Commissie moet reikwijdte verdraagzaamheid bepalen

DEN HAAG, 13 juli 'Het zit erop', verzuchtte premier Lubbers gisteravond op de persconferentie na afloop van de ministerraad. 'Grote problemen', waren er niet geweest. Alleen 'een aantal kleine dingen' heeft de ministerraad moeten oplossen. Niets in zijn presentatie deed vermoeden dat er overeenstemming is bereikt over een materie waar voorgaande kabinetten het de afgelopen vijftien jaar niet over eens konden worden: Er is consensus over een voorstel voor een Algemene wet gelijke behandeling.

Als het aan minister Dales ligt kan de wet op 1 januari 1994 in werking treden. Van Lubbers mag het ook best wat eerder. De CDA-premier die de PvdA-minister in deze voor christen-democraten zo gevoelige zaak tot spoed maant. Alsof er niet tien jaar van politieke strijd tussen dan weer PvdA en CDA, dan weer VVD en CDA aan vooraf is gegaan. In feite was in het regeerakkoord al gedetailleerd afgesproken dat er nueindelijk eens een wet moest komen die alle vormen van discriminatie op grond van geslacht, seksuele geaardheid, ras, godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid verbiedt. Een commissie moet klachten kunnen onderzoeken en, als bemiddeling niet helpt, gevallen van discriminatie aan de rechter kunnen voorleggen. Vier zittingen besteedde een breed samengestelde ambtelijke werkgroep vervolgens sinds februari aan de uitwerking van dit voornemen.

De betrokken bewindslieden van WVC, Onderwijs, Binnenlandse Zaken en Justitie konden zich aanvankelijk goed vinden in het ambtelijk concept. Het enige punt waar, geheel conform de politieke behandeling van eerdere voorstellen, toch weer verdeeldheid over ontstond was de vraag hoe groot is de vrijheid van instellingen op christelijke grondslag om homoseksuelen te weren? De uit negen leden bestaande commissie die klachten mag onderzoeken kreeg volgens het aanvankelijke voorstel de vergaande bevoegdheid om desnoods op eigen initiatief discriminatie aan de kaak te stellen. Dat ging het CDA te ver. De christelijke partij vreesde dat dit voorstel in de praktijk kon uitdraaien in een commissie die klopjachten organiseert naar christelijke scholen op de Veluwe die onrechtvaardige behandeling zouden voorstaan.

Voor de PvdA was het echter cruciaal dat de commissie ook zelfstandig en in alle gevallen onderzoek naar discriminatie mag doen. In het nu bereikte compromis behoudt de commissie het initiatiefrecht maar mag zij alleen zelfstandig op onderzoek uitgaan als er een vermoeden bestaat van 'structurele' dus geen individuele misstanden. In welke gevallen er sprake is van structureel onrecht, is volgens Lubbers ter beoordeling van de commissie.

Instellingen op christelijke grondslag mogen volgens het wetsvoorstel homoseksuelen of andersdenkenden niet discrimineren op grond van 'het enkele feit' van hun seksuele geaardheid. Wat dat precies betekent, kon Lubbers gisteravond niet goed duidelijk maken. De premier wilde zich 'niet incasuistiek begeven'.

Tolerantie is geboden, aldus Lubbers, en hoever die verdraagzaamheid moet gaan, zal de commissie en uiteindelijk de rechter in concrete gevallem maar moeten bepalen.

Homoseksuelen mogen zich niet 'seksueel uitdagend uiten of gedragen', was vijf jaar geleden het voorstel waarmee de toenmalige minister van binnenlandse zaken Rietkerk (VVD) deze gevoelige kwestie hoopte af te bakenen. Volgens het Tweede Kamerlid M. Soutendijk-van Appeldoorn (CDA) betekent het huidige wetsvoorstel dat een christelijke school in ieder geval niet tegen een sollicitant kan zeggen 'u bent homoseksueel en dus past u niet bij ons'.

Anders wordt het pas bij mensen 'die met hun homoseksualiteit te koop lopen', aldus Soutendijk. Zij geven volgens haar immers blijk van weinig respect van de beleidsvrijheid van de christelijke instelling.

Het belangrijkste instrument dat de nieuwe wet biedt is de Commissie waarin overigens de sinds 1 juli vorig jaar bestaande Commissie die toeziet op gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in zal opgaan. De nieuwe commissie zal volgens Lubbers een 'zeeffunctie' moeten gaan vervullen. De commissie kan geen sancties opleggen en zal als conflictoplosser werken om te voorkomen dat mensen met elke klacht de rechter lastig vallen.

Over de benoeming van de leden van de commissie brak op de valreep nog een conflict uit tussen de ministers Dales (binnenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie). Dales stelde zich op het standpunt: het is in de eerste plaats mijn wetsvoorstel dus Binnenlandse Zaken benoemt de negen commissieleden.

Hirsch Ballin vond daarentegen dat aan de leden van de commissie dezelfde eisen moesten worden gesteld die ook gelden voor een benoeming tot lid van de rechterlijke macht. Het moeten juristen zijn. Het departement van Justitie heeft dit pleit goeddeels in haar voordeel beslecht. In het wetsvoorstel staat dat in ieder geval de voorzitter en de twee ondervoorzitters de studie Nederlands recht met goed gevolg moeten hebben afgelegd. Hirsch Ballin mag de leden van de commissie benoemen nadat hij zijn collega's heeft geraadpleegd.

Afgezien van deze kleine hobbels is de opstelling van het wetsvoorstel door dit kabinet niet anders dan als voortvarend te kenschetsen. Het wantrouwen op het gebied van de gelijke behandeling is na jaren van felle debatten in ieder geval tussen de regeringspartijen verdwenen, constateert Soutendijk. 'Geleidelijk aan is de zaak uitgekristallisseerd', zegt ze. Die mening deelt haar collega J. van Nieuwenhoven (PvdA). Afgezien van een 'heel klein deel van de Nederlandse bevolking' is volgens haar iedereen ervan overtuigd dat homoseksuelen niet mogen worden gediscrimineerd.

Dat het wetsvoorstel beoogt aan alle verlangens zoveel mogelijk tegemoet te komen, blijkt ten slotte nog het beste aan de keuze voor de vestigingsplaats van de nieuwe commissie. Deze zal volgens het wetsvoorstel zetelen 'in het midden van het land'.