Daling van het aantal bellers bij Korrelatie

Toen op zondagavond 24 juni maar liefst 51% van het Nederlandse volk naar de voetbalwedstrijd tussen West-Duitsland en Nederland keek, was dat een historische datum. Voor het eerst sinds lange tijd registreerde de computer van Intomart weer een moment waarop ruim de helft van de bevolking gelijktijdig hetzelfde programma zag. Zulke mijlpalen zijn schaars geworden; zelfs de allergrootste amusementsprogramma's moeten het tegenwoordig met de helft minder stellen. Het aantal tv-netten is onstuimig gegroeid, de onderlinge concurrentie eveneens en het gevolg is dat het publiek versnippert. De adverteerders die vorig jaar stonden te juichen bij de komst van Veronique, realiseren zich nu pas dat ze op dit moment veel meer geld moeten uitgeven om dezelfde aantallen kijkers als een jaar geleden te bereiken. Veronique heeft de hoeveelheid kijkers niet uitgebreid; men moet nu op meer netten adverteren om het oude bereik weer bij elkaar te sprokkelen.

Uit een onverwachte hoek wordt de ontwikkeling bevestigd. 'De uitbreiding van het aantal zenders en de hoeveelheid zendtijd zal op den duur leiden tot een 'verdunning' van het kijkerspubliek,' stelt de stichting Korrelatie in haar pas verschenen jaarverslag over 1988 en 1989. Men heeft het met eigen ogen kunnen zien er moet steeds meer zendtijd worden gevuld (liefst niet te duur) en er worden met die programma's steeds minder kijkers bereikt. De cijfers duiden op het effect: in 1988 verleende Korrelatie nazorg voor 52 tv-uitzendingen en in 1989 voor 68 uitzendingen. Het aantal bellers daalde in diezelfde periode van 7639 naar 7386. 'Uit de gestabiliseerde respons kan met enig voorbehoud worden geconcludeerd dat er al van enige 'verdunning' sprake is; meer opvangen met gemiddeld minder reacties.' De in Utrecht gevestigde stichting, jaarlijks met 6,4 ton gesubsidieerd door het ministerie van WVC, werd 25 jaar geleden opgericht. Men hoopt het jubileum in november te vieren met een symposium over de verhouding tussen media en hulpverlening, die niet altijd zonder problemen is. De programmamakers, die Korrelatie verzoeken beschikbaar te zijn voor onmiddellijke reacties op de uitzending, zijn geneigd de oogst te beschouwen als een graadmeter voor het succes van hun werk. Opbellers zouden zelfs kunnen dienen als materiaal voor een volgend programma. Daarentegen legt Korrelatie de nadruk op de hulpverlening; het belang van de in nood verkerende kijkers gaat voor.

Aan de daling van het aantal bellers per programma worden in het jaarverslag geen nadere conclusies verbonden. Komt het alleen door de dalende kijkcijfers of zou er een verklaring schuilen in de veronderstelling, dat er minder behoefte gaat bestaan aan een telefoonnummer voor primaire reacties? Zou de eerste schok van herkenning misschien steeds minder voorkomen? Het zou, voorafgaand aan dat symposium, de moeite waard zijn de oorzaak verder te onderzoeken.