De Blinde vis

Je wordt 'snachts wakker. Je staat op, voorzichtig maak je zo weinig mogelijk geluiden, je wilt niemand wakker maken. Het is pikdonker in huis. Nergens brandt een lamp. De gordijnen zijn gesloten, geen streepje maanlicht valt naar binnen. Je ziet werkelijk niets.

Vanuit je kamer bereik je de gang. Je gaat misschien een trap af en komt in de hal. De deur van de huiskamer moet nu vlakbij zijn. Ja, je voelt de knop. Je maakt de deur open en gaat naar binnen.

Die kamer is vol smalle gangen, tussen de tafel en de lamp, tussen de leunstoel en de boekenkast, tussen de muur en de bank. Je ziet niets, toch stoot je je nergens aan, je lichaam weet moeiteloos de weg.

Je beweegt je als de blinde grottenvis die in de zee bij Mexico niets ziet en toch zijn weg vindt. Hij wijkt precies op tijd uit voor scherpe uitsteeksels van het koraal. De gevoelsorganen op zijn geschubde lijf zijn zo sterk ontwikkeld dat hij de grootte van de nauwste opening kan schatten. Even wacht de vis, ja, het moet lukken, hij is er al door.

Zie je de witte vlek op zijn kop? Daar heeft heel vroeger een oog gezeten. Het is nu verdwenen, wat misschien niet zo erg is: in die duistere grotten is toch niets te zien.

Ook op de terugweg had zelfs de smalste gang geen geheimen voor je. Je ligt alweer in bed en slaapt rustig door.

    • K. Schippers