Een kortstondige huif over het zijnde; Gedichten van Hans Favery

Het heeft iets primitiefs om van gedichten te zeggen dat je ze mooi vindt. Gedichten zijn 'bijzonder', of 'moeilijk', soms ook 'bijzonder moeilijk'; ze zijn 'ontroerend', 'helder', 'intelligent' en wat niet al, maar 'mooi' kunnen ze eigenlijk niet zijn. Daarvoor is het adjectief te algemeen, en dus te weinig karakteristiek, en dus te nietszeggend. Wie een gedicht mooi vindt, heeft het nog niet goed gelezen.

Het bijzondere van de poezie van Hans Faverey is dat zij zo mooi is. En het bijzondere is bovendien dat zij dat niet alleen bij eerste lezing of op het eerste gehoor is, maar ook na duchtige bestudering. De meeste hedendaagse dichters praten, denken, delibereren, debatteren, stamelen, verwijzen of stellen programma's op in hun poezie. Faverey doet dat ook wel, op zijn eigen manier, maar hij doet vooral een beroep op ons gevoel voor schoonheid. Of als dat te ouderwets klinkt, op ons gevoel voor mooi.

Favereys poezie is vooral zo mooi omdat hij zulke mooie woorden gebruikt een constatering die zo mogelijk nog primitiever is, op het tautologische af (wat doet een dichter anders dan mooie woorden gebruiken), maar die als voordeel heeft dat zij overeenkomt met de primitieve sensatie van muziek, van verliefdheid en van sprakeloosheid die zijn werk oproept. Faverey moet, zoals alle dichters die wel componist hadden willen zijn, aan woordverliefdheid geleden hebben. Dit is een van de mooiste gedichten uit Het ontbrokene, zijn laatste bundel: Zoals een man staat in zijn tuin, na de regen, in zijn bleu-de-Nimesplunje, enkele opzij gevallenpioenrozen opricht; zijn korte kuch, die de zon even doet doorbreken; vergeten, zo lijkt het, de roerlozegranieten zee onder zijn voeten, opgestaan uit een van zijn duizenddoden; een man in zijn tuin, een kortstondige huifover het zijnde.

Dat zo'n gedicht treft, en zich in het geheugen vastzet, moet wel te maken hebben met het zorgvuldige arrangement van woorden. In een eenvoudig decor van een man, in zijn tuin, na de regen, krijgen woorden als pioenrozen en granieten zee een bijzondere glans, alsof de zon er net als in het gedicht zelf even op schijnt. Je hoeft een vreemd woord als bleu-de-Nimes (een kleur? een stof? blauwe werkkleding?) niet te kennen om te zien dat het een mooie contrastrijke combinatie aangaat met een alledaags en sjofel woord als plunje. Eenzelfde tegenstelling is er tussen pioenrozen en zijn korte kuch, en tussen granieten zee en onder zijn voeten: subtiele voorbereidingen voor wat het hoogtepunt van dit gedicht vormt, het mooie, oude, vreemde en bij eerste lezing nog helemaal niet begrijpelijke woord huif.

Het effect van zulk taalgebruik valt moeilijk aan te tonen, maar het laat zich enigszins meten als je de mooie woorden probeert weg te denken en vervangt door minder glanzende equivalenten. Dan zie je het verschil tussen Faverey en zijn epigonen, tussen blinkend schoon en grauwsluier, tussen een Faverey-gedicht en een pretentieuze meditatie. Zeker heeft zijn poezie een meditatieve kant, en zeker heeft hij zelf zijn gedichten eens 'onthechtingsoefeningen' genoemd, maar daarnaast appelleren ze juist door hun bijzondere woordkeus aan zoveel meer: aan erotiek, aan humor, aan iets aards.

Het is moeilijk om over het karakteristieke van Favereys poezie te schrijven zonder in wazigheden te vervallen en dat zal de reden zijn waarom het in de Faverey-studie vaak dan maar om 'de interpretatie' gaat, en die is problematisch genoeg. Zoals in dit gedicht de precieze betekenis van Zoals dat geen vervolg krijgt. Favereys gedichten bevatten vaak dergelijke halve vergelijkingen, gladde overgangen en slinkse verbanden. Kunnen wij ons werkelijk voorstellen dat iemands korte kuch de zon te voorschijn roept? Kunnen wij snappen dat iemand uit een van zijn duizend doden opstaat? En wie of wat bedoelt de dichter met zijn mooie huif, zijn kortstondige huif over het zijnde? De man? Of de tuin? Of dit hele tafereel? Of het zonlicht dat alles even in een ander licht stelt en zo buiten de tijd tilt? Of eigenlijk toch dit gedicht dat dit moment uit een leven (het zijnde) even (kortstondig) vastlegt (huif), voordat het weer ondergaat in die zee van grafstenen (graniet): de dood? Om niet

Zoveel is in het interpretatieve wel duidelijk: hier wordt niet meer geloofd in een opeenvolging van leven en dood, of desnoods in een van dood doortrokken leven. Hier heerst de dood, waaraan het leven alleen maar tijdelijk, bij wijze van genade, onttrokken wordt. In een ander gedicht uit dezelfde reeks staat het nog duidelijker. We treffen daar 'zo'n zelfde man', naast zijn huis, met een gieter in de hand: 'De grond om hem heen is vochtig; / zijn verlangen is leeg en heen. Wat hij/ niet wil weten, onder geen voorwaarde, / is: waar en wanneer hij zal worden/ terugverlangd en opgeeist door/ de grond om hem heen.' En in weer een ander gedicht ligt weerloos tussen de varens langs de beek een clown 'nog na te lachen (...)/om al dit hierzijn om niet.'Dit zijn maar drie van de vele doodsbeelden die in Het ontbrokene zijn aan te treffen. Faverey heeft zelf het schrijven van gedichten eens benoemd als een oefening in sterven, en zijn bundels dragen van die opvatting de sporen. In Het ontbrokene, geschreven in de wetenschap dat hij spoedig zou sterven, is hij onomwondener dan ooit. Sommige van deze gedichten nemen dan ook bijna het karakter aan van brieven, gericht aan de lezer die zich met de dichter de aangrijpende vraag kan stellen: 'Wat moet een brief zoals/ deze hier niet hebben doorstaan/ om zo dicht te kunnen naderen// tot zijn voltooiing.'Daarom zou Het ontbrokene wel eens de meest toegankelijke bundel van Hans Faverey kunnen zijn, en met de toegang bedoel ik dan ook de toegang tot de rest van het oeuvre. Brieven, anekdotische gedichten, een eenvoudige idylle en een lang visionair gedicht ('Gorter aan zee') staan hier naast zuivere, verheven raadsels zoals het gedicht over de man in zijn bleu-de-Nimes plunje. Het zijn twee kanten aan Favereys poezie die nog niet eerder zo duidelijk naast elkaar stonden: men kan haar 'interpreteren' en men kan haar 'ondergaan'; men kan erin op zoek gaan naar Stoicijnse wijsheden en naar een vreemde, in de Nederlandse poezie zeldzame schoonheid. Want waarheid en schoonheid zijn wat hier tot in de uiterste seconde verdedigd werd.