WERKGEVERS WORSTELEN MET DE WAO

Meeste landen kennen al quotaregeling voor arbeidsongeschikten. De werkgevers hebben opzien gebaard met hun plan om de groei van het aantal arbeidsongeschikten in te dammen. Hun voorstellen sporen voor een deel met wat elders in Europa gebruikelijk is. Maar werknemers die te maken hebben met een beroepsziekte of -ongeval, krijgen het veel slechter dan hun buitenlandse collega's. De vakbeweging moet maar eens over de grens kijken.

FNV-voorzitter Stekelenburg noemt het een schandelijk plan, een afbraak. De MHP (middelbaar en hoger personeel) ziet er ook helemaal niets in. Maar het CNV is gecharmeerd van de bedoeling. Premier Lubbers noemt het 'een doorbraak'.

En zelfs PvdA-deskundige Middel in de Tweede Kamer ziet positieve kanten.

Het voorstel dat de werkgevers twee weken geleden onverwacht lanceerden om een eind te maken aan het nog steeds fors groeiend leger van arbeidsongeschikten heeft veel losgemaakt.

Afbraak of doorbraak? De waarheid lijkt in het midden te liggen. Zou het werkgeversplan worden uitgevoerd, dan is de Nederlandse arbeidsongeschikte, die al een behoorlijk arbeidsverleden heeft, straks qua inkomen aanzienlijk slechter af dan zijn lotgenoten in vergelijkbare Europese landen. Tegelijkertijd kan het feit dat de werkgevers zich bereid verklaren in beginsel iedereen die minder dan 66 procent arbeidsongeschikt is, in dienst te houden, gerust een doorbraak worden genoemd.

Voor het eerst erkennen de werkgeversorganisaties wat sinds 1973 in toenemende mate door allerlei deskundigen wordt beweerd: de bedrijven hebben in het verleden de WAO gebruikt om fysieke en mentale kneusjes, lastige en overbodige werknemers uit het arbeidsproces te weren. Voor de relatief hoge arbeidsproduktiviteit heeft Nederland een hoge prijs betaald in de vorm van een ongekend hoog aantal arbeidsongeschikten. Volgens de prognoses zal al voor 1995 de mijlpaal van een miljoen arbeidsongeschikten worden bereikt.

Dat dit magische getal zoveel onrust teweegbrengt, is niet omdat de WAO opeens onbetaalbaar is. De verontruste geluiden over de onbetaalbaarheid klonken al begin jaren zeventig. Sindsdien is de premie meer dan verviervoudigd zonder dat de druk groot genoeg was om tot maatregelen te leiden.

Een miljoen arbeidsongeschikten vormen op dit moment vooral een maatschappelijk probleem. Ze kunnen echter een economisch probleem worden. Als straks door de demografische ontwikkeling het aantal werkenden afneemt, zal de economische verspilling die tot uiting komt in de groei van de WAO, zwaarder gaan tellen. Werkgevers en vakbonden beginnen zich te realiseren dat ze straks een beroep moeten doen op groepen die nu vaak nog links blijven liggen: minderheden, vrouwen en arbeidsongeschikten.

De WAO gaf en geeft de ruimte om sneller uitkeringen te verstrekken dan in de meeste andere landen. Bovendien bestond tot enkele jaren geleden de mogelijkheid om bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een volledige uitkering te krijgen wanneer men door de handicap geen werk kon vinden. De WAO heeft daardoor vaak het karakter opgedrongen gekregen van een voor het bedrijfsleven voordelige, hoge afvloeiingsregeling. En overheid en politiek tolereerden dat.

Of iets als ziekte of afwijking wordt beoordeeld, is mede afhankelijk van de betekenis die de afwijkingen voor iemand persoonlijk hebben, maar ook van de cultuur in een land. Toen bleek dat de WAO uit de hand ging lopen, had aanvankelijk vooral de arbeidsongeschikte het gedaan. Een groot deel zou ten onrechte van de WAO gebruik maken.

De laatste jaren werd meer de aandacht gericht op de medeverantwoordelijkheid van de werkgevers en de overheid. Dat lijkt meer op wat de revalidatie-arts W. Verkade in 1976 in Medisch Contact al collectieve schuld noemde. Wie niet mee kan in het systeem, wordt als ongezond beschouwd. Men moet in zijn maatschappelijk hokje passen. Maar het medisch apparaat weet steeds minder raad met deze mensen. Als ze dan kiezen voor de WAO, is het de vraag waar de schuld ligt: bij de patient, de behandelende arts, de verzekeringsgeneeskundige, de werkgever, de uitvoerder of de regering. De Amerikaanse hoogleraar Wildavsky, deskundige op het gebied van overheidsfinancien, noemde dat verschijnsel enkele jaren geleden het 'POGO-principle': 'We have seen the enemy and they are us'.

Niet ongewoon

De werkgeversorganisaties willen nu via drie sporen het probleem aanpakken. Allereerst moeten de bedrijven de weinig toegepaste verplichting om zieken en gehandicapten in het eigen bedrijf aan passend werk te helpen, arbeidsplaatsen aan te passen en met hen rekening te houden bij het inrichten van het produktieproces, nu eens naleven, eventueel op straffe van sancties. Een gehandicapte werknemer mag niet zomaar meer worden ontslagen. Daar staat tegenover dat werknemers ander passend werk zouden moeten aanvaarden, eventueel met herscholing.

Ten tweede moeten bedrijven met relatief veel gehandicapten - meer dan gemiddeld in de bedrijfstak - worden gestraft met hogere premies voor werkgever en werknemers. Bedrijven die een gehandicapte in dienst nemen, moeten een vergoeding krijgen; bedrijven die een gehandicapte ontslaan, moeten juist een bedrag betalen.

Ten derde moeten in de WAO forse wettelijke drempels worden ingebouwd - minder snel een uitkering en een veel lagere uitkering - om een te royaal gebruik door de werknemer tegen te gaan.

Dat laatste voorstel van de werkgevers is het meest omstreden. Toch bevat het elementen die niet ongewoon zijn in andere Europese landen. Voor het overboord zetten van het fijnmazige systeem voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid, zijn best redelijke argumenten aan te voeren. In erland heeft iemand al recht op een gedeeltelijke uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van vijftien procent (WAO) of 25 procent (AAW). Vervolgens past bij elke tien procent hogere arbeidsongeschiktheid een hogere uitkering. In de praktijk blijkt het bij veel gevallen moeilijk te zijn om objectieve medische maatstaven aan te leggen. Wijzigingen in de maatschappelijke opvattingen over gezondheid en ziekte beinvloeden mede de uitslag van de keuringen.

In landen waar op een grovere wijze - meestal via slechts twee of drie categorieen - de mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald, hebben de keuringsartsen het aanzienlijk gemakkelijker. De algemene invaliditeitsverzekeringen in andere EG-landen geven pas recht op een gedeeltelijke uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van circa 33 procent (Griekenland en Spanje), vijftig procent (West-Duitsland, Denemarken en Portugal) of 66 procent (Belgie, Frankrijk en Italie). De ondergrens van 33 procent die de Nederlandse werkgevers voor ogen hebben, steekt daarbij nog betrekkelijk gunstig af. Datzelfde geldt voor het werkgeversvoorstel om iemand die meer dan 66 procent arbeidsongeschikt is, een volledige uitkering te geven. Op dit ogenblik is daarvoor in Nederland een percentage van tachtig procent arbeidsongeschiktheid vereist. In de EG-landen moet meestal sprake zijn van honderd procent invaliditeit.

Minder

Over dit onderdeel van het plan heeft de vakbeweging het laatste woord nog niet gezegd. De werkgevers willen wel gedeeltelijk gehandicapten in dienst houden, maar als dat niet op dezelfde plek kan, dan zal de werknemer genoegen moeten nemen met minder, misschien wel veel minder loon. Ook de voorgestelde omvang van de uitkering is omstreden. De werkgevers menen dat ook de werknemers schuld zijn aan het hoge gebruik van de WAO. Ze laten zich te gemakkelijk afkeuren. Daarom bevat het werkgeversplan een voorstel om in de WAO een aantal aspecten van de minder gulle Werkloosheidswet (WW) onder te brengen. De uitkering moet in alle gevallen na een aantal jaren omlaag naar het niveau van het sociale minimum. Ook zal de werknemer eerst ten minste 26 weken moeten hebben gewerkt.

Vergelijken we de Nederlandse WAO met de algemene invaliditeitsverzekeringen in andere EG-landen, dan blijken deze zogeheten referte-eisen heel gewoon te zijn. Meestal wordt de uitkering afhankelijk gestelde van de periode waarin premie is betaald. In West-Duitsland bijvoorbeeld ligt die termijn tussen drie en vijf jaar.

Vrijwel alle EG-landen - Engeland en Ierland zijn uitzonderingen - berekenen de algemene invaliditeitsuitkeringen op basis van het loon dat vroeger werd verdiend. Ze kennen net als Nederland op dit moment een maximum- en een minimumuitkering. Wat de maximum-uitkering betreft steekt Nederland relatief gunstig af met zeventig procent van het laatste loon. West-Duitsland komt ongeveer in de buurt. Maar ook Spanje kent een uitkering die bij volledige arbeidsongeschiktheid honderd procent van het loon bedraagt. Bij uitsluitend volledige ongeschiktheid om het eigen beroep verder uit te oefenen, bedraagt de uitkering daar 55 procent. Spanje biedt in dat laatste geval de unieke mogelijkheid om de uitkering in een bedrag ineens op te vragen.

Als nu in Nederland, conform het werkgeversvoorstel, de band met het vroegere inkomen na korte tijd al geheel wordt losgelaten, zakt Nederland echter binnen de EG meteen naar het onderste region. De vergelijking valt nog nadeliger uit wanneer alle regelingen in andere EG-landen erbij worden betrokken. Nederland is het enige land waar (sinds 1967) geen onderscheid wordt gemaakt tussen een algemene invaliditeitsverzekering en een speciale verzekering tegen invaliditeit door beroepsziekten en ongevallen tijdens de uitoefening van het werk.

Een procent

Uit een overzicht van de EG blijkt dat deze laatste verzekeringen in andere EG-landen vaak niet veel slechter zijn dan de Nederlandse WAO. De meeste landen geven een uitkering op basis van het loon in de laatste periode en daarnaast nog een vaste aanvulling als andere personen moeten worden onderhouden. De uitkeringsduur is - anders dan bij de WAO - onbeperkt en in het algemeen worden nieuwe verdiensten en andere uitkeringen niet of nauwelijk gekort op de uitkering. Omdat in dit geval de oorzaken vaak duidelijk zijn, ontstaat vaak al recht op een uitkering bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van vijftig of twintig procent en bij sommige beroepsziekten al bij een procent.

Krijgen de Nederlandse werkgevers hun zin, dan zal de situatie van die Nederlandse arbeidsongeschikten, die te maken hebben met beroepsziekten en -ongevallen - altijd nog een flink deel van de WAO-ers - straks hierbij zeer schril afsteken. Zij krijgen dan immers pas recht op een uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 33 procent of meer. Ze kunnen - afhankelijk van het aantal gewerkte jaren - ten hoogste zeven jaar een uitkering krijgen op basis van hun laatste loon en moeten het voor de rest stellen met een sociaal minimum. Andere inkomsten worden daarop in mindering gebracht. De uitkering vervalt bij het bereiken van het 65ste jaar.

Neem West-Duitsland. Daar geldt deze verzekering niet alleen voor werknemers, maar ook voor onder andere bepaalde zelfstandigen, alle schoolkinderen en studenten. De uitkering voor iemand boven de achttien bedraagt bij volledige arbeidsongeschiktheid in beginsel 66,7 procent van het loon dat in de laatste twaalf maanden werd verdiend. De uitkering is gebonden aan een maximum. Dat is niet zo hoog als dat van de WAO, maar gaat het om iemand die al een aantal jaren heeft gewerkt en premies heeft betaald voor de algemene invaliditeitsverzekering, dan krijgt hij ook een algemeen invaliditeitspensioen. Zijn totale uitkering kan dan oplopen tot tachtig procent van zijn laatstverdiende loon, zonder maximum, en met onbeperkte duur.

Er is al recht op een gedeeltelijke uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van twintig procent. Moet men anderen onderhouden, dan krijgt men een toelage die kan oplopen van circa 500 tot 2.000 gulden per maand. De duur van de uitkering is onbeperkt. Andere inkomsten worden niet in mindering gebracht op de uitkering. De uitkering kan niet alleen (ten dele) worden gecombineerd met de algemene invaliditeitsuitkering, maar ook met de Duitse AOW. De beroepsverzekering kent bovendien nog extra uitkeringen voor weduwen en wezen, zelfs eventueel voor achterblijvende ouders. Opmerkelijk is dat de situatie in de meeste andere EG-landen van die uitgangspunten niet veel afwijkt.

Het had dus voor de hand gelegen dat de Nederlandse werkgevers, die bij andere gelegenheden voortdurend wijzen op de consequenties van het ene Europa, hadden aangesloten bij wat internationaal gebruikelijk was. Daarmee zouden ze zelf echter wel aanmerkelijk duurder zijn uitgekomen. Zo betalen de Duitse werkgevers voor de speciale beroepsziekten en -ongevallenverzekering maar liefst een premie van negen procent van het loon.

Het voorstel van de werkgevers gaat uit van het beginsel van collectieve schuld. Voor de werkgevers zelf houdt het niet meer in dan al in veel EG-landen gebruikelijk is: het verplicht in dienst houden van bepaalde gehandicapten, financiele prikkels en sancties. Zelfs kennen de meeste landen een quotaregeling. Voor de werknemers wijken de voorstellen nogal sterk negatief af van wat in andere landen - met minder arbeidsongeschikten - gebruikelijk is. Alle reden voor de vakbeweging om - voor het beslissende overleg in september - eens over de grens te kijken.