Congres aast op buitenlandse belastingontduikers

NEW YORK, 13 juli 'Ik werkte tot voor kort voor de Sony Corporation of America', schrijft Maurice Kupritz in een brief die hij dit voorjaar stuurde naar enkele Amerikaanse Congresleden en die sindsdien verplichte lectuur is geworden in Washington. 'In 1988 rapporteerde Sony een omzet in de VS van acht miljard dollar en een winst van ongeveer tien miljoen dollar. Een van de manieren waarop het bedrijf zijn Amerikaanse belastbaar inkomen verminderde was de constructie van verschillende 'dienstverlenings-betalingen' tussen Sony Tokio en Sony Amerika, die in Amerika konden worden afgetrokken als bedrijfskosten. Ik was directeur import/export en belast met toezicht op het voldoen aan wettelijke voorschriften. Toen ik begon te vermoeden dat sommige van de briefjes die voortdurend door Sony Tokio werden rondgestuurd voor allerlei diensten niet in overeenstemming zouden zijn met Amerikaanse regels schreef ik een kort memo aan mijn baas. Sneller dan je 'Akio Morita' (topman van Sony, red.) kon zeggen kreeg ik te horen dat ik alle kopieen van dat memo moest vernietigen, en binnen een maand was ik ontslagen, wegens verzonnen aantijgingen.' De brief is inmiddels opgenomen in de ammunitie van protectionistische politici als Jesse Helms en Richard Gephardt, en de frequentie waarmee hij wordt aangehaald roept herinneringen op aan 1986, toen enkele politici op het grasveld voor het Congres, ten overstaan van de tv-camera's, een Hitachi-radio met mokers in elkaar sloegen.

Protectionisme bloeit weer in Washington en heeft geleid tot een aantal wetsvoorstellen die het voor buitenlandse bedrijven niet alleen Japanse een stuk moeilijker en duurder zouden maken in de VS zaken te doen. Als reden wordt deze keer niet genoemd dat buitenlandse bedrijven zaken doen met 'de vijand', zoals destijds Hitachi deed met de Sovjet-Unie. De belangrijkste drijfveer is nu de belastingopbrengst te verhogen. President Bush en het Congres moeten immers een begrotingstekort van ruim 160 miljard dollar dichten. Maar buitenlandse bedrijven zien ook symptomen van discriminatie tegen buitenlanders en vermoeden zelfs racisme tegen Japanners.

Gisteren hield de 'toezicht'-subcommissie van de begrotingscommissie van het Huis van Afgevaardigden de tweede hoorzitting over belastingbetaling door buitenlandse bedrijven. Op de eerste zitting, eerder deze week, zei afgevaardigde Richard T. Schultze: 'Voordat het Congres de belasting van de doorsnee burger verhoogt moeten we er zeker van zijn dat buitenlandse dochterbedrijven in de VS hun portie betalen van de huidige belastingen.' Amerikaanse afgevaardigden hebben het vermoeden en worden daarin gesterkt door zo'n brief als van Kupritz dat buitenlandse concerns op twee manieren belasting ontduiken: door hun dochters in de VS hogere prijzen te berekenen voor grondstoffen en eindprodukten dan de marktprijs (wat in strijd is met de Amerikaanse belastingwet); en door hun meer geld te lenen dan nodig is. Rente en bedrijfskosten zijn aftrekbaar, daardoor daalt de netto winst van de dochter, en daarmee de Amerikaanse belastingafdracht.

De staf van de subcommissie zegt 212 belastingaangiftes te hebben onderzocht van 36 buitenlandse dochterbedrijven over een periode van tien jaar. Meer dan de helft van die bedrijven zou geen of weinig belasting betalen. Uit 106 aangiftes van 18 elektronica-bedrijven bleek dat ze de afgelopen tien jaar 116 miljard dollar aan inkomsten hadden en 654 miljoen dollar (0,5 procent) als winst opgaven. Slechts negen bedrijven maakten over die tien jaar een netto winst. De voorzitter van de Amerikaanse Belastingdienst, Fred Goldberg, getuigde dinsdag dat Westduitse, Britse, Japanse en Canadese dochterbedrijven 'mogelijk een lager belastbaar inkomen aangeven' door manipulatie van prijzen. Hij zei dat de Belastingdienst op dit moment bezig is 13 miljard dollar achterstallige belasting te vorderen van buitenlandse dochterbedrijven.

