Leven en werk van Belle van Zuylen beschreven in haarouderlijk huis; Wij leren alles van de Natuur

In 1762 werd in Amsterdam en Utrecht een boekwerkje gepubliceerd onder de titel Le Noble (de edelman), een satire op de privileges die de adel in die dagen genoot. Hoewel het anoniem verscheen, was het een publiek geheim dat Belle van Zuylen (1740-1805), oudste dochter van de slotheer van Zuylen, de auteur van het spraakmakende boekje was. Tot overmaat van ramp had ze als motto een versregel van La Fontaine gekozen: 'Men volgt niet altijd zijn voorouders, noch zijn vader'. Belles ouders waren dan ook allesbehalve blij met deze literaire uitspatting van hun dochter en het vermoeden bestaat dat zij de volledige oplage hebben opgekocht en laten vernietigen.

Het enig overgebleven exemplaar van Le Noble is thans te zien op de tentoonstelling Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid, die ter gelegenheid van het 250ste geboortejaar van Belle van Zuylen is ingericht in slot Zuylen, bij Utrecht. De expositie is een van de evenementen die worden georganiseerd in dit Belle van Zuylen-herdenkingsjaar. Een deel van de tentoonstelling was zes jaar geleden al te zien in het Letterkundig Museum in Den Haag, toen bij uitgever G. A.van Oorschot het volledige werk van de schrijfster was verschenen.

Het aardige van deze nieuwe locatie is dat de tentoonstelling zich nu bevindt waar zij ongetwijfeld het meest op haar plaats is: in het prachtige kasteel waar Belle werd geboren en een deel van haar werk tot stand kwam. Zo is onder meer het kamertje te zien waar zij vele van haar roemruchte brieven aan Constant d'Hermenches schreef. Op 20-jarige leeftijd maakte zij op een hofbal in Den Haag kennis met deze Zwitserse kolonel door op hem af te stappen en te vragen: 'Meneer, u danst niet?' Het gevolg van deze, in die dagen ongehoorde, eigengereidheid was een intensieve correspondentie, in het Frans, die vijftien jaar zou duren en die nu geldt als een hoogtepunt uit de epistolaire literatuur. Belle laat zich uit haar brieven aan d'Hermenches kennen als een bijzonder ontwikkelde, geestige vrouw, die lak had aan de conventies van haar tijd en openhartig schreef over haar gevoelens. Zo openhartig dat haar brieven ook nu nog heel modern aandoen. Maar hoe diepgaand de wederzijdse gevoelens ook waren, tot een liefdesrelatie of huwelijk is het nooit gekomen. Zelfs ontmoetingen tussen Belle en d'Hermenches waren zeldzaam, bang als ze waren om het zo bijzondere karakter van hun papieren genegenheid en liefde te laten verstoren door de realiteit.

Elektrisch vuur

Behalve zeer geinteresseerd in literatuur 'ik reis nooit zonder Racine en Moliere in mijn reiskist en La Fontaine in mijn geheugen' had Belle veel belangstelling voor natuurwetenschappen. Op de tentoonstelling is een elektriseermachine te zien: 'Vier maal per week ga ik met mijn broers na het middageten naar de heer Hahn, die ons vertelt wat elektrisch vuur is en wat gewoon vuur is, en wij leren alles van de Natuur kennen wat zij ons toestaat ervan te weten. Ik heb er veel plezier in', schrijft ze over de natuurkundelessen aan haar correspondentievriend James Boswell. En aan d'Hermenches: 'Als ik getrouwd was zou ik niet zo veel tijd kunnen besteden aan het clavecimbel of aan wiskunde'.

Dat d'Hermenches niet zo blij was met de exacte belangstelling van Belle blijkt uit een brief uit 1764: 'Alsjeblieft, studeer geen wiskunde. Je verbeeldingskracht wordt er door verkleind, je geest wordt droog, alles wat je bewijzen kan verandert je gevoel'. De laatst bewaard gebleven brieven tussen Hermenches en Belle dateren uit 1775. Belle is dan na lang aarzelen inmiddels getrouwd met de Zwitser Charles-Emmanuel de Charriere Penthaz en Belle vindt dat ze zich als getrouwde vrouw in haar brieven minder kan permitteren dan voorheen. De eerste jaren in Zwitserland worden gekenmerkt door leegte en haar echtgenoot is niet bij machte dat vacuum op te vullen. In een brief aan een familielid schrijft hij: 'Het is waar dat zij voor mij eigenlijk te veel geest heeft, van een te hoge geboorte is en te veel fortuin bezit, maar men moet over iets heen weten te stappen.'

Belle legt zich toe op het schrijven van politieke pamfletten die, net als LeNoble, veel opschudding veroorzaken, en op het componeren en maken van muziek. Tijdens een verblijf in Parijs, in 1787, ontmoet Belle de Franse schrijver Benjamin Constant. Tussen hen ontstaat een vriendschap en correspondentie van dezelfde intensiteit als destijds met d'Hermenches.

Ba

dDe tentoonstelling, waar behalve eigendommen van Belle twaalf panelen met foto's, portretten en citaten te zien zijn, geeft een goed overzicht van de veelzijdigheid van Belle van Zuylen, later Isabelle de Charriere, en de 'verlichte' tijd waarin zij leefde. Toch blijft de vage indruk bestaan dat enige voorkennis niet weg is, zeker niet wat betreft de relatie met d'Hermenches, die op deze tentoonstelling wat onderbelicht blijft.

De vele goed gekozen citaten bij de voorwerpen verlevendigen de expositie. Bij het bad in haar schrijfkamertje bijvoorbeeld is een fragment gekozen uit een brief aan haar broer Diederik (Ditie): 'Sinds de meer dan twee maanden dat ik nu baden neem heeft mijn vader geen enkele kans voorbij laten gaan om te zeggen hoe nutteloos het was, en dat wandelen hetzelfde efect heeft...' De overzichtelijkheid laat echter nogal eens te wensen over: niet altijd is de volgorde van de panelen duidelijk zonder voorafgaande blik in de catalogus en naar de onderschriften bij foto's en portretten moet vaak worden gezocht. Heel storend is dat zowel de catalogus als de informatie op de panelen uitsluitend in het Frans en Engels zijn gesteld. Van de citaten is een willekeurig aantal wel vertaald en voorzien van datering en bronvermelding, andere niet. Had niemand in de zes jaar dat de tentoonstelling nu bestaat de moeite kunnen nemen om de teksten te vertalen? Ondanks deze onvolkomenheden is de tentoonstelling de moeite waard en maakt zij in elk geval duidelijk waarom uitgever Geert van Oorschot ooit schijnt te hebben verzucht: 'Had ik die vrouw gekend!'