De herinnering die Hans Faverey heet

Afgelopen zondag overleed de dichter Hans Faverey. Voor zijn vriend August Willemsen was hij vooral 'Hans, Hansje, die zaken als muziek, voetbal en vriendschap hoogschatte'.

Hij herinnert zich hem als de dichter die treurig werd van Duitse doelpunten en als de vriend die versjes voorlas.

Guus Middag bespreekt Favereys laatste bundel.

Belangrijke of dierbare adressen, zoals ouderlijk huis, eigen woonhuizen of die van goede vrienden, duiden we aan met straatnamen zonder huisnummer.

De Van Breestraat, in Amsterdam, is in mijn herinnering zo'n historisch, bijna mythologisch adres. Want daar woonden Hans en Lela in de tijd dat ik ze leerde kennen.

Dat zal geweest zijn rond 1964, op een van de ook al historische feesten van Chaim Levano, op de Oudezijds Achterburgwal, waar toen een soort boheme bijeenkwam van diverse kunsten en wetenschappen: muziek (Chaim zelf), beeldende kunst (Heleen Wiedemeijer, Arend Roosenschoon, Sholom Lixenberg, Theo Kley), letteren (Wilfred Smit, Hanny Michaelis), artsenij (Joost Mathijsen, Nico Hartog) en vele anderen. Hans Faverey was psycholoog, zijn vrouw Lela dichteres, en hij zelf schreef ook 'versjes', zoals hij ze noemde.

Omdat iedereen wat deed, hechtte niemand veel aan wat een ander deed, tenzij voor verwoede gesprekken van een avond. Vriendschappen, kortstondige en langdurige, ontstonden instinctief, op basis van 'Wahlverwandtschaften' of compatibiliteit van opperhuiden.

Wie zou zich herinneren waarover hij toen gesprekken voerde? Maar ze moeten er geweest zijn, tussen Hans en Lela en mij, vooral vanaf 1965, toen ik met Mieke in de Kanaalstraat woonde een, althans voor mij, eveneens historisch referentiepunt. In de Van Breestraat wilde het lot dat Hans en Lela woonden naast Puck (en wel zo dicht ernaast dat op de bovenste verdieping een tussendeur beide huizen verbond), die ik ook kende, en die snel genegenheid opvatte voor mijn zwager en vriend, Miekes broer Paul, zodat begrijpelijk wordt dat in die jaren veel van ons emotionele, intellectuele, artistieke en sociale leven (dus zeg maar, het hele leven) zich concentreerde in die twee adressen aan weerszijden van het Vondelpark.

Men zegt wel dat de middelbare schooltijd de tijd is voor vriendschappen: daarvoor ben je te jong voor het aangaan van deze duurzame band, daarna niet meer flexibel genoeg. Ik betwijfel het. De leeftijd die wij toen hadden, rond de dertig (en ook als daar nog wat bij wordt geteld) lijkt me in alle opzichten gunstig: je bent geen kleuter meer, je weet in redelijke mate waarover je het hebt, je intellectuele vermogens zijn nog onaangetast, je hebt gelezen en geleefd maar je weet dat er nog veel meer te lezen en te leven is kortom, nieuwsgierigheid, ontvankelijkheid, communicatiebereidheid, daarop gedijt vriendschap, en zo gebeurde toen ook.

Er was ook veel, tussen ons. Taal, in de eerste plaats. Taal resumeerde een heleboel: literatuur, studie reizen. Lela studeerde Slavische talen, ik Portugees, Hans schreef gedichten (waarvan we toen overigens nog niet veel te zien kregen). Reizen deden ze niet zo, maar Hans was Surinamer en Lela Joegoslavische, dus het buitenland was present. De reizigers waren Paul en ik. Voetbal verbond ons in hoge mate. Paul, die in Lichamelijke Opvoeding zat, wist er alles van. Hans, drie jaar ouder dan ik, had het Ajax gekend van net voor mijn tijd: Potharst, Fischer, Van Dijk, Drager het hele elftal. Ik, als Blauw-Witter, kon daar slechts Bergman, Altink, Wildschut en vooral Van Raalte tegenover stellen, maar er was iets ernstigers. Gedurende enkele jaren (muziekstudie, eerste universitaire jaren) had ik me 'te goed' gevoeld voor voetbal. Hans had van die arrogantie nooit last gehad, en zo kende hij (wat ik me tot op de huidige dag verwijt door eigen schuld te hebben misgelopen) het legendarische Braziliaanse elftal van de wereldkampioenschappen 1958 en 1962: Didi, Vava, Pele, Nilton Santos, en vooral Garrincha. Daarentegen had ik weer een kleine voorsprong in de muziek, die Hans had willen kunnen beoefenen en die ik een beetje kon beoefenen, en dat was het begin van een gezamenlijk zwijmelen dat jaren heeft geduurd.

