Alle dagen feest

Toen Everdine zat te breien Begon ze plotseling te schreien. Zij snikte door haar waterlanders: Nu wil ik eindelijk eens wat anders.

Ik heb voorgoed genoeg, helaas! Van tarwebrood met pindakaas. Ik wil mijn levensstijl verfijnen, Met haas en ree en Franse wijnen.

Alleen van prachtige gebouwen Vol lichtgeflonker kan ik houen; Van 't Koninklijk Paleis het meest, Want daar is 't alle dagen feest.

Maar toen ze bij 't Paleis aankwam Lijn 24, halte Dam Zag zij geen enkel lichtje branden En niets om van te watertanden.

Er was geen sprake van geflonker, De hele hofhouding zat in 't donker. Wat nu? Zijn hier geen drinkgelagen, Of zijn de stoppen doorgeslagen?

Vroeg Everdine de koning. Sire, Valt er nu werkelijk niets te vieren? Geen eind- of doctoraalexamen, Of vijfentwintig jaren samen?

Niemands naamdag of verjaardag, Of wat nog meer, een viering waardig? De koning zei, dat is nou sneu: We zijn dat vieren hier juist beu.

Altijd maar geheven pinken, Altijd maar glazen laten klinken, Franse wijnen en champagne, Canapes en al die franje,

Altijd fazant en ree en haas, Nooit tarwebrood met pindakaas. Al dat geschitter, gelach en kristal, Altijd speeches en daarna bal.

Die dameshoofden, zo keurig gekapt, Daar ben ik nou juist op afgeknapt. Met feesten zijn wij hier juist karig, En hier is men ook zelden jarig.

Dat is niet waar! zo klonk toen een stem Er is vaak iemand jarig en zie, dat is hem! De oudste muis van 't Koninklijk Huis; Hij woont nu achter het fornuis.

Hem laten de Koninklijke Poezen met vrede, Hij draagt nog livrei van generaties geleden; Zie hoe de lijfwacht salueert Wanneer die 't gasfornuis passeert.

Da's waar, erkende toen de Koning, Dit dier heeft recht op een beloning, Het heeft Mij nog als kind gekend; 't Is tijd dat het eens wordt verwend.

Hofdames, komt, en gij lakeien! Schiet op en breng de lekkernijen. Wij slaan nu aan het banketteren, De muis en onze gast ter ere.

Offreer de muis beschuit en kaas, En Everdine pindakaas, Nee, haas bedoel ik, haas en ree, En neem de Franse wijnen mee;

Ontsteek de kaarsen in de luchter, Want dadelijk is geen mens meer nuchter. Sober zijn we nu lang genoeg geweest, Nu is 't weer alle dagen feest!

En lang klonk nog het feestgedruis Voor Everdine en de muis.

    • Rudy Kousbroek