Mijn marsen met Napoleon

In maart 1803 liep Christiaan Koch, een Duitse boerenzoon, die tot dan toe nooit verder dan twee uur gaans uit zijn geboortedorp Wirminghausen in het vorstendom Waldeck was geweest, naar Harderwijk en werd huursoldaat in Bataafse dienst. Generaals mogen graag verhalen hoe zij vanaf de strategisch gelegen heuvel de vijand eronder kregen.

Ook de Napoleontische campagnes zijn vooral van veilige afstand beschreven. De soldaten beneden doen er meestal het zwijgen toe.

Herinneringen als die van soldaat Koch, die bij Waterloo nog steeds van de partij is, maar dan aan Nederlandse zijde, en in 1830 zelfs de Belgen nog hun vet kan geven om de Scheldemond, zijn zeldzaam. 'Die mijn verhaal lezen, zullen niet kunnen geloven dat een persoon zoveel kan hebben doorgestaan, zonder er onder te bezwijken...' In februari 1865 vertelt J. C. F. Koch zijn kinderen eindelijk het volledige verhaal: hoe hij ruim zestig jaar eerder met Napoleon door Europa trok. Hij is dan 81 jaar oud en is al weer 20 jaar commandant-directeur van het Leidse Invalidenhuis. Het door 'neef De Wijs' opgetekende origineel ging in 1947 bij een brand verloren. In een helaas onvolledige transcriptie van een paar jaar eerder toont de oude Koch zich een zakelijk en laconiek verteller.

Marcheren

Tussen 1792 en 1815 was Frankrijk vrijwel zonder onderbreking in oorlog met de rest van Europa. Kochs bijdrage bestond voornamelijk uit marcheren. Wat te doen tegen doorgelopen voeten, koude of juist extreme hitte, een lege maag, daar draaide het om in het Waldeckse, later Hollandse regiment. Koch was en bleef de beroepssoldaat, de huurling zonder partij of vaderland, die zestig jaar later nog foeterde op zijn onhandige uniform en de te zware bepakking van toen.

In 1810 onttroont Napoleon zijn broer Lodewijk en wordt het Koninkrijk Holland ingelijfd bij Frankrijk. De omwenteling is voor Koch slechts een verandering van werkgever. Het zorgt hoogstens voor wat extra ongemak: 'Wij moesten drie dagen lang trouw zweren op het nieuwe vaandel en de ganse dag staan schreeuwen om de Franse commando's te leren, wat niet gemakkelijk was omdat, behalve de officieren, bijna niemand een woord Frans kon'. Tot 1808 treedt Kochs in Holland gelegerde regiment op als politieagent in de Duitse landen. In straf tempo loopt Koch heen en weer tussen Harderwijk, Austerlitz (de Waldeckers kwamen net te laat voor de slag), Krenz en Wenen, Briele, Kassel en Hannover. De aanblik van het wakkere regiment is meestal genoeg de orde in een opstandige stad of streek te herstellen.

Op een dag passeert het Waldeckse regiment de eigen streek. De een na de ander trekt er in stilte tussenuit. 'Geheel alleen en vervuld van gedachten' marcheert de plichtsgetrouwe Koch op de straatweg door.

Plotseling staat zijn vader voor hem, die hem 'van aandoening en blijdschap aanvankelijk niet kan loslaten'.

Koch belooft gauw weer eens thuis te komen en hangt snel zijn ransel om. Kort daarop krijgt Koch verlof. Bij thuiskomst hoort hij, dat hij van de vorst niet terug hoeft naar zijn afdeling. Om hem 'de zaak smakelijk te maken' zetten zij ouders 'een enigst dochter en tegelijk een allerliefst meisje' in. Maar Koch 'had schrik van het huwelijk' en 'te veel ambitie in het rondzwerven door de wereld', dat hij zich 'er in had kunnen schikken landbouwer te worden'.

'Ik hield mij bij mijn aanstaande dan ook maar doodkalm, bleef koud en stijf en zei weinig of niets, waardoor ik het lieve meisje zeer teleurstelde en mijn ouders veel verdriet aandeed.

'

Pas achttien jaar later zag hij ze weer. Als altijd met een vers stuk kaarsvet in de ransel tegen het doorlopen van de benen marcheert Koch, via Coevorden en Groningen, in de lente van 1808 uit Pruisen naar Bergen op Zoom. Hij kan meteen doorlopen naar Spanje. 'Een mooi vooruitzicht, twee, drie maanden marcheren! Wij werden voor onze lange reis en de veldtocht van alles ruim voorzien, dubbele munitie, kleding, schoenen, kookketels, een slaapzak. Behalve ons dood te lopen, mochten wij ons nu ook nog dood dragen. Daar kwam nog bij dat wij veel last hadden om onze witte kleding schoon te houden, wij marcheerden in groot tenue, met spanbroeken aan!' In Frankrijk waren de soldaten 'bijna allen als stom, onze grootste welsprekendheid bestond in het ophalen der schouders'.

Zij moesten genoegen nemen met de slechtste ligplaatsen. 'De Fransen verbeelden zich de eerste natie ter wereld te zijn en waren het toen ook. Zij kregen de goede vivres, wij moesten zeer ondergeschikt zijn. Onze soldaten waren danig ontevreden, maar wisten zichzelf nog al eens te helpen.' In Spanje was het warm en nat. Na een paar maanden bezaten de meeste mannen niet meer dan hun geweren en de broek die ze aan hadden. 'In Madrid kon niemand zich er dan ook hoogte van maken tot welke troepen wij behoorden.' De kans in 'het Spaanse moordhol' te overleven was klein. Voor de Spanjaarden was Koch een Fransman, een koningsmoordenaar en een nonnenverkrachter bovendien. In zes jaar werd het regiment door Spaanse en Engelse soldaten, door boeren-guerrilla's, en zelfs door bataljons gewapende priesters en monniken gedecimeerd. De over het algemeen weinig bloeddorstige Koch kijkt in 1865 nog steeds tevreden terug, op die mooie zomernacht in 1809 toen hij en zijn maten bij Toledo twee regimenten (!) zwartrokken in hun slaap om hals brachten.

De boerenguerrilla's mochten er reactionaire ideeen op na houden, achterlijk waren ze niet. De officieren werden het eerst op de korrel genomen. Koch brengt het in Spanje binnen de kortste keren tot luitenant. 'Eindelijk was ik de ransel en het zware wapen kwijt en dacht zo luchtig, de wereld wel uit te kunnen lopen. Verder gaven wij er niet zo om want traktement kregen wij toch niet en we leefden met de dag.' Tijdens de promotieplechtigheid krijgt de man naast Koch een kogel in zijn buik en de kapitein een kogel door zijn nek.

Kanonskogel

Slechts een enkele keer komt het tot een reguliere veldslag. Bij Ocana worden de Franse legers aan de oever van de Taag opgewacht door 80.000 Spanjaarden. 'Wij gingen er moedig op los, maar tegenover de overmacht konden wij niet anders dan ons terugtrekken. Van de achterzijde kwam een kanonskogel in, die soldaat Beerens, die naast mij stond, het gehele onderlijf wegnam. Daar ik met mijn rechtervoet vooruit, op de plaats rust en dus enigszins gedraaid stond, nam mij dezelfde kogel het onderste gedeelte van de panden van mijn jas, het ransel, de sabel en de patroontas weg. Soldaat Jacobs wilde Beerens wegslepen, doch andermaal kwam er een kanonskogel, die Beerens het hoofd af en Jacobs doormidden schoot, terwijl ik geheel onder hen geraakte.' In de vroege zomer van 1814, Napoleon is op weg naar Elba, loopt het restant van het oorspronkelijk 3.000 man sterke Waldecks-Hollandse infanterie-regiment negen officieren en 52 manschappen in twee maanden terug naar het noorden. Een ervaren rot als Koch kan in het leger van het verenigde Koninkrijk der Nederlanden direct aan de slag.

Krap een jaar later vliegen de ditmaal Franse kogels Koch weer om de oren. Op 18 juli 1815, klokslag 11 uur, valt bij Waterloo het eerste schot. 'Wij hadden er van onze standplaats op een heuvel bij Quatre-Bras een fraai gezicht op. Maar toen wij zagen dat onze generaal zijn degen trok wisten wij hoe laat het was. Napoleon had ons in de vorige jaren echter wel geleerd hoe er aangevallen moest worden, hij werd nu met zijn eigen lessen betaald.'

Zijn paard wordt onder hem doodgeschoten en 'op oud-Spaanse wijze' gaat Koch in de stormpas de Fransen tegemoet. 'De overste rechts en ik links van de troep om ze bij elkaar te houden, totdat wij de vijand als een berg voor ons zagen.'

Koch roept de overste toe: 'Wat moet er nu van ons worden'.

'Maar vooruit', roept de overste. Koch verovert een Frans paard. In het valies vindt hij een nankinsche broek met slobkousen en een paar nieuwe schoenen. 'In dit tenue marcheerde ik, want ook dit paard was de volgende morgen dood, mede naar Parijs.' Aftocht van de Fransen uit Papendrecht op 24 november 1813. Tekening van J. C. Schotel, 1787-1838.