Dit zijn veel, en nogal uiteenlopende raakpunten, die je niet vaak in een persoon, laat staan in een groepje van vijf of zes aantreft. Eind 1966 vertrok ik met Mieke voor 15 maanden naar Brazilie. Hans en Lela waren (daarvoor hadden ze ons gewaarschuwd) geen grote briefschrijvers, maar via Paul en Puck bleef het contact met de Van Breestraat intensief. Onze brieven deden de ronde door beide huizen, en Hans is de eerste geweest die, toen al, beval dat ik met die brieven 'iets moest doen'. Met name twee episoden vermochten hem te vermaken, het 'verhaal van de kip' en het 'verhaal van de negerlul'. Het laatste, een ietwat scabreuze passage, schijnt Lela zelfs in Russische vertaling te hebben voorgelezen aan Russische vriendinnen die, aanvankelijk wat preuts, na een fles wodka in grote hilariteit ontstaken. En zo bleef iedereen van alles op de hoogte.

Als dit meer een portret van een tijd lijkt dan van Hans Faverey, is dat noch mijn bedoeling, noch betreur ik het: ik kan het een niet van de ander scheiden, het zijn mijn herinneringen aan hem zo als ze op dit moment, nauwelijks geordend, in me opkomen. Het leek ook, gedurende enige tijd, een vorm van op latere leeftijd samen opgroeien: we gingen allebei publiceren, hij iets eerder dan ik. In 1968 kreeg hij de Poezieprijs van de Stad Amsterdam, een gebeurtenis die we in restaurant Centra hebben gevierd en die in de Van Breestraat wat uit de hand liep. Feesten, trouwens, hebben zich wel eens over meer dan vierentwintig uur uitgestrekt, en de mooiste herinnering is die aan de vermoeidheid en ontspannenheid voorbij de kater, als we, tussen de pinda's en lege glazen, met de dreun van 'Painted Black' nog in het hoofd, de zachte stem van Hans hoorden, die voorzichtig zijn 'versjes' las. Soms schoof hij iemand het boekje onder de neus: 'Lees jij eens.' En, na even luisteren: 'Je kunt er niks van. Geef hier.' Hij was dan opeens onzettend ongeduldig, en terecht, want met hem vergeleken was er inderdaad niemand die er iets van kon.

Ajax

Het manuscript van mijn eerste boekuitgave, de 'Meesters der Portugese vertelkunst' heb ik, onzeker als ik was over de kwaliteit van keuze en vertaling, aan Hans te lezen gegeven iets wat ik later, in momenten van twijfel, nog vaker heb gedaan. Vrijwel tegelijk met onze doorbraak viel die van Ajax. De grote jaren '71, '72 en '73 hebben we extatisch meebeleefd, hetzij in de Van Breestraat, hetzij bij Paul, hetzij bij mij.

Er hadden zich wat veranderingen voorgedaan. Ik was afgestudeerd, gescheiden, woonde in de Bijlmermeer, werkte aan de Universiteit van Amsterdam. Iets als volwassenheid leek in te treden. Mijn tweede reis naar Brazilie, in 1973, met Noortje, was bezonnener dan de eerste, de Van Breestraat was niet langer het enige adres, het innige bolwerk. Maar het contact bleef. Er kwamen aspecten bij, diepgaander, ernstiger, grote-mensen conflicten, persoonlijke problemen, wapengekletter op de universiteit. Ik luchtte mijn verbijstering, vroeg raad, Hans belde me soms midden in de nacht op. Hij en Lela (die later soortgelijke worstelingen zou moeten voeren) luisterden met een ongelooflijk geduld (en, eerlijk is eerlijk, vaak ook met veel vermaak) naar mijn desperate verslagen van het steekspel met een half krankzinnige hoogleraar. Het was een van de weinige gelegenheden waarbij hij zijn kennis van de psychologie aansprak. Over het algemeen hield hij die zaken gescheiden. Zijn medeleven in deze problemen, en in andere, van persoonlijke aard, had niets, althans niet vakmatig, te maken met zijn beroepsinteresse. Het was bezorgdheid. Daarin was hij veel aardiger dan ik. Met de reserve 'niet vakmatig' bedoel ik dat zijn menselijke interesse en bijgevolg zijn manier van praten, en anderzijds zijn beroepsinteresse, natuurlijk toch uit hetzelfde brein kwamen evenals zijn poezie. Zijn gedichten zijn een in-taal-zetten van een manier van functioneren van het brein. De geest-in-actie, ver-taald. En zo praatte hij ook, op een manier waarvoor ik geen andere benoeming weet dan 'taalbewust': bondig, helder formulerend, aforistisch soms. Eenvoudig en bijzonder tegelijk zoals hij was.

