Dolle pret in het Wilde Westen

Het produceren van een vervolg op een succesfilm is de laatste jaren in Hollywood een automatisme geworden. Van de tijdreis-fantasie Back to the Future werd vorig jaar dan ook een deel twee gepresenteerd dat volledig leek te passen in het rijtje Lethal Weapon 2, Robocop 2, Die Hard 2 en noem ze maar op: geen schijn van de kwaliteit van het origineel, maar genoeg naamsbekendheid om toch nog een heel aardige recette binnen te halen.

Curieus was wel dat in Back to the Future part II al een trailer ingebouwd was voor deel 3, die binnen een half jaar het licht zou zien en bijna gelijktijdig was opgenomen. Nu dat derde en laatste deel klaar is, moet het vernietigende oordeel over de rommelige en soms onbegrijpelijke plot van deel twee enigszins herzien worden. Men kan regisseur en scenarioschrijver Robert Zemeckis weliswaar verwijten dat de drie films niet goed op zichzelf kunnen staan, maar de hele trilogie vormt wel een afgerond en doordacht geheel. Er is verschil tussen de almaar uitdijende reeksen Jaws, Rocky of A Nightmare on Elm Street enerzijds en de consistente trilogieen Star Wars, Indiana Jones en Back to the Future anderzijds. De laatstgenoemde twee, door Steven Spielberg bedachte series hebben gemeen dat het derde en definitief laatste deel het origineel in kwaliteit evenaart.

In de eerste Back to the Future-film reist tiener Marty McFly (Michael J. Fox) in de als race-auto vermomde tijdmachine van Doc Emmett Brown (Christopher Lloyd) dertig jaar terug, naar 1955, om te bewerkstelligen dat zijn ouders elkaar ontmoeten. In 'part II' ging hij dertig jaar vooruit, naar 2015, om zijn kinderen voor stommiteiten te behoeden. De door de serie populair geworden notie van een 'ruimte-tijd-continuum', dat bij verstoring tot de ondergang van de wereld zou kunnen leiden, krijgt eindelijk rust in het laatste deel, wanneer Doc in het Wilde Westen van 1885 zijn grote liefde, schooljuffrouw Mary Steenburgen, ontmoet en het rusteloze geknoei met heden, verleden en toekomst voor meer huiselijke beslommeringen verruilt.

Een van de aardigste aspecten van de Back to the Future-cyclus is dat het een populair compendium van de Amerikaanse geschiedenis nastreeft. De architectuur van hetzelfde kleine Californische stadje blijft herkenbaar in de verschillende historische verschijningsvormen: een stoffige 'boom town' in 1885, een verstilde, saaie, maar welvarende provincieplaats in 1955, een ambitieuze groeikern in het Reagan-tijdperk van 1985 en een extreme droom van urbanisatie, waar weelde en verpaupering onomkeerbaar verdeeld zijn, in 2015. Maar de drie films verkennen ook klassieke Amerikaanse genres met de science fiction als verbindend element, dat in deel twee te veel op zichzelf kwam te staan. De mythologie van 'small town America' en het western-idioom vormen een betere basis voor de cinefiele genre-spelletjes van Zemeckis dan de ongeremde koffiedikkijkerij uit het middelste deel.

Het verhaal van Back to the Future Part III start in 1955, en dat is geen gek uitgangspunt om de western opnieuw te introduceren. Zemeckis is zich goed bewust dat de huidige generatie bioscoopbezoekers het Wilde Westen voornamelijk kent uit televisievertoningen van Clint Eastwood-films. De reis begint dan ook in een ouderwetse drive-in-bioscoop, waar een saloongevecht of een charge van de cavalerie nog niet voor exotisch doorgingen. De tijdmachine boort zich door een wandschildering met galopperende roodhuiden en belandt direct tussen de echte indianen, midden in de door John Ford bekend geworden Monument Valley. Die briljant gefilmde scene vormt de opmaat voor een catalogus van alles wat de western ooit zo aantrekkelijk maakte: een hoofdstraat, waar de sheriff passerend geboefte op wapenbezit controleert, een ontmoeting aan de toog van de saloon, die van verbale schermutselingen in een echte kloppartij ontaardt, met achter de tafels wegduikend publiek, een achtervolging bovenop een rijdende trein, en natuurlijk het duel bij het ochtendkrieken. Het jonge publiek kan zich identificeren met vreemdeling Michael J. Fox, die naar zijn naam gevraagd, slechts die van Clint Eastwood weet te produceren.

Tegen deze benadering van de western valt in te brengen dat alleen de spectaculaire buitenkant van het genre overblijft. Epische spanning moet plaats maken voor het gevoel dat de bezoeker van een van die vele Wildwest-pretparken in de Verenigde Staten bekruipt. Het ruikt er naar paardemest en de verf van indianen op het oorlogspad, maar echt spannend wordt het nooit, omdat er geen grenzen meer te verleggen zijn. De grootste verdienste van Back to the Future Part III is dan ook de ambachtelijke bravoure, niet de dramatische overtuigingskracht. De trucages zijn zo onberispelijk dat ze vanzelfsprekend lijken. Over de scenes die Fox met zichzelf (als een van zijn voorvaderen) speelt, verbaast niemand zich meer. Zelfs de vliegende locomotief in de slotscene wekt nauwelijks meer dan plichtmatige bewondering.

Door terug te gaan naar de wortels van het Amerikaanse groei-optimisme, toen niemand er aan twijfelde dat de toekomst beter en groter zou zijn, hebben de makers van de Back to the Future-cyclus wel op elegante wijze een punt gedraaid aan een serie, die natuurlijk net zo goed eindeloos door had kunnen gaan. Het is aanbevelenswaardig amusement, meer voor jong dan voor oud, dat tegelijkertijd onbedoeld aantoont dat de kracht van de Amerikaanse cultuur en mentaliteit eerder in het verleden dan in de toekomst ligt.