Flamboyant zelfportret van miskende Ken Russell

Over de films van de Engelse regisseur Ken Russell (geboren in 1927) zijn zo vaak lelijke dingen geschreven en gezegd, dat hij sinds het succes van zijn extravagante componistenportretten uit de jaren zestig en zeventig, en zijn relatief minst omstreden D. H. Lawrence-verfilming Women in Love (1970), in een tamelijk marginale positie als filmauteur terechtgekomen is. De BBC-televisie, die hem indertijd ontdekt heeft, vond het een goed idee de regisseur zichzelf maar eens te laten verdedigen. Tegen dat zelfportret, Russell on Russell, valt ook weer heel wat in te brengen. Het standaard-scheldwoord van Russells critici is het onvertaalbare 'self-indulgence'. De gefingeerde autobiografie, waarin Russell zijn zoontje zichzelf laat spelen met de stem van zijn vader, komt ruimschoots in aanmerking voor die term. Het is een kwestie van smaak, maar Russells flamboyantie en zelfbeklag hebben ook iets innemends. Misschien is Russells grootste probleem wel dat hij een Engelsman is. Opera, seksuele openhartigheid, lyriek, bandeloosheid, religieuze extase, spektakel, om maar eens een paar sleuteltermen uit Russells oeuvre te noemen, zijn nu eenmaal geen begrippen die in de Britse publieke opinie hoog aanzien genieten. En een regisseur die een biografie van Tsjaikovski (The Music Lovers) afficheert als 'een liefdesgeschiedenis tussen een homoseksueel en een nymfomane' mag blij zijn dat hij niet verbannen is.

Russell zegt iets te vaak en te hard dat hij niet wil klagen, maar legt zeer nadrukkelijk het verband tussen het feit dat hij uit financiele problemen bijna zijn huis in het Lake District had moeten verkopen en het vergelijkbare lot van de door hem in een tv-film geportretteerde dichter Wordsworth. Tot zijn andere helden behoren Dorothy Lamour, Oscar Wilde, de componisten Elgar, Debussy, Bartok, Prokofjev en Richard Strauss, alsmede D. H. Lawrence (in 1989 opnieuw verfilmd, in The Rainbow) en de heilige Sebastiaan. Allen figureren in de ontwapenend egocentrische collage, met het tempo van een videoclip. Ook die heeft Russell gemaakt; je moet wel erg gehaat zijn, om zelfs een promotiefilmpje voor Cliff Richard in de ban gedaan te zien worden door de BBC. Hoe 'self-indulgent' Russell ook uit dit zelfportret naar voren moge komen, het ontbreekt hem niet aan zelfspot. Als jongeman had hij minder gelukkige ervaringen met de koopvaardij, marine, luchtmacht, de professionele fotografie en de ballet- en muziekwereld, en die worden verwerkt tot ironische vignetjes, die zijn eigen rol tot weinig heroische proporties relativeren. Die jeugdherinneringen vormen het sterkste deel van de film. Ze roepen associaties op met de autobiografische memoires van even flamboyante, opera-achtige filmers als Federico Fellini en Eric de Kuyper. Maar dat zijn geen Britten.