het gebruik van de nachtbel staat, a raison van 350 francs per kamer.

De gesloten winkels en bijna verlaten straten geven nog eens aan dat ik mij in het buitenland bevind. Zuid-Europa begint in Vlaanderen en een Zuideuropeaan gaat tussen 12 en 2 uitgebreid warm lunchen. Elk restaurant heeft zijn eigen lunch van de dag: stoofvlees met appelmoes, rundsburger met jonge worteltjes, of, in een restaurant dat genoemd is naar een Romeinse epicurist-gastronoom, die zijn gehele kapitaal aan de kookkunst besteedde en zelfmoord pleegde toen het fortuin opraakte: lamsbout. 'Nee', beaamt de gastvrouw, terwijl ze haar neus optrekt, 'het is nog niet druk voor begin juli. Ik weet ook niet oe 't komt.' Achter mijn rug hoor ik de serveerster de meest verrukkelijke desserts opnoemen. Een mannenstem onderbreekt haar met de woorden 'een decafe graag, juffrouw'.

Twee heren eten sinaasappelpartjes met een vork. Om half drie zet de straat zich weer in beweging. Nu eerst naar de boulevard en vervolgens eens informeren waar zich het oude centrum bevindt. Ik sla zijstraten in, maar om de zee te bereiken, hoef je alleen maar de Lippenslaan uit te lopen. Het strand is bezaaid met witte huisjes. Hondehokken? Kleedruimtes? Paarse parasols en witte, geplisseerde zonneschermen, bij elkaar gegroepeerd als een doolhof, waaruit zich van tijd tot tijd een hoofd opricht, waarvan ik hoop dat het de uitgang nog voor het spitsuur terug zal kunnen vinden. De hoge appartementencomplexen aan de kale boulevard zien er leeg of onbewoond uit. Waar zijn de ezeltjes? Waar de kinderen in matrozenpakjes, bedelend om een windmolentje? Hoe kom ik aan een beeld van Knokke dat niet blijkt te bestaan? 'Iets specifieks van Knokke?' Nu heb ik het meisje van het toeristisch informatiecentrum in verlegenheid gebracht. Koortsig bladert ze in folders en brochures. Ik zou naar de Kalfmolen kunnen gaan en ook het kerkje in de open ht is erg aardig. Nee, luister nou eens, het oude Knokke, daar waar Knokke ontstaan is. Er is geen oud centrum. Knokke is ontstaan op de plaats waar de Kalfmolen staat. Ik kan ook van hier naar Nederland lopen. Het is een mooie route en slechts negen kilometer. Ze glimlacht verontschuldigend. 'Ik vind het zelf ook treurenswaardig.' Een verhuurder van strandtentjes vertelt over de uit de grond rijzende hoogbouw in de laatste vijf jaar, over het verdwijnen van de mooie, oude gebouwen. Hij licht een tipje op van de zwartgeldsluier die door Nederlanders en Duitsers over de appartementen wordt gelegd. Tegen de houten muur van zijn werkruimte hangen enkele foto's.

Knokkes strandleven, enkele decennia geleden. Gesoigneerde heren met opgerolde broekspijpen, kinderen met strohoedjes. Naast de zwart-wit prenten een tegel met de tekst 'nooit de moed opgeven'. Het is een prachtige stranddag. Ik laat de hokjes en de windschermen achter me en leg me op mijn buik in het zand, het gezicht naar de zee. Niets zo mooi als de zilveren weerschijning van de namiddagzon in het water. Het verleden ligt niet achter mij, maar op de bodem van de Noordzee, misschien wel daar waar zich die boortoren bevindt.

Hilde de Bresser debuteerde met de verhalenbundel 'Vreemde gasten'.

    • Hilde de Bresser