Indien, zoals vaak wordt gezegd, dit bijna betekenisloos in taal verwijzen naar iets (een leegte, een net-niet-leegte, zichzelf), een toenadering betekent tot de muziek, dan wordt die veronderstelling door de jaren '70 gewettigd. Muziek en voetbal. Want hij was iemand die 'schoonheid' niet voorbehield aan uitingen die daarmee per traditie worden geassocieerd, als 'schone' kunsten, literatuur, natuur. Hij was, dat in de eerste plaats, zeer gesteld op schoonheid in zijn omgeving, maar die kon schuilen in Indiase prenten, Aztekenbeeldjes, krijsende volksmuziek (hij vond de doedelzak het mooiste instrument op aarde), een actie van Piet Keizer, het schaatsen van Kees Verkerk, een gedicht, een manier van spreken, een prelude van Bach. Die houding trok mij aan.

Liedje

Wilde taferelen deden zich voor, in de Bijlmer, bij de WK-finales van '74 en '78. Hans kon stikken van de lach bij een gekke anecdote, maar ook ontzettend treurig kijken, zowel bij gedachten aan dood en eenzaamheid als bij de doelpunten van Muller en Kempes. 'Ach jongens, wat is dat toch vreselijk. En het erge is dat je er niks aan kunt doen. Lieve Noor, wil je niet een liedje voor ons spelen?' En dan ging Noor aan de piano zitten en dat stuurde Hans, en met hem ons allemaal, weer een andere richting op: 'Godverdomme, die linkerhand. Hoor je dat? Ja meneer, dat is Bach...' Bij de strafschop van Panenka, waarmee Tsjechoslowakije op het EK van 1976 West-Duitsland versloeg, zakte hij van zijn stoel op de grond, van voldoening (in dit 'gevoel' was hij net als iedereen: 'Ja jongen, die Duitsers, ach, ze spelen wel aardig, maar het is nooit leuk, ze zijn zo... '), en ook van ontroering om de penalty: 'Moet je zien, dat is toch poezie!' En op de grond bleef hij zitten. En toen we van de herhalingen bekomen waren, begon hij, uit zijn hoofd, 'versjes' te zeggen, en als hij ze zei was het moeilijke eraf. Je kon niet zeggen waarin de verklaring school. Het was geen uitleggen, het was een uiteenleggen van de woorden, waardoor andere verbanden leken te ontstaan.

Maar het treurigst kon hij worden van muziek, omdat die het in schoonheid toch altijd net won ('met een banddikte voorsprong', zoals hij eens zei) van poezie. In het luisteren naar muziek, bevleugeld door veel drank, konden Hans en ik heel ver gaan. De vrouwen zagen dat altijd met vrees aankomen, en terecht, want we raakten inderdaad volkomen onbereikbaar. Als kindertjes naast elkaar op het bed gezeten hadden we aan een blik of een enkel handgebaar genoeg om de ander op een nieuwe peilloosheid te attenderen. Vooral in de oude Beethoven. De late pianosonates en strijkkwartetten. Elk stuk had zo z'n passages die onverbiddelijke bressen sloegen in elk verweer zo we dat al hadden. Van grote verpletterende kracht waren de ritmische stompende, herhaalde figuren, zoals in opus 127, voor eigen gebruik aangeduid als 'het neuken van de oude Ludwig'. 'Moet je horen, honderdveertien keer herhaalt ie dat, die ouwe. Dat heeft een Italiaan een keer geteld.' Later maakten we afspraken voor dit soort seances als ik alleen thuis was en Lela voor hem naar Joegoslavie was vertrokken. In dat laatste geval, trouwens, wisten de vrienden in de stad dat er een beetje op Hans gepast moest worden. Zonder Lela was hij een half mens, at niet, ging uit zijn werk meteen naar Hoppe, dronk te veel, kortom, dat was niks gedaan. Dus moest hij worden 'opgevangen'. Bij mij liep dat dan uit op de oude Ludwig, we spraken in nummers, en het eind van het liedje was meestal 111. Maar van de Hammerklavier kon ik, voordat de drank had toegeslagen, het langzame deel zelf spelen, wat me het gevoel gaf dat ik echt iets voor hem deed. Diep in de nacht en in het tranendal van 111, ten slotte: 'Ach Guusje, wat een treurigheid. Het is allemaal dood en ziekte en eenzaamheid. Laten we maar gaan slapen.'

