EXPOSITIE OVER OOSTERSE EN WESTERSE VORMGEVING IN ARNHEM; De Ganges meandert langs Kopenhagen

De Stichting East meets West gaat niet over een nacht ijs: zes jaar geleden ontstonden zowel de organisatie als het idee een prijsvraag uit te schrijven en een tentoonstelling te organiseren. Vorig jaar pas waren de resultaten te zien, in New York, op een reizende tentoonstelling die dit en volgend jaar Barcelona, Tokyo en Milaan aandoet en nu te zien is in het onlangs geopende kunstcentrum Sonsbeek, het achttiende-eeuwse middelpunt van het gelijknamige park in Arnhem. De expositie is het residu van 851 inzendingen uit meer dan twintig landen, inclusief de Sovjet-Unie, India en Australie.

De bedoelingen van de stichting zijn, volgens de verantwoord vormgegeven catalogus (die zelf al enkele malen werd bekroond), 'filosofisch' van aard: de bevordering van vormgeving die de wederzijdse beinvloeding tussen het Oosten en het Westen weerspiegelt. De aandacht van de stichting gaat daarbij voornamelijk uit naar Japan, Noord-Amerika en Europa, een nogal discriminatoire voorkeur, die de organisatoren verdedigen met verwijzing naar de historische banden tussen de drie wereldstreken. Het vermoeden rijst echter dat eerder modieuze dan historische overwegingen een rol spelen: hoe geliefd is immers niet Japan op dit moment als esthetisch ijkpunt? De stichting heeft bij de jurering door onder anderen ontwerper Massimo Vignelli en architecten James Wines en Toshiko Mori vijf categorieen onderscheiden: toegepaste kunst en ambachten, architectuur, grafische kunst en verpakkingsvormgeving, industriele vormgeving en interieurdesign. Van dat onderscheid is op de tentoonstelling weinig te merken: de architectuur is bij voorbeeld slechts vertegenwoordigd door een serie Renaissance-achtige artist's impressions van Joseph Brodsky en Ilya Utkin. Het gaat om 'speculations' die de contouren van een glazen toren, een 'villa claustrophobia' en een 'Forum de Mille Veritatis' weergeven. Aardig, maar niet 'op klassieke wijze pervers en meeslepend anachronistisch', zoals jurylid Steven Holt ons wil doen geloven. Het is het soort peptalk waar de catalogus overigens van vergeven is.

Is het onderscheid tussen de categorieen dus al zoek, op de expositie is uberhaupt van welk 'concept' dan ook weinig te bespeuren: zelfs de omvang van 'East meets West in Applied Arts and Design' blijft een raadsel. De uitverkoren, meest al elders tentoongestelde inzendingen staan volgens de organisatie uitgestald op de eerste verdieping van het kunstcentrum, maar in de entreehal trekt het winnende ontwerp van de Belg Urbain Mulkers, een kamerscherm, al de aandacht. Een voor de gelegenheid ingerichte verkooptentoonstelling op de tweede verdieping en in het souterrain maakt het allemaal nog verwarrender. Wat begint en eindigt nu eigenlijk waar? Het kamerscherm van Mulkers is ongetwijfeld met gejuich door de jury onthaald. Het bestaat slechts uit welgeteld 49 tegen de muur leunende bamboestokken, die elk beplakt zijn met landkaarten. Zo ontmoeten het Oosten en het Westen elkaar letterlijk, schrijft de kunstenaar zelf al in een commentaar: kijk maar, de Ganges meandert in de buurt van Kopenhagen. 'Een prachtige combinatie van oud en nieuw, Oost en West, traditioneel en modern', oordeelt de jury inderdaad in slaafse navolging. Een dergelijke geforceerde benadering ontneemt ieder zicht op de kwaliteit van Mulkers' ontwerp, maar ik vermoed dat ik het, ook los van de iritante context, nogal flauw zou vinden.

Amateuristisch en pretentieus bovendien: dat is East meets West. Een affiche van Tom Geismar dat de handpalm toont van zijn dochter, heeft een plaatsje gekregen op de tentoonstelling, vanwege het idee dat de 'kwetsbare' afbeelding de wereldvrede belichaamt. Dat is al zweverig, maar het in rode letters geschreven woord peace in de linkerbovenhoek en het Japanse equivalent in de rechterbovenhoek, plaatst Geismar in dezelfde verdachte hoek als Mulkers. En waarom heeft Geismar gewonnen en is Benno Premsela's Lotek-lamp, zo Zen-simpel van constructie en grotendeels uit rijstpapier bestaand, slecht hors-concours opgenomen? Of staat het ontwerp niet hors-concours opgesteld? Vragen zonder antwoorden.

Op de bovenste verdieping, in de buurt van het Besouwtapijt nummero 1807, geinspireerd op de Japanse tatami-mat en eveneens van Premsela, staat een tot op heden onbekend gebleven serie stoelen van Berlage, uit 1910. Wat hebben ze met deze tentoonstelling van doen, behalve dat de staf ongetwijfeld trots is op de vondst? Een simpele lotusbloem decoreert de rugleuning: hier wordt Japan opportunistisch de rug toegekeerd, waarschijnlijk heeft Berlage een veel vager orientaalse, zo niet Nederlands-Indische notie voor ogen gestaan.

Over de verkooptentoonstelling in het souterrain bewaren we beter het stilzwijgen. Alleen de kaartjes van de neringdoenden al, die wel hun namen vermelden, maar de minste informatie over de geexposeerde voorwerpen verzwijgen (het jaar waarin ze gemaakt zijn bij voorbeeld) zijn ergerlijk. Zij versterken de indruk, dat East meets West het geesteskind is van buitengewoon modern ingestelde amateurs die alles van pr weten en weinig van kunst.