De Organization for Fair Treatment of International Investment (OFTII) zegt dat de lage winsten zijn veroorzaakt doordat buitenlandse bedrijven snel expandeerden en daardoor hoge rentekosten en afschrijvingen hadden. De lobbygroep, waarvan onder andere Akzo, Philips, Shell en Unilever lid zijn, zegt verder dat in 1986 de snel dalende dollarkoers buitenlandse produkten (ook die welke zijn gekocht van het moederbedrijf) duur maakten.

De OFTII heeft zelf een studie laten verrichten waaruit zou blijken dat deze dochterbedrijven in 1983-86 meer belasting betaalden dan Amerikaanse bedrijven.

Voorzitter Goldberg van de Belastingdienst erkende dat er geen studies zijn die bewijzen dat de meerderheid van buitenlandse dochterbedrijven in de VS belasting ontduiken.

Maar de debatten zijn onderdeel van een groter proces. Vorig jaar al werd een wet aangenomen die voorschrijft dat dochters van buitenlandse bedrijven kopieen moeten bewaren (in het Engels) van alle transacties met het moederbedrijf en andere buitenlandse dochters van hetzelfde concern. Bovendien mogen die dochterbedrijven rente op leningen niet meer aftrekken als hun verhouding vreemd/eigen vermogen groter is dan 1,5: 1. Dit jaar zijn er voorstellen om de 'kopieerplicht' met terugwerkende kracht op te leggen tot 1986 en een nieuwe Amerikaanse kapitaalwinstbelasting te heffen op de verkoop van een Amerikaans bedrijf door een buitenlands concern aan een ander buitenlands concern (bijvoorbeeld de nooit voltooide verkoop van Saks Fifth Avenue door Sir James Goldsmith aan een Frans warenhuisconcern). De voorzitter van de begrotingscommissie, Dan Rostenkowski, heeft bovendien al enkele malen gezegd dat de Amerikaanse Belastingdienst zich een hoop moeite kan besparen door buitenlandse dochterbedrijven een soort 'bronbelasting' op te leggen: uitgangspunt zou dan zijn dat op iedere transactie tussen moeder en dochter de helft van de winst in de VS belastbaar zou zijn. 'Daar maken we ons het meest zorgen over', zegt Sandra Taylor van de OFTII, 'omdat het alle bewijslast en rompslomp op de schouders van de bedrijven zou leggen.'

Het is volstrekt onvoorspelbaar welke van de voorstellen wet wordt. Zelfs de vorig jaar aangenomen wetten worden nog niet toegepast omdat het ministerie van financien in Washington de details nog nader moet concretiseren. Maar gezien het gewicht van de afgevaardigden en senatoren die zich achter dit soort voorstellen scharen is het waarschijnlijk dat buitenlandse bedrijven op een of andere manier zullen worden aangepakt.

De Amerikaanse Belastingdienst is op aandringen van het Congres al begonnen met een strengere controle van buitenlandse bedrijven en banken. Onderzoeken bij tien banken zouden vorig jaar al 100 miljoen dollar extra hebben opgeleverd. De aangiftes over 1986 en '87 van ruim 70 buitenlandse banken worden op dit moment onderzocht door de Belastingdienst. En ook op andere gebieden neemt de roep om meer controle op buitenlandse bedrijven toe. In 1988 werd het Exxon-Florio Amendment van kracht, dat zegt dat de Amerikaanse overheid een overneming mag verhinderen als de buitenlandse koper 'waarschijnlijk zal handelen in strijd met de Amerikaanse nationale veiligheid'.

Enkele afgevaardigden willen dat nu veranderen in: 'Als de overneming de nationale veiligheid kan bedreigen'. Verschillende voorstellen zijn op dit moment in behandeling die voorschrijven dat vertrouwelijke gegevens van buitenlandse dochterbedrijven openbaar worden gemaakt. Dit zou dienen om het Amerikaanse publiek inzicht te geven in de mate waarin buitenlanders invloed verwerven in de Amerikaanse samenleving.

Senator Lloyd Bentsen, in 1988 vice-presidentskandidaat onder Dukakis, stelt voor dat het bedrijven onder buitenlandse controle wordt verboden politieke actiecomites op te richten die politieke kandidaten financieel steunen.

De ondertoon van weerzin tegen Japanners is duidelijk te herkennen. Van 'nationale veiligheid' is nooit gerept in al die jaren dat Nederlandse en Britse bedrijven in de VS investeerden. De hoorzittingen deze week beperken zich alleen tot auto's, motorfietsen en elektronica bedrijfstakken waarin Japanners domineren en niet warenhuizen of onroerend goed, waarin Europese concerns zich roeren. En de vereiste om documenten in het Engels te bewaren is lastiger voor Japanse bedrijven dan voor Britse of zelfs Franse.