Streng

In zijn houding tegenover kunst, en ook tegenover mensen, had hij een eigenschap die ik niet vaak heb aangetroffen: hij had behoefte te bewonderen. De keerzijde was dat hij, naast het bewonderde, dingen die iets minder waren maar zeker niet slecht, afdeed als absolute troep. Noor aan de piano kon hij idolatreren, van mijn schrijverij zei hij dingen die ik onbegrijpelijk overdreven vond, maar hij was heel streng, bijna bestraffend, als ik iets had geproduceerd dat hij wat minder vond. Hij had een loepzuiver gevoel voor dingen die goed en mooi gemaakt waren of gedaan werden, of het nu pianospel was, een gedicht, een formulering, een enkel goed geplaatst woord slechts, een melodie, een passeerbeweging, en hij moest dan ook getuigen van zijn bewondering een bewondering die kon omslaan in kwaadheid als een ander niet ook het mooie zag, en die zich kon vermengen met verdriet over de eigen onmacht tot hetzelfde schoons. Hij was hierin heel ontroerend.

In 1981, nadat ik drie keer in Brazilie was geweest, maakte hij gebruik van zijn positie als redacteur van 'New Found Land': 'En nu wil ik dat je voor ons iets doet met die brieven van je. Anders komt er nooit wat van.' Ik deed er iets mee, omdat hij het vroeg, en er kwam wat van.

In de jaren '80 zagen we elkaar geleidelijk minder frequent, maar het gevoel bleef hetzelfde. Bepaalde activiteiten waren uitgeput, het vertrouwen niet. Wanneer we elkaar zagen, hervatten we een oud gesprek, alsof er geen onderbreking was geweest. Hij kon heel onverwacht opbellen. Overdag, vanuit Oegstgeest, tussen twee clienten door, hetzij zomaar voor een praatje, hetzij om de meest merkwaardige adviezen te vragen, zoals welke plaatsen in Brazilie ik zou af- en aanraden voor een dame met een spinnefobie, die daarheen moest. Of hij belde (wanneer Lela op vakantie vooruit gegaan was) om 1 uur in de nacht, voor een gesprek van anderhalf uur over muziek, of over onszelf. Ik was altijd verbaasd, en naderhand, als ik eraan terugdacht, geroerd, door zijn bezorgdheid of daar nu wel of geen aanleiding toe was. Verbaasd, geroerd, en ook een beetje beschaamd, want eerlijk gezegd was er af en toe aanleiding: ik begon een wat teruggetrokkener leven te leiden, of door heel hard te werken, of, als ik dat niet deed, door me op andere wijzen te onttrekken aan de reguliere sociale contacten.

Over de laatste keer dat ik hem zag, zal ik het niet hebben. Dit is, in weinige, gehaaste regels, de man zoals ik aan hem denk, twee dagen na zijn dood. Het is, zie ik nu, een geschiedenis met drie levenstijdperken. Iedereen die sterft is onvervangbaar. Maar wanneer iemand sterft die deel uitmaakt van iemands levenstijdperken, is de onvervangbaarheid groter. Wanneer zo iemand sterft, wordt het eigen leven meer herinnering. Het enige dat men dan nog doen kan, is die herinnering levend houden. De herinnering die Hans Faverey heet blijft levend in zijn werk, maar om daarover te schrijven was dit stuk niet bedoeld. Ik bedoel Hans, Hansje, de dichter die zaken als muziek, voetbal en vriendschap hoogschatte, en die ons vanuit de Van Breestraat in 1973 schreef, toen Noor en ik in Brazilie waren en Cruyff naar Barcelona ging: 'Ach jongens, hoe het nu met Ajax verder moet: waarschijnlijk zijn jullie al zo van Amsterdam en Ajax vervreemd dat het jullie geen bal meer kan schelen. Waarschijnlijk doe ik alle moeite voor niets. Maar helaas is het nu eenmaal zo, dat ik op dit ogenblik het Stadion kan horen juichen bij de aftrap voor de afscheidswedstrijd van Sjakie Swart tegen de Tottenham Hotspurs, welke wedstrijd werd voorafgegaan door Oud-Ajax tegen Oud-Feyenoord, met o.a. Norbert Brainin en Jaap Schroder 1e viool, Moulijn/Bouwmeester linkervleugel, Beertje Kreyermaat (onderbreking: het geluidsvolume in het Stadion lijkt een doelpunt aan te geven), Carl Philipp Emanuel, Rinus Michels, Janos Palotai 4e grootste en laatste viool, en uiteraard Max Roach drums.'