Alles wacht op het water

In het zuiden van Polen wordt een kracht- centrale gebouwd. Een stuw meer zal een vallei onder water zetten. Is dat erg? De kunst- historicus Stanislaw Michalczuk vindt van wel: dorpen uit de dertiende eeuw verdwijnen, 440 kunst- historisch belangrijke gebouwen, kerken, kapellen, oude land- huizen, graven, paviljoens, de mooiste voorbeelden van dorpsarchitectuur in de wijde omtrek. Het is maar een kleine vallei, een dal van twaalf kilometer lang en twee kilometer breed, er liggen wat dorpen, Czorsztyn, Podhalanskie, Frydman, Maniowy, Debno heten ze, er stroomt een kleine rivier met veel stroomversnellingen door een brede bedding van granietkeien: de Dunajec. Op de weiden staan de hooischelven hoog opgetast, de berghellingen zijn dicht bebost, en vanaf bergtoppen aan weerskanten van de rivier kijken twee kastelen elkaar aan. Een rustige vallei.

Een ten dode opgeschreven vallei. Want aan het eind, daar waar de vallei eindigt in een kloof en de Dunajec door de bergen breekt, wordt een stuwdam gebouwd, en als die klaar is, volgend jaar, loopt de vallei vol, verdwijnen de dorpen, verdwijnen de dichte dennenbossen, verdwijnen de weiden onder een stuwmeer van vijftig meter diep.

Een ramp? Geen ramp: zulke dingen gebeuren, er wordt een waterkrachtcentrale gebouwd en die levert stroom op, de natuur moet wijken, de dorpen moeten wijken, en waarom ook niet, ze zijn maar van hout, en bossen en weiden zijn er genoeg, hier in het uiterste zuiden van Polen. Nee, zegt dr. Stanislaw Michalczuk, het is wel een ramp: er verdwijnt meer dan wat bossen. Want die dam betekent ook het eind van het natuurlijk evenwicht hier, betekent verder het eind van honderden staaltjes van soms unieke dorpsarchitectuur in dorpen die al 30.000 jaar worden bewoond, en wellicht, zegt dr. Stanislaw Michalczuk, wellicht verdwijnen ook die twee kastelen. Die dam, zegt dr. Stanislaw Michalczuk, is wel een ramp. Niedzica ligt op een halve kilometer van de Tsjechoslowaakse grens. Hier, rond dit dal, ontmoeten drie gebergten elkaar: in het zuiden de Tatra, in het oosten de Pieniny, een middelgebergte, maar ruig, steil, wild, een natuurpark, en in het westen het Gorce-gebergte, milder, lieflijker. De Karpaten. Een rijk gebied, landbouw wat de klok slaat, de huizen in de dorpen zijn hier groot en ruim, vaak vier of vijf verdiepingen hoog, ze zijn van hout, ze hebben spitse daken en veel erkers en dakkapellen met nog meer spitse daken en houtsnijwerk op de gevels en de balkons. De bushaltes zijn berghutjes van zwart hout. Bruine bergkoeien. Ganzen die groepsgewijs op het warme asfalt van hoofdstraat zitten, en voor verkeer slechts langzaam en kwaad gakkend opstaan. Kinderen gaan hier in klederdracht naar de kerk, de meisjes hebben bloemenkransen in het haar, ze dragen witte blouses en jakjes met veel goud en rood en zwart. De mannen dragen laarzen en groene broeken, bruine mantels, een rood jak met houten knopen, een zwarte vilten hoed met een wit lint. Op zondagen wandelen hier in Niedzica de meisjes uit het internaat van Nowy Targ, twintig meisjes op een rij, elk met een stok, een dikke non voorop. 's Ochtends vertonen de dorpen een uittocht naar het land: boerengezinnen op tractoren of lopend, de hooivorken en de zeisen over de schouders. Als de mist nog boven de velden hangt en niets te horen is behalve het briesen van een paard en het slijpen van een zeis in de verte, lijkt de wereld nog in orde.

De wereld is niet in orde, niet hier, in Niedzica. Dr. Stanislav Michalczuk, een lange man met spierwit haar en een zware bril en een zwak voor Nederlands, sinds hij met een Nederlandse beurs een half jaar in Nijmegen heeft gestudeerd, is kunsthistoricus. Hij is curator van het museum, het kasteel boven de rechter oever van de Dunajec. Het is een mooi kasteel, het is een museum, maar zonder kunstschatten: het is zelf een museum. Het dient ook als hotel, vooral voor kunsthistorici, die hier rustig willen studeren, het wordt geexploiteerd door de Poolse vereniging van kunsthistorici.

Poezie

Het kasteel van Niedzica dateert uit de late dertiende eeuw, een kasteel met muren van een meter dik, en kleine raampjes waartegen 's nachts de duiven slapen, in de luwte van de nis, en antieke meubels en portretten van oude koningen, Jan III Sobieski hangt er, August de Sterke, zelfs Hendrik III, die liever koning van Frankrijk dan van Polen was. Het ligt op een tachtig meter hoge rots boven de rivier, precies boven de kloof, het ziet uit over het dal van de Dunajec dat straks vol loopt, vanaf de toren kijk je 120 meter recht naar beneden. Het kasteel, zegt hij, lag op de grens van Hongarije en Polen, dit was de Hongaarse noordgrens, de grens lag hier beneden, die weg daar is al sinds de elfde eeuw de verbinding tussen de twee landen, dit was zeshonderd jaar een grens waarom nooit is gevochten. Het kasteel van Niedzica is altijd in het bezit geweest van adellijke Hongaarse families, de Zapolya's, de Horvaths, de Thokoly's. In 1945, zegt Michalczuk, kwamen de Russen hier, ze hebben de archieven, de antieke meubels en de schilderijen van eeuwen oud op een hoop op de binnenplaats gegooid en alles in brand gestoken, dat was onze communistische revolutie. Het kasteel van Niedzica heeft de Polen altijd aangesproken: Karpinski componeerde er een opera over, er zijn populaire boeken over geschreven, en veel romantische poezie, over dat silhouet, dat kasteel op die bergtop.

Aan de overkant van het dal is het kasteel van Czorsztyn, dat was de Poolse grensbewaking, de Poolse stadhouder woonde er. Ook dat kasteel is zeshonderd jaar oud, maar aan het eind van de achttiende eeuw brandde het af en het is nooit hersteld, dat was niet nodig omdat de grens niet meer bestond: Polen was opgedeeld, Polen bestond niet meer, de Oostenrijkers waren hier de baas geworden. Ook dit kasteel is belangrijk, zegt Michalczuk: hier begon Polen, alle Poolse koningen zijn hier geweest. De plannen voor een stuwdam in deze kloof, tussen de twee kastelen, tussen de twee gebergten, dateren al van de jaren twintig. Toen in de jaren vijftig de plannen vaste vormen begonnen aan te nemen, begonnen ook de protesten, vooral van milieu-activisten, kunsthistorici, architecten. Het waren individuele protesten, de politieke situatie liet geen massaprotesten toe. In 1964 werd niettemin met de bouw van de dam begonnen. De communisten, zegt Michalczuk, hebben altijd gedroomd van het veranderen van de natuur, van het verleggen van rivieren. Het ging langzaam, het was socialistische planning, zegt Michalczuk, elke vijf jaar werden er plannen gemaakt die vervolgens niet werden gehaald. Dat is doorgegaan tot nu toe. De protesten zijn ook doorgegaan, maar onder het vorige regime hebben ze niets uitgehaald. De Ronde Tafel heeft zich begin vorig jaar nog met de dam beziggehouden, maar toen was hij al voor 80 procent klaar, zegt Michalczuk, toen heeft men maar besloten door te zetten, er was al te veel geinvesteerd. Michalczuk: 'Een meer van twaalf kilometer lang is geen groot meer. Maar dit dal is maar een kleine wereld, dit is een kleine kamer in het gebergte, een gesloten gebied. Het milieu aan de ene kant van de rivier, het Pieniny-reservaat, bosgebied, is anders dan aan deze kant, het loopt vloeiend in elkaar over, herten komen over de rivier. Straks komt er een groot meer tussen, als een breuk in dat natuurlijke geheel, een barriere, en niemand weet wat dat voor het park gaat betekenen.' Een van de grootste problemen, zegt Michalczuk, is dat de dorpen en steden hier in de buurt geen waterzuiveringsinstallaties hebben, ook de grootste steden niet, Zakopane en Nowy Targ. Zakopane, aan de bovenloop van de Dunajec, krijgt er pas volgend jaar een, maar slechts een kwart van de stad wordt daarop aangesloten. Over zuiveringsinstallaties in de dorpen wordt zelfs niet gedacht: het meer dat hier straks ligt wordt een mestvijver.

Ikonen

Het dorp Frydman is een juweeltje: een kerk uit de dertiende eeuw, een zestiende-eeuws paleisje van de familie die indertijd eigenares van het dorp en de landerijen was, een achttiende-eeuwse kapel. De hoofdstraat is lang en recht, houten huizen links en rechts, in allerlei kleuren, in het midden loopt een kanaaltje, eeuwen oud, zulke kanaaltjes lopen door heel Frydman: hier doen de inwoners al eeuwen de was.

Frydman blijft. Althans, dat is de bedoeling. Het komt straks lager dan de waterspiegel te liggen. Er is een grote beschermingswal achter het dorp gebouwd, zo hoog dat de kerktoren er, gezien vanaf de andere oever van de Dunajec, nauwelijks bovenuit komt, een grijze wal, lang en lelijk. Niettemin voelt Frydman zich bedreigd. Michalczuk: 'De wal is gebouwd van keien, en die zullen niet verhinderen dat het grondwater stijgt. Er zijn de mensen hier elektrische pompen beloofd, maar wie vertrouwt voor zijn overleven op elektrische pompen in een land waar de stroom voortdurend uitvalt?' Het resultaat van de angst is buiten het dorp te zien: er wordt gebouwd, maar ver van het dorp, dat langzaam opschuift, weg van het toekomstige meer. Een paar kilometer verder ligt Debno. In het midden van het dorp, in een cirkel van rood, blauw en geel geschilderde houten huizen, ligt een van de kostbaarste kunstschatten van heel Polen: de houten kerk, een kerkje met een spitse toren die niet boven de bomen uitkomt. Het is, zegt Michalczuk, een van de mooiste voorbeelden van de Poolse dorpsachitectuur, alles is van hout, alles behalve het slot op de deur. De pastoor van Debno draagt een toorts, laat zijn kerk zien, Wladyslaw Janczy heet hij, een ronde man, blozend en trots: er zijn maar drie van zulke kerken in Zuid-Polen, zegt hij, maar deze is de mooiste, deze is uniek.

De muren en plafonds zijn tot de laatste vierkante centimeter versierd met beschilderd houtsnijwerk, soldaten met zwaarden en ridders te paard, draken en bloemen en vogels en maagden en geometrische motieven, 77 patronen, zegt Wladyslaw Janczy, in 35 kleuren. Aan de muren ikonen op hout en ikonen op glas, ze dateren uit het eind van de vijftiende eeuw, zegt de pastoor, maar veel hier is ouder, het kruis dat aan het plafond hangt dateert uit 1380. Boven het hoofdaltaar een drieluik, Maria met Kind, geflankeerd door twee engelen, met op de andere panelen vier heiligen. Krakowse school, zegt Michalczuk, eind vijftiende eeuw, zegt Janczy, tussen gotiek en renaissance in. Een zijaltaar dateert van het eind van de zeventiende eeuw, een ander uit 1440. Aan de muur een tabernakel met twee Mariabeelden en beschilderde deurtjes en ijzerbeslag, ernaast een manshoog houten beeld van Sint Nicolaas, met mijter en staf, uit 1420, zegt de pastoor. Alles is anoniem, op het drieluik na is alles door mensen uit de buurt gemaakt, zegt hij, als er iets kapot ging is het door de mensen hier gerepareerd. De kerk is nooit afgebrand, door de Goddelijke voorzienigheid, zegt de pastoor, nee, vult Michalczuk aan, doordat er een grachtje rond de kerk loopt dat branden tegenhield, en door de hoge bomen rond de kerk die blikseminslag hebben verhinderd. Pastoor Wladyslaw Janczy toont een cimbaal, die gebruikt werd bij de mis. Heel oud, zegt hij, hij speelt erop.

Ook Debno blijft, als dat meer vol loopt, ook Debno ligt straks lager dan het meer, het heeft ook een dam gekregen, net als Frydman. Het stelt de pastoor niet gerust, de dam, zegt hij, bedreigt me al mijn hele leven, ik ben hier geboren, er wordt al mijn hele leven over gesproken. 'Die beschermingswal zegt me niets. We krijgen hier ook elektrische pompen. Maar dat die het grondwater buiten houden ik geloof daar niet in.' Het dorp Maniowy verdwijnt wel. Het ligt aan de overkant van de Dunajec. Een dorp uit de dertiende eeuw, maar, zegt Michalczuk, opgravingen tonen aan dat hier al 30.000 jaar geleden mensen woonden. Maniowy is al zo goed als verlaten: eksters en ooivaars hebben hier vrij spel. De inwoners zijn naar Nowy Maniowy verhuisd. Nowy Maniowy, zegt Michalczuk, is haastig neergezet, de huizen staan er, de bewoners wonen er, maar er is geen water, geen riolering, geen elektriciteit, er zijn zelfs geen wegen, er is daar gebouwd zonder enig respect voor de tradities hier, het lijken de voorsteden van Warschau wel. Van Maniowy is niet veel meer over. Dertig van de 440 mooie voorbeelden van de Poolse dorpsarchitectuur, die door het stuwmeer verdwijnen, stonden hier, zegt Michalczuk. Er zijn er een paar verplaatst, de kerk van Sint Sebastiaan bij voorbeeld, twee kapelletjes. Maar de andere zijn verdwenen. Huizen, een paar oude molens, ze zijn afgebroken, en het hout is opgestookt. Dat heeft de dam al aangericht. Er staan nog wat huizen overeind, sommige zijn nog bewoond, andere zijn vervallen, de ramen zijn stuk, balken gebroken, de verf is afgebladderd. De enige stenen gebouwen in Maniowy zijn de school, een groot vierkant gebouw met het jaartal 1895, een baksteenfabriekje waar nog altijd wordt gewerkt en een bijna tweehonderd jaar oude barokkerk. Alles wacht op het water. Het kerkhof van Maniowy, een typisch Pools dorpskerkhof: boven de graven zijn kleine houten kapelletjes gebouwd, in de stijl van de huizen, in het kapelletje zit een houtgesneden rouwende Christus. De voormalige woning van de doodgraver op het kerkhof is tweehonderd jaar oud.

Czorsztyn, het laatste dorp, aan de voet van de ruine. Ook dit dorp verdwijnt, dezelfde houten huizen, een enorm houten hotel, een paar beroemde grotten die meisjesnamen hebben en die, zegt Michalczuk, al in 1312 in documenten zijn genoemd. Grote houten schuren met zwarte daken die de grond bijna raken, die schuren, zegt Michalczuk, zijn honderd jaar oud. Dezelfde verlatenheid als de Maniowy, dezelfde stilte.

Pompen

Achter Czorsztyn begint het Pieniny-reservaat: diepe kloven, valleien met dichte dennebossen. De valleien zullen vollopen, de bossen verdwijnen, niemand weet nog tot waar. Er zijn, zegt Michalczuk, allerlei plannen en berekeningen gemaakt, plannen voor de versteviging van de oevers van het stuwmeer, opdat de heuvels van het park niet zullen afkalven. Het zijn plannen gebleven: er is niets gedaan. Het geldt ook voor de kastelen van Czorsztyn en Niedzica. Beide kastelen lopen gevaar. Nu worden ze omringd door bossen, straks door water. Het kasteel van Niedzica heeft al drie aardverschuivingen te verduren gekregen door het werk aan de dam, ramen staan uit het lood en er zijn barsten in de meters dikke muren gekomen. Het kasteel rust op twee rotsen zonder gezamenlijk fundament. Tussen de rotsen zit klei. Het was de bedoeling dat de drie zijden van de rotsen zouden worden beschermd, maar uiteindelijk gebeurt dat maar aan een van de drie kanten. 'Het is mogelijk', zegt Michalczuk, 'dat het kasteel over een jaar in het meer zakt. Degenen die deze dam willen bouwen zijn alleen maar uit op medailles op hun borst.' De rivier is niet eens groot genoeg voor een dam: aan de andere kant wordt een tweede reservoir aangelegd om het water terug te kunnen pompen en het nog eens te gebruiken. De dam is de dood van de Pieniny, zegt dr. Stanislaw Michalczuk.

De dam zelf ligt direct aan de voet van de rots waarop het kasteel van Niedzica staat, een grote betonnen wal in een zee van zand. Pas honderden meters stroomafwaarts, waar de Dunajec de grens met Tsjechoslowakije markeert, is weer gras, bos en groen. Vanaf de andere kant, van achter de dam, is de verandering van het silhouet het duidelijkst: vroeger domineerde het kasteel op de rotspunt het landschap. Nu domineert de dam het kasteel. Eeuwenlang hebben hier twee kastelen op een bergtop tegenover elkaar gelegen, straks steken ze amper boven de waterspiegel uit. Wie wil deze dam eigenlijk? Het is, zegt Michalczuk, ironisch genoeg het ministerie van milieu en natuurlijke hulpbronnen dat de bouw van de dam betaalt en doorzet. 'Ze krijgen geld om het milieu te beschermen en geven het uit om het te verwoesten. Het gaat het ministerie niet om het milieu, het gaat het ministerie om die natuurlijke hulpbronnen.'

Het ministerie van milieu en natuurlijke hulpbronnen, zegt Michalczuk, wordt geleid door een ingenieur hydro-energie, vandaar, en ook zijn plaatsvervanger is ingenieur hydro-energie, als die twee hun ogen sluiten zien ze alleen die dam, ze kunnen hun baby geen gedag zeggen, en zet daar maar vijf uitroeptekens achter, zegt Stanislaw Michalczuk. Het meest tragische is wellicht nog dat de dam, die al zoveel heeft verwoest en nog zoveel zal verwoesten, economisch gezien geen zoden aan de dijk zet. Toen men voor de oorlog plannen maakte voor de dam, kon er nog van worden uitgegaan dat de opgewekte stroom voldoende was voor de provincie Nowy Sacz. Maar dat was toen, dat was een ander Polen. De dam die hier straks ons milieu verwoest, zegt Michalczuk, levert 90 megawatt. Maar 90 megawatt is niets, Polen heeft krachtcentrales met diverse blokken waarvan elk blok 5000 megawatt levert. We protesteren niet graag tegen deze regering, zegt Michalczuk, maar we moeten wel. We oefenen druk uit op minister van financien Balcerowicz, hij moet de financiering van het project stoppen. Nee, het helpt niet veel, hij zegt dat hij het ministerie van milieu al meer geld geeft voor de bescherming van het milieu, en ziet niet in dat het ministerie van milieu de vernietiging van het milieu financiert, en de vernietiging van dorpen uit de dertiende eeuw, die 440 kunsthistorisch belangrijke gebouwen waarvan er al 318 zijn verdwenen, kerken, kapellen, oude landhuizen, graven, paviljoens, de mooiste voorbeelden van dorpsarchitectuur in de wijde omtrek. Ons is ooit een openluchtmuseum beloofd een van de beloften die nooit zijn waargemaakt. Het ministerie denkt dat de winst aan energie opweegt tegen het verlies aan cultuur. Ik heb nog altijd hoop, zegt dr. Stanislaw Michalczuk, achter de tinnen van de toren van zijn 600 jaar oude kasteel, ik heb hoop omdat ik weet dat wat door de mens wordt begonnen ook door de mens kan worden tegengehouden.