Samenspanners blijven individuen

Het Groningse strafproces tegen de 137 krakers van het Wolters Noordhoff-complex heeft veel aandacht getrokken. Uit de persberichten blijkt dat justitie het beschouwt als een testcase; voor het eerst is in een zaak van deze omvang gekozen voor een collectieve aanpak. Dat blijkt niet alleen uit het massale karakter van het proces, maar ook uit het telastegelegde artikel 140, wetboek van strafrecht (deelname aan een criminele organisatie). Is deze aanpak gerechtvaardigd? Zijn de krakers collectief verantwoordelijk? Artikel 140 mag zich in een toenemende belangstelling van het openbaar ministerie verheugen. Oorspronkelijk bedoeld als een strafbepaling tegen struikroverij, wordt het steeds vaker toegepast op meer eigentijdse vormen van groepscriminaliteit als drugssmokkel en krakersgeweld. Voor deze nieuwe toepassingen was de bepaling niet bedoeld. Recht kan zich ontwikkelen, zoals prof. Reyntjes onlangs in deze krant zei, en daar is niets op tegen. Het is echter wel een reden om bij iedere nieuwe toepassing zorgvuldig de grenzen te verkennen.

Voor artikel 140 geldt dit in bijzondere mate, omdat deze bepaling zelf weinig grenzen stelt. Strafbaar is namelijk de deelneming aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Vereist is niet dat er reeds een misdrijf is gepleegd. Ook voorbereidingshandelingen zijn strafbaar.

Afgezien van de vraag wat een criminele organisatie is, is hier vooral van belang wat onder deelneming moet worden verstaan. Is daarvoor vereist dat men aan de uitvoering van een misdrijf, of althans aan de besluitvorming daartoe, heeft deelgenomen? Of zijn de 'meelopers' ook al als deelnemer aan te merken? Als dat laatste het geval is, stuiten we op een probleem. In dat geval kan de bepaling worden toegepast op mensen aan wie geen verwijt van een concrete (strafbare) gedraging valt te maken. Dat staat echter haaks op het beginsel 'geen straf zonder schuld'.

Dilemma

Het dilemma is duidelijk. Enerzijds is de bestrijding van groepscriminaliteit een beleidsdoel van de eerste orde. En dat beleidsdoel is gediend met een ruime toepassing van artikel 140. Anderzijds staat zo'n ruime toepassing op gespannen voet met het beginsel 'geen straf zonder schuld'. Ook het openbaar ministerie is zich bewust van dit dilemma. Desgevraagd zei een officier van justitie onlangs in een interview dat in het geval van de Groningse krakers voor een collectieve aanpak was gekozen omdat een individualiserende benadering tot dusver weinig resultaat heeft gehad (gezien de anonimiteit waarin de krakers zich hullen). Het doel heiligt kennelijk de middelen.

Een ander lid van het openbaar ministerie ging een stap verder en rechtvaardigde een collectieve verantwoordelijkheid met een beroep op de onderlinge solidariteit van de krakers. Op die grond achtte hij het gerechtvaardigd de kraker die stenen gooit en degene die in de keuken broodjes smeert, over een kam te scheren. Is dat terecht? Een soortgelijke kwestie was een aantal jaren geleden aan de orde in het burgerlijk recht. Aanleiding was een demonstratie tegen de bouw van een kerncentrale in het Westduitse Grohnde in 1977. Een zwaargewonde politieman vorderde smartegeld van een van de demonstranten. De Duitse hoogste rechter toonde zich terughoudend. Het overwoog dat de deelnemers aan een demonstratie geen homogene groep vormen. Sommige demonstranten gebruiken geweld, anderen sympatiseren daarmee, en weer anderen doen geen van beide. Weliswaar bieden de laatsten door hun afwezigheid anonimiteit en bescherming aan de eersten. Maar dat is niet genoeg om ze aansprakelijk te houden voor de schade die door dat geweld is veroorzaakt. Daarvoor is vereist dat bij de aangesproken demonstrant de wil voorzat geweld te gebruiken.

Deze uitspraak heeft discussie uitgelokt. Sommige schrijvers waren van mening dat de Duitse rechter te zware eisen stelde aan groepsaansprakelijkheid. Volgens hen geeft ook de passieve deelnemer, louter door zijn aanwezigheid, blijk van zijn impliciete sympathie en solidariteit met gewelddadige demonstranten (uitzonderingen daargelaten). Anderen vonden dat impliciete solidariteit een te smalle basis is voor collectieve verantwoordelijkheid. Daarvoor is vereist dat die solidariteit blijkt uit woord en daad (aanmoediging of ondersteuning). Dit lijkt de juiste tussenpositie. Enerzijds kan een demonstrant aansprakelijk zijn voor de gevolgen van geweld dat hij niet zelf heeft gepleegd. Anderzijds is dan wel vereist dat die demonstrant expliciet blijk heeft gegeven van zijn solidariteit met degenen die geweld hebben gebruikt. Of dat zo is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.

Verschil

Terug naar de Groningse krakers. Voor de toepassing van artikel 140 zal allereerst moeten blijken dat het krakerscollectief is aan te merken als een 'criminele organisatie'. Indien dat komt vast te staan, rijst de vraag of de krakers 'deelnemers' zijn. Het antwoord zal waarschijnlijk zijn: sommigen wel, anderen niet.

Zij die door gedragingen of uitlatingen expliciet uiting hebben gegeven aan hun solidariteit met het collectief, zijn als deelnemer mede-verantwoordelijk voor dat collectief. Tot deze categorie behoren de krakers die zich anoniem houden en zich op die wijze achter het collectief verschuilen. Andere krakers zullen op grond van hun rol in de organisatie of hun bijdrage aan de vernielingen als deelnemer worden aangemerkt. Tenslotte zijn er de krakers die te weinig met het collectief zijn verbonden om daarvoor verantwoordelijk te zijn (hoewel zij waarschijnlijk een minderheid vormen). Voorop staat echter dat ten aanzien van iedere individuele kraker zal moeten komen vast te staan tot welke categorie zij behoort. Verantwoordelijkheid voor het collectief kan gerechtvaardigd zijn, maar zal in elk individueel geval moeten worden aangetoond. Collectieve verantwoordelijkheid vraagt om een individuele beoordeling.

Een collectieve aanpak, zoals door justitie gekozen, mag geen vrijbrief zijn voor een globale benadering. Dat verdraagt zich niet met het strafrecht, noch met artikel 140. Uiteindelijk is het aan de rechter om ten aanzien van iedere individuele verdachte te onderzoeken in hoeverre een collectieve verantwoordelijkheid gerechtvaardigd is. Op deze wijze zullen tevens de grenzen van artikel 140 nader worden bepaald.