De zwarte kat en het onheil

Over de verschrikkingen van een zwarte kat hoor je de vreemdste verhalen. 'Bij ons in de buurt', zo herinnerde zich bij voorbeeld op 82-jarige leeftijd de gepensioneerde loodgieter, sigarenmaker en metselaar Peter de Ruiter uit Amersfoort, 'bij ons in de buurt in de Walikerstraat woonde Mie de Toverkat. Die kon zich veranderen in een zwarte kat. Zo'n zwarte kat vertrouwden we niet erg en wilden we niet in huis hebben. Het kon Mie wel eens zijn die je binnenliet en dan kreeg je de grootste last met haar getover.

Mie had een keer een kind bij ons in de buurt betoverd. De kwaaie hand was er over geweest. Dat kind werd niet goed en uiteindelijk was ze doodziek. Ze gingen er mee naar de pastoor, die kon het afnemen. Maar het was al te laat. Ze hadden veel eerder moeten gaan. Het kind is doodgegaan.' Peter de Ruiter kon nog veel meer sterke staaltjes vertellen, maar hij aarzelde of hij het achterste van zijn tong wel moest laten zien. Wie was daar nu bij gebaat? De antropologische onderzoeker Engelbert Heuper, die op 2 december 1962 met een bandrecorder tegenover hem zat, in ieder geval wel. Gretig noteerde hij in zijn boek Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en de westelijke Veluwe wat regionale grijsaards zich wisten te herinneren aan wonderbaarlijke verschijnselen die het verstand te boven gaan. Het ging over van alles, maar die zwarte kat sprong steeds weer uit duistere hoeken en gaten te voorschijn. Het was oppassen geblazen, want met betrekking tot de zwarte kat (die echt helemaal zwart moet zijn, dus zonder een wit haartje) buitelen de volkswijsheden over elkaar als warme broodjes in een bakkersmand. Kruist het dier 's morgens je pad dan kun je het wel schudden voor de rest van de dag; dan liggen rampspoed en tegenslag in het verschiet. Zit er 's avonds een zwarte kat voor de deur te miauwen dan betekent dat een sterfgeval onder familie, vrienden of bekenden. Maar schiet een donkere kater op een prille nieuwjaarsmorgen over het wegdek, dan belooft dat juist weer alle goeds voor het komende jaar. In z'n algemeenheid is het raadzaam om het beest zoveel mogelijk te mijden (wie een zwarte kat heeft, wordt zelf zwart), maar pijn of ziekte nopen soms tot overtreding van deze ongeschreven wet. Een koortslijder die drie bloeddruppels uit het oor van een zwarte kat drinkt is de volgende dag weer beter. De kat net zo lang opjagen totdat deze er dood bij neervalt helpt ook uitstekend tegen koorts, maar dat valt te ontraden als de dokter rust voorschrijft. En pijnlijke gewrichten schrijnen niet langer als ze worden ingewreven met het verwarmde vet of bloeddruppels uit de staart van een zwarte kat.

Vergaarbak

Geloof het of niet, maar in de Kleddekoekstraat te Amersfoort (een inmiddels opgeheven vergaarbak voor de allerarmsten ter stede) woonde een toverkat die muizen kon maken. Rondom de rokken van de vrouw die zich in een kat kon veranderen dansten altijd een paar muizen. Die muizen kwamen 's nachts uit haar mond als ze sliep. Waar of niet waar? 'Het moet echt wel gebeurd zijn, ze hadden het er altijd over', hield de oude heer De Ruiter vol. 'Zo'n toverkat kon veel', ging hij verder. 'Maar je had er ook die niet alles konden. Een mens betoveren konden ze niet, maar wel een boom of planten. Als ze die maar eventjes aanraakten met de handen gingen ze dood.' We weten niet hoe dit alles te duiden valt en omdat we het graag willen weten gaan we te rade bij de wetenschap. Zo belanden we na een telefonische speurtocht op de bedompte zolderkamer van dr. Willem de Blecourt te Almere. Een aardige, binnensmonds mompelende man, die onlangs aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit promoveerde op een proefschrift over 'de veranderde betekenis van toverij in Noordoost-Nederland tussen de zestiende en twintigste eeuw'. Van dat onderwerp heeft hij meer verstand dan van koffie zetten; het straffe brouwsel dat hij als zodanig voorschotelt zou het door hem bestudeerde heksendom waarschijnlijk direct naar de bezem doen grijpen.

Turend over de rand van zijn brilletje van ijzerdraad maant de doctorandus ons het onderwerp vooral serieus te benaderen. Wie zijn wij om ons een oordeel aan te matigen over zaken die voor anderen heilig zijn? Het geloof in het ondermaanse verdient respect, zelf zou hij om die reden nooit het denigrerende begrip 'bijgeloof' hanteren.

Voor De Blecourt staat wel vast dat de mythische betekenis van een zwarte kat samenhangt met hekserij 'maar zelf gebruik ik liever het woord toverij'. Er is een theorie die teruggrijpt op de oude Egyptenaren, die katten van elke soort aanbaden. Hun godin Bast had de gedaante van een zwarte poes. Dat daar de angst in de moderne, Westerse beschaving voor een zwarte kat vandaan zou komen lijkt hem 'gezocht' althans die correlatie valt met geen wetenschappelijk bewijs te staven. Feit is dat de kat van oorsprong geen Europees huisdier is. Daar zijn de oude Romeinen mee begonnen. Feit is ook dat de kat een eigenzinnig dier is, hoogst individueel en volgens sommigen zelfs paranormaal van karakter. Zoiets prikkelt de fantasie, maar kapt De Blecourt zijn verhandeling bruusk af 'nu ben ik bezig objectieve kenmerken te zoeken in de biologische eigenschappen van een kat. Dat is borrelpraat, dat heeft niets met wetenschappelijk onderzoek te maken.' De wetenschap dus. Mannen met bovennatuurlijke toverkracht konden volgens overlevering de gedaante van een wolf aannemen. En toveressen, ook wel heksen genoemd, veranderden in een zwarte kater. Vreemd trouwens, dat met hun uiterlijk gelijktijdig hun geslacht transformeerde.

Brandstapel

Ze werden geen poes maar een kater, maar mannen werden wolf en geen wolvin. Opmerkelijk is dat de gevaren van de zwarte kat pas werden onderkend nadat de laatste heks op de brandstapel was beland. Bij zijn inspectie van vergeelde archivalia trof De Blecourt de eerste verwijzingen naar de zwarte kat aan in documenten uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat heksen niet langer op heterdaad werden betrapt, voedde de veronderstelling dat ze zo slim waren zich voortaan in een dier te veranderen als ze kattekwaad gingen uithalen. Als zo'n kat zich in de buurt van een Drentse karnton vertoonde, wilde het niet meer boteren. Het dier werd hardhandig gemept en als dan het plaatselijke kruidenvrouwtje, dat volgens veler mening over duivelse gaven beschikte, de volgende dag met net zo'n hoofdwond rondliep was haar schuld bewezen. Zo veranderde geloof in heksen geleidelijk in bijgeloof: voortaan zaaide een zwarte kat onheil en verderf. Tijd verstreek en nu is ook dat bijgeloof aan het verwateren.

Donkere wolken pakken samen, bliksemschichten doorklieven de lucht. Tegen de tijd dat de eerste donderslag boven de polder dreunt verlaten we na dr. De Blecourt dankend de hand te hebben geschud het buitenoord Almere. Een vogel scheert door het luchtruim ('zwaluwen op het dak, guldens op zak') en een spin zoekt beschutting tegen de naderende regenbui. Gelukkig zit de dag er bijna op ('een spin in de morgen brengt kommer en zorgen, maar een avondspin luidt geluk en zegen in'), en er is geen dierengeluid dat de stilte verstoort. Ook dat stemt tot tevredenheid: 'Krast een uil en breekt een glas, dan sterft de meesteresse ras.

' En toch is er geen menselijker geloof dan bijgeloof. Tekening Ron van Roon

    • Rudie Kagie