Vrolijk naar de bliksem

Adam Smith was een filosoof. The Theory of Moral Sentiments (1759) beschouwde hij als zijn hoofdwerk. Zijn lijvige An Inquiry into Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776) had in zijn dagen een even groot succes als het eerste boek en heeft hem lang overleefd. In de negentiende eeuw behoorde het tot de lectuur van ieder ontwikkeld mens. Het duikt op bij Poesjkin en Stendhal. Het werd de bijbel van het economisch-liberalisme.

Smith behoorde, evenals bij voorbeeld zijn leermeester Francis Hutcheson en zijn vriend David Hume, tot de Schotse moralisten. Onder de indruk van de verbazingwekkende ontdekkingen van Isaac Newton streefden zij naar een 'morele wetenschap' van de mens en de samenleving, die was gebaseerd op observatie van causale samenhangen en hun herleiding tot enkele grondbeginselen. Zij wensten de kennis niet te baseren op openbaring of de rede, maar op empirisch onderzoek. Smith ziet de mens en de samenleving als een mechanisme van krachten die tot evenwicht leiden en daarmee de beschouwer ervan tot een besef van schoonheid brengen. In een van zijn vroege wetenschapsfilosofische opstellen, die na zijn dood zijn gepubliceerd, noemt hij de wetenschap een kunst die spreekt tot de verbeelding.

I n de Moral Sentiments ziet hij de mens als een sociaal wezen, dat een evenwicht van krachten tot stand brengt. Die krachten zijn de sympathie, in de letterlijke betekenis van mee-voelen, de een ieder gegeven zin voor gepastheid (propriety) en het sociale geweten, dat bij elk individu fungeert als een onpartijdige toeschouwer (zoals later ook bij Kant). Het aangeboren fatsoen en het meevoelend vermogen waarborgen dat het streven naar eigenbelang in het kader van de instituties van de vrije concurrentie tot fraaie resultaten leidt. Geleid door een onzichtbare hand bevorderen de mensen zo, zonder het te bedoelen en zonder voorkennis, het belang van de samenleving. 'It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker, that we expect our dinner but from their regard to their own interest', schrijft hij in zijn tweede boek. 'We address ourselves not to their humanity but to their self-love, and never talk to them of our own necessities but of their advantages'. In de Wealth of Nations beschrijft Smith het economische mechanisme van de samenleving. Ondanks zijn empirisch streven is het een ideaal. Hij geeft aan hoe de wereld behoort te zijn en illustreert het met toepasselijke voorbeelden uit de praktijk. Het economische systeem moet gebaseerd zijn op het beginsel van de 'natuurlijke vrijheid'. Dat was geen nieuwe gedachte, maar een denkbeeld dat door Franse en Engelse verlichte denkers ontwikkeld is. De leuze 'Laissez faire' werd in Frankrijk aangeheven. Smith gebruikt die uitdrukking niet, maar zijn natuurlijke vrijheid is het systeem van het laisser faire. Het berust op ondernemingsvrijheid zonder staatsinterventie en wordt door de onzichtbare hand van het marktmechanisme bestuurd. Er behoeft niet te worden ingegrepen. De concurrentie zorgt ervoor dat de inkomens tenderen naar 'natuurlijke' niveaus, bepaald door de verhoudingen van vraag en aanbod op de markt.

Smith werd zo een ideoloog van het zich ontwikkelende kapitalisme, maar hij was er zich niet van bewust dat in zijn omgeving de Industriele Revolutie was begonnen. Zijn maatschappij berust op landbouw, handel, transport, ambacht, huisindustrie en manufactuur. De stoommachine en de verregaande mechanisatie van de produktie ontbreken.

D e manufactuur is een vorm van produktie waarbij de produkten in fabriekslokalen worden vervaardigd met de hand, met behulp van gereedschappen en eenvoudige werktuigen. In een beroemd geworden voorbeeld van de speldenfabricage, dat hij aan de baanbrekende Franse Encyclopedie ontleende, liet Smith zien hoe de produktiviteit van de arbeid erdoor wordt opgedreven. Een man kan in zijn eentje hoogstens twintig spelden per dag maken. Tien werklieden te zamen die de arbeid onder elkaar verdelen, maken er 48.000 per dag.

Evenals Xenofon ongeveer vier eeuwen voor het begin van onze jaartelling, verkondigde Smith de stelling dat de mate van arbeidsverdeling afhankelijk is van de omvang van de markt. Als de 48.000 spelden niet kunnen worden verkocht, zullen ze in een kleiner aantal met minder arbeidsverdeling worden gemaakt. Toeneming van de arbeidsverdeling binnen de bedrijven en tussen de bedrijven verhoogt de produktiviteit en daarmee de groei van de welvaart. Daarvoor is expansie van de afzet nodig, die bevorderd wordt door daling van de transportkosten en ontsluiting van nieuwe markten overzee. Bij een snelle groei zal de stijging van het arbeidsaanbod achterblijven en zullen de lonen daardoor omhoog gaan. De vooruitgang als gevolg van mechanisatie en automatisering, de techniekverbetering door toegepaste wetenschap, is bij Smith afwezig. De wetenschap is bij hem nog niet, zoals later bij Marx, een produktiekracht.

Maar wat Marx miste en Smith wel had, komt vandaag aan het licht in Oost-Europa waar het historische experiment met de centrale planificatie is mislukt en een nieuwe gevoeligheid is ontstaan voor de wijsheid van Adam Smith. Het is beter te vertrouwen op de onzichtbare hand van de markt dan op het alziend oog van de ministeries.

Niettemin is ons vertrouwen niet langer onbeperkt. Het laisser faire is zelfs in de negentiende eeuw nooit volkomen verwezenlijkt. De moderne sociale markteconomie kent een aanzienlijke mate van staatsinterventie ten einde problemen op te lossen die Adam Smith niet zag. De motor van de markt blijft onmisbaar, maar er wordt ook bij ons door de ministeries veel gestuurd. Er wordt niet langer uitsluitend besloten door producenten en consumenten die met elkaar communiceren op de markt, maar ook door het besluitmechanisme van de parlementaire democratie. Dat leidt tot minder harmonie van behoeften en belangen dan volgens het ideaal van Smith. De sociale belangen, die volgens hem worden behartigd door de onzichtbare hand, worden vandaag ten dele verdedigd door pressiegroepen die maatregelen eisen of verwerpen.

E r is in onze tijd ook nog een nieuw probleem gerezen, dat de filosoof van het niet-industriele kapitalisme niet kon zien. Ongebreidelde produktie en consumptie gaan ten koste van de natuurlijke omgeving waarin wij leven. De kosten ervan komen niet tot uitdrukking in de prijzen die op de markt worden gevormd. De natuurlijke vrijheid vernietigt de natuur. Om dat te voorkomen, dient het marktmechanisme te worden gecorrigeerd. Overheidsinterventie is vereist om door regelgeving, heffingen en subsidies de natuurlijke vrijheid te beperken.

Het heeft er vandaag alles van dat die interventie zeer onvolledig wordt uitgevoerd en aanvaard. Het historische drama dat begeleid door het optimisme van Smith met de beloften van een schone harmonie begon, is veranderd in een tragedie waarin de helden aan hun eigenbelang ten onder gaan. De pressiegroepen drijven tot programma's van tegenstrijdige eisen (zoals bij voorbeeld: groeiende produktie, inkomens en particuliere consumptie en constante lastendruk) zodat de mensheid onder het lawaai van popmuziek, wikkend zonder te wegen, vrolijk naar de bliksem gaat.