Morandi's en Chagalls op het menu

Aan het begin van de eeuw was het Venetiaanse restaurant La Colomba (De Duif) een morsig eethuisje aan een donker steegje. Een schaftplaats voor gondeliers, geen trekpleister voor toeristen. Nu is La Colomba, zoals het in restaurant-taal heet, een 'gerenommeerd etablissement' waar, in de vele eetzalen, exquise varianten op de Venetiaanse keuken worden geserveerd. De verandering, van een simpele 'osteria' in een verfijnde 'trattoria', begon omstreeks 1930, toen Arturo Deana de nieuwe eigenaar van het eethuisje werd.

Arturo Deana was behalve restauranthouder ook een kunstverzamelaar. Op zijn twaalfde bezat hij een grote collectie kunstkaarten, later maakten de reproducties plaats voor echte schilderijen en tekeningen. Hij was bevriend met kunstenaars als Kokoschka, Chagall, Picasso, Morandi, Carra en Cocteau die, als ze Venetie tijdens de Biennales bezochten, elke avond bij La Colomba te vinden waren. Deana ondersteunde armlastige kunstenaars, maar wat hij aan hen uitgaf verdiende hij, achteraf bezien, dubbel en dwars weer terug doordat hij veel schilders in natura voor hun maaltijden liet betalen. Dat de traditie van de Biennales na de oorlog werd hersteld, was voor een groot deel te danken aan de inspanningen van Deana die, in 1946 ook de Premio Colomba, een speciale Biennaleprijs voor de beste schilder in de landenpaviljoens, instelde. De eerste winnaar was Carlo Carra. In 1960 organiseerde Deana weer een artistiekewedstrijd: hij vroeg beeldende kunstenaars menu's te ontwerpen voor zijn restaurant. Het resultaat was een verzameling van driehonderd verschillende menu-omslagen van kunstenaars als Poliakoff, Morandi, Picasso, Chagall, Max Ernst, De Chirico en De Pisis. De kleurige menu-omslagen, waarop vaak een meer of minder herkenbare duif figureert, sieren nog altijd de wanden van een der Colomba-zaaltjes. Gevat in onsteelbare lijsten bedekken ze de muren, van vloer tot plafond. Niet alleen de originele menu-ontwerpen hangen in La Colomba, overal hangen tekeningen en schilderijen en het restaurant kreeg in Venetie de bijnaam 'De Pinakotheek'. Toen Arturo Deana in 1974 overleed, nam zijn zoon Giovannihet restaurant over. Net als zijn vader is Giovanni Deana een hartstochtelijk verzamelaar van moderne kunst, al moet hij niets hebben van, zoals hij het noemt, 'het extreem moderne': minimal art en conceptuele kunst zeggen hem niets. Hij houdt van Mondriaan, maar niet van Fontana wiens doeken met gleuven en gaten hem 'te ver gaan'.

'Een schilder moet kunnen schilderen', zegt hij, en daarmee uit. Die overtuiging maakte dat Deana in de jaren zeventig en tachtig steedsmeer het contact met de Biennale-kunstenaars verloor. Volgens hem richten de Biennales zich tegenwoordig teveel op het 'jonge' en het 'nieuwe' en is er te weinig oog voor het ware kunstenaarschap. La Colomba is dan ook allang geen trefpunt meer van beroemde schilders, aan die tijd herinneren alleen nog de werken aan de wand en de twaalf dikke gastenboeken met tekeningen van talloze beeldende kunstenaars, van Marino Marini tot Morandi en Clemente. Giorgio Morandi maakte voor het gastenboek geen stilleven van flessen, vazen of kruiken, maar een prachtige tekening van twee boerenvrouwen. Het gastenboek is helaas niet te bezichtigen: evenals het zelfportret van De Chirico, het stadsgezicht van Kokoschka, de door Picasso gedecoreerde glazen en ander al te kostbaar werk worden de boeken bewaard in Deana's flat boven La Colomba.