Globe

Op een dag, op een uur toen nog geen mens wakker was, liep Jakhals hongerig door het veld. Hij had al dagen niets gegeten. Een jakhals jaagt nu eenmaal niet graag. Het rennen laat hij aan een ander over, hij eet liever mee zonder zich vooraf te vermoeien. Jakhals was juist een heuvel opgeslopen en lag gespannen op de uitkijk zijn maag tegen de grond gedrukt, zijn oren gespitst en plat naar achter en naar voren... Wat zag hij daar in de kloof? Niemand minder dan Oom Leeuw, knauwend aan een schaap, een boerenschaap met een vette hangstaart. Die heeft geluk, dacht Jakhals en hij schuurde zijn lege maag nog eens over de grond. Op dat moment waaide er juist een stuk papier langs zijn snuit en plotseling kreeg Jakhals een slim idee. Hij vouwde het papier in de vorm van een brief, rende er mee de heuvel af en riep; 'Goedemorgen Oom Leeuw.'

'Morgen, Neef.' 'Ik zie dat u een boerenschaap te pakken heeft.'

'De dikste die ik ooit ving.' 'Goed dat ik u zie, ik sprak vanmorgen Tante Leeuw. Ze vroeg me u deze brief te geven.' Leeuw nam de brief aan, hield hem ver voor zich uit, drukte hem tegen zijn neus, draaide hem naar links, rechts, ondersteboven en zei: 'Ik ben mijn bril vergeten. Lees jij hem maar voor.'

Hij gaf de brief weer terug en poetste uit schaamte zijn snorharen op. (Leeuw was nog van de oude stempel en kon nog niet lezen en schrijven.) 'Ach, ach,' zei Jakhals en deed of hij las, 'er staat dat Oom een vet boerenschaap moet doden en het door mij bij Tante thuis moet laten bezorgen. Haar kinderen vergaan haast van de honger.'

'De ezel die ik haar vorige week heb gebracht is klaarblijkelijk slecht gevallen,' zei Leeuw. 'Ik hoop dat een schaap haar beter smaakt. Ik wil geen kwaad spreken maar Tante is nogal humeurig. Neem dit schaap maar en houdt de ingewanden voor de moeite.' 'Dank u edele Oom, Koning van de beesten,' zei Jakhals met flemende stem, 'wat bof ik toch, dat ik, nederig schepsel, een koning als oom heb.'

En Jakhals verdween met het schaap.

Leeuw kwispelde trots met zijn staart en trok dieper de kloof in. Daar zag hij op een rotsblok een steenbokje met grote zachte ogen. Het hield haar neus in de wind en een pootje opgetrokken. Steenbokje snoof, snoof; haar flanken trilden. Grote wrede ogen keken haar aan. Leeuw sloop naderbij. Steenbokje verstijfde van angst, bewoog niet meer. Een sprong en Leeuw hing aan haar rug. Steenbokje blerde. Rood bloed droop uit haar nek. Zo stilt het schone de honger van het wrede. Leeuw genoot van zijn ontbijt en sliep uren in de schaduw van een rotsrand.

Toen Leeuw wakker werd was het avond. Hij voelde zich weer kwiek en hongerig. Voor hij uit jagen ging, liep hij even langs bij Tante en de kinderen. Hij wou weleens horen hoe zijn boerenschaap had gesmaakt. Maar wat een gekrijs en geschreeuw trof hij daar thuis. Een tierende tante, krabbend van woede, hongerige kinderen, derrie tegen de muren en nergens een schapebot om op te knauwen. 'Oo, oo,' jammerde Tante, 'wat is Jakhals toch een laag dier.'

'Wat is er gebeurd,' vroeg Leeuw, 'waar is Jakhals?' wordt vervolgd

    • Adriaan